Van hard werken krijg je geen stress maar van eraan denken wel

Rat

Boemel was niet alleen mijn slaappil maar ook mijn kalmeringsmiddel. Elke ochtend stond ik op met een takenlijst en elke avond ging ik naar bed met wroeging over onverrichte zaken. Overdag rende ik alsof een leeuw achter mij aan zat. Tempo was mijn motto. Zodra er een kink in de kabel zat waardoor ik niet op volle toeren kon draaien, werd ik boos op mezelf. Domoor, nietsnut en alle synoniemen die in mijn woordenboek stonden werden tevoorschijn gehaald om mezelf te labelen.

Het gebeurde vaker dan mij lief was. Terwijl ik als een rat in een tredmolen vooruit probeerde te gaan, struikelde ik over Boemel die prinsheerlijk op het vuilwitte tapijt lag te dutten. Behalve zijn bruin gevlekte oren en staart deelde hij dezelfde kleur met het vloerkleed. Zelfs als ik niet liep te stressen kon ik amper zien waar de hond begon en waar het tapijt eindigde.

Zodra ik Boemel aankeek, vroeg ik me af waar hij de rust en vrede vandaan haalde. Maar natuurlijk, hij kreeg twee keer per dag kip, rund en zelfs wild, althans zo stond op de blikjes vermeld die voor amper een euro per stuk in de supermarkt te koop waren. Hij hoefde zich geen zorgen te maken of er morgen brood op de plank kwam. Ik wel. Een geruststellende gedachte. Zo had ik een goede reden om verder te molenwieken. Ik was er zelfs trots op. Ik hoefde tenminste niet bang te zijn om aan een boom in het Kralingse Bos vastgebonden te worden omdat mijn baas op vakantie ging. Een mens is toch slimmer dan een hond, rondde ik hiermee deze ronde van mijn hersenspinsels af.

Geen idee waarom, maar Boemel moest en zou mee als ik het kleinste kamertje in huis bezocht. Dan wachtte hij met zijn kopje schuin totdat ik klaar was. Menigmaal zei ik foei, heb je niet wat beters te doen? Maar hoe ik hem ook trachtte af te richten, hij bleef mij overal volgen, dus ook daarheen. Ik legde een verband tussen dit gedrag en zijn verleden. Hij was óf verdwaald óf verlaten door zijn baas daar in Rotterdam, met angst om alleen te zijn als naweeën. Dat hij er niets van geleerd had en nog steeds als een klit blad aan mij plakte, zeg! Als hetzelfde mij zou overkomen, zou ik mij onafhankelijker maken van een ander. Stel je voor dat hij weer op straat kwam te staan. Wat dan?

Beren

Daar lag Boemel, genoeglijk gekruld op het vloerkleed en wist van de prins geen kwaad. Tot op een onverwachte dag – welke naarheid kwam wel met een vooraankondiging? – ik op de rand van een burn-out belandde. Niets hielp, strandwandelingen, gymnastiek of meditatie. Ten einde raad legde ik mijn hoofd naast dat van Boemel en hoorde zijn ademhaling, sneller dan die van een mens, maar gelijkmatiger. Ik werd op slag ontspannen. Ik zat ernaast. Hij was verstandiger dan ik. Hij zwierf nu niet in het Kralingse Bos en had nu een baas die hem van zijn natje en droogje voorzag, iedere dag wat anders op het menu. Hij kon nu rekenen op een zacht bed en een paar mensenarmen om zich erin te nestelen. De rest kon hem een worst wezen. Hij leefde in het hier en nu. Een dribbelende, duttende, blaffende en staart zwaaiende vertolking van ‘Komt tijd, komt raad’.

