Op hoop van zon en al het moois dat zal komen, 16, Lulu Wang

Gisteren begon het Chinees Nieuwjaar, ook het Lentefeest genaamd. Volgens Chinezen is het voorjaar van start gegaan. Voor iedereen die het viert, Gelukkig Chinees Nieuwjaar toegewenst!

Licht en warmte

Een week geleden gebeurde er van alles. Eerst sneeuwde het, iets wat slechts sporadisch voorkwam aan de Haagse kust. Dan scheen de zon, iets wat eveneens dun gezaaid was in het winterse landschap. De sneeuw verdween niet als sneeuw voor de zon, iets wat vanzelfsprekend was. De zon straalde alleen maar licht uit en warmte was er niet bij. Sterker nog, ik bibberde meer in het heldere zonlicht dan onder de grijze wolken. Ik wist het, het was maar een gevoel, gevoed door een foutieve associatie. De zon stond niet gelijk aan licht en warmte. Dat gebibber kwam dus door mijn verkeerde verwachtingen.

Daar bleef het niet bij. Toen het nacht werd, keek ik uit het raam en zag een omgekeerde wereld. Normaal gesproken was de aarde donker en de hemel wat lichter, maar nu was het andersom. De sneeuw op de grond weerkaatste het schaarse licht dat de nacht toebedeeld kreeg en lag er stralend bij. Daarmee vergeleken oogde de hemelkoepel als een zwart gat. Boven stond niet gelijk aan licht noch onder aan duisternis. Ik moest wederom mijn associatie bijstellen.

Ik dacht dat ik, gezien het aardig aantal jaren dat ik de revue had zien passeren, alle gezichten van Moeder Natuur had aanschouwd, maar nee. Op Haar raakte ik nooit uitgekeken, merkte ik.

***

Twee in één

Toen ik negen was, kwam ik op een dag op school. De bel was allang gegaan, maar het leslokaal was slechts voor de helft gevuld. De leraar kondigde aan dat onze klas binnenkort samengevoegd zou worden met een andere klas, die ook halfleeg was gelopen. Ik keek naar de stoelen en dacht aan de klasgenoten die er de dag daarvoor nog hadden gezeten. Nee toch, ze waren allen kinderen van de collega’s van mijn vader! Dan begreep ik het wel.

Om de werkeenheid waar mijn vader aan was verbonden te beschermen tegen mogelijke aanvallen door de Verenigde Staten en de Sovjet Unie – die laatste stond sinds zijn aanval op het Zhenzhu Eiland niet meer op goede voet met China – zou de werkeenheid op zeer korte termijn verhuizen naar het veilige binnenland, de Provincie Sichuan om precies te zijn, duizenden kilometers van Beijing vandaan.

De laatste dagen sliepen mijn ouders nauwelijks. De hele tijd zaten ze met elkaar te wikken en wegen. Zou mijn moeder haar werk op de universiteit opgeven, zodat zij en ik met vader naar Sichuan konden verhuizen? In dat geval zou ons gezin heel blijven. Wilde ze doorgaan met het uitoefenen van haar beroep in de hoofdstad Beijing, zouden zij en ik vader jaren moeten missen. Hoeveel jaar in totaal? Dat voorspellen was gelijk aan in een glazen bol kijken. Uiteindelijk hadden ze besloten, natuurlijk zonder mijn mening aan te horen, dat vader alleen naar Sichuan ging en dat moeder en ik in de hoofdstad bleven. Goed voor haar vak en voor mijn opleiding. Gezien de halflege kamers bij ons op school hadden de meeste echtgenoten van vaders collega’s gekozen om mee te verhuizen.

Campus

Amper een week later kwam ons gezin ook voor een derde leeg te staan. Vader was vertrokken, waarna moeder tegen mij zei dat het geen zin meer had om dagelijks uren te besteden aan het woon-werkverkeer. Ze besloot, wederom zonder mijn mening aan bod te laten komen, ook te verhuizen. Naar de universiteit waar ze colleges gaf.

De eerste keer dat ik onze nieuwe woonruimte binnenstapte, wilde ik meteen rechtsomkeert maken. In de kamer pasten slechts een éénpersoonsbed, een bureau en een stoel. Waar moest ik slapen? Moeder beloofde mij naar een plank en twee krukken te zoeken, waarmee ze elke avond van het bed een twijfelaar zou maken. Ik mocht aan de binnenkant slapen en zij aan de buitenkant. Zo kon ik nooit ’s nachts van ons bed naar de vloer rollen.

Moeder bracht mij naar een basisschool waar de kinderen van haar collega’s ook op zaten. De meisjes in de klas keken mij met scheve ogen aan omdat de jongens in de klas met mij wegliepen. Voor mij geen punt, want ik voelde me bij de meisjes sowieso niet thuis. In de bomen klimmen en vogelnesten leeghalen, vonden ze halsbrekend. Paardenpoep oprapen, tot een bal kneden en ermee naar elkaar gooien, vonden ze smerig. In landbouwvelden aubergines, courgettes of sperziebonen stelen en rauw opeten, vonden ze er ten eerste geen smaak aan en ten tweede levensgevaarlijk. Als wij door de kwekers opgepakt zouden worden, moesten wij mee naar het politiebureau. Dan kwam er nog de directeur van onze school aan te pas. Tenslotte kregen wij geheid een pak slaag van onze ouders, in mijn geval van mijn moeder. Al met al een linke soep, volgens de meisjes.

Rauwe groente

Zo zag ik het niet, evenmin als de jongens bij ons in de klas. Hoe riskanter, hoe spannender. We gingen naar school om daar te verzamelen zodat wij direct na de les vogels in de bomen, groenten in de velden en mensen met verkering het leven zuur konden maken. Vooral verliefde paren waren een doorn in onze ogen, nou ja, in de ogen van de jongens dan. Wij gingen naar de Heuvel van bloemen en vruchten, ten zuiden van de universiteitscampus waar wij woonden, hielden ons in de jojobestruiken koest en deden aan tortelduifjes spotten.

Zodra wij, nou ja, zodra de jongens dan, een jonge oom en een jonge tante naast elkaar zagen zitten, gooiden ze paardenpoep naar hen. Al snapte ik niet waarom ze een hekel hadden aan die zielsgelukkige paartjes, toch wilde ik geen spelbreker zijn en huppelde dus achter hen aan. Wij hadden de wind mee, want in de turbulente jaren dienden wij onze liefde volledig te wijden aan de leidinggevende van de massabeweging. Tortelduifjes voelden zich schuldig dat ze hun genegenheid moesten verdelen tussen de leider en hun hartendief. Vandaar dat ze zich niet verzetten tegen onze poepgooierij.

Op een dag hadden wij pech. De jonge oom die wij met poep hadden besmeurd kalmeerde eerst zijn verbouwereerde vriendin en pakte daarna een boomtak met nog bladeren eraan. Hij gaf een schreeuw die mussen van de bomen afschrok en stevende op ons af. Ik zag bruine poepspetters op de hemelsblauwe zondagskleren die zijn verloofde zeker speciaal voor het rendez-vous had aangetrokken en opeens vond ik het niet lollig meer. Zoals nooit tevoren snapte ik de jongens niet. Waarom gooiden ze toch roet in het eten van die dolgelukkige lui? Door mijn getob vluchtte ik niet rap genoeg. De schreeuw van de, terecht, wraakzuchtige jonge oom werd duidelijker hoorbaar en ik voelde zelfs de luchtstroom door zijn zwaaien met de boomtak. Ik wilde vaart maken maar vergat onder mijn voeten te letten. Ik viel en brak mijn arm.

Erhu

Sindsdien verbood moeder mij met de jongens te spelen. Van haar moest ik na school direct thuiskomen en de Peking-opera leren zingen. Ze had een gewezen roemrijke zangeres gevonden die nu bij de Faculteit kunst en muziek werkte. Volgens deze privélerares was mijn stem laag en breed. Geschikt om in de opera de rol van een oma te spelen. Helaas had ze mij pas een paar keer onderricht of ze moest naar de bergen, honderdtwintig kilometer van Beijing vandaan, om heropgevoed te worden. Voorts had moeder een andere collega bereid gevonden. Hij zat in de directie van haar faculteit en was een amateurspeler van de Chinese viool Erhu. Als ik zong, begeleidde hij mij met zijn instrument. Hoewel hij mij voor de rest niets bij kon brengen, vond moeder, die gewoonlijk een obsessie voor kwalificatie en vakbekwaamheid vertoonde, het merkwaardig genoeg voldoende.

Sinds moeders verbod zag mijn dag er belabberd uit. Overdag zongen de jongens onder mijn raam revolutionaire liedjes – andere liedjes kenden wij niet – in de hoop dat ik er tussenuit