Vraag aan mijn huisarts. Ik heb haar nooit om kalmeringsmiddelen gevraagd, ook toen ik in de hitte van de burn-out op was van de zenuwen. Alleen door zichzelf te zijn, had Boemel mij van de hardnekkige aandoening afgeholpen. Door hem had ik ingezien dat in het hier en nu leven niet inhield dat ik geen voorzorgsmaatregelen mocht nemen voor een mogelijk probleem. Boemel kwam pas tot actie als ik ergens naar toe ging. Dan zag hij erop toe dat hij niet weer alleen op de wereld kwam te staan. Maar als ik zat te werken of stond te koken, bleef hij gewoon bij zijn uitkijkpost – het raam – en zette een keel op tegen een ieder die het in zijn hoofd haalde om ook maar een centimeter dichter bij mijn voortuin te komen, of lag hij lekker te slapen. Heel anders dan ik.

Ik had mijn stress niet te danken aan het harde werken maar aan de beren op de weg die ik gewoontegetrouw zag. Ik piekerde over de formulering van een dichtregel als ik een eitje voor het ontbijt stond te bakken; ik prakkiseerde wat als de melk uit de pan zou lopen terwijl ik een verhaal aan het pennen was. De paar beren werden gaandeweg een hele roedel en ik joeg mezelf met succes op de kast. Geen wonder een burn-out.

Als Boemel in het bos zwierf, zocht hij voedsel en hulp. Als hij opgenomen was in een gezin, genoot hij van de menselijke warmte. Alles op zijn tijd. Mijn wereld kon ook zo simpel zijn. Aan de slag wanneer er werk aan de winkel was en eten wanneer mijn maag knorde. Zo lang ik alles niet door elkaar haalde, kon ik net zo gelukkig zijn als een hond.

Het leven is half geluk en half verdriet

Zonder Boemeltje lijkt mijn leven leeg. Zijn snoetje blijft voor mijn ogen verschijnen en mijn tranen wassen dat beeld weer weg. Uit wanhoop zoek ik op het internet naar een hondje in het dierenasiel (Boemel kwam daar ook vandaan) aan wie ik weer liefde kan geven, maar als ik de ogen van Boemel voor de geest haal, voel ik me schuldig. Hij is pas overleden. Verraad ik hem niet?

De kracht van een granaat ligt daarin dat een balletje in een handomdraai een plek met alles erop en eraan in de as kan leggen. Het verdriet om Boemeltjes overlijden doet aan die kracht niet onder. Het verdooft alle licht in mijn wereld.

Elke dag kent een duisternis voor de zonsopgang. Zonnestralen kunnen hun energie alleen opbouwen in de diepste nacht. Dankzij de aarddonkere put waarin ik de afgelopen 72 uur heb gezeten, zie ik een lichtpuntje.

Het Chinees woord voor ‘boom’ is 木 (mu). De liggende streep geeft de horizon aan. Het wil zeggen dat een boom even lang is bovengronds als ondergronds. Hetzelfde geldt voor het gezelschap van Boemel. Hoe meer hij mij liefde heeft gegeven, in hoe meer verdriet hij mij achterlaat. Het enige verschil is dat het plezier dat hij mij heeft geschonken over een tiental jaren is gespreid en de droefenis daarna tot een explosie van tientallen uren is samengeperst. Zo bereiken de twee een perfect evenwicht.

Ik heb besloten mijn handen thuis te houden en niet meer te klikken op links voor een mogelijk asielhondje. Nu begrijp ik waarom Taoisten met het leven mee meestromen in plaats van naar het geluk zoeken. Zodra een mens koste wat kost blij wil zijn, wacht een tegenslag hem om de hoek af. Net een boom die even lang boven- als ondergronds is. Meestromen heeft het voordeel dat dingen naar ons toekomen, wenselijke en minder wenselijke. Wij hoeven ons niet in alle bochten te wringen voor iets dat (nog) niet voor ons weggelegd is.

Als er op een dag een hondje op mijn stoep staat, zoals Boemeltje het een tiental jaren geleden deed, zal ik hem omarmen. Als het wonder wegblijft, heb ik nog Boemeltje, in mijn hart. Dankzij hem ben ik een stapje dichterbij de Tao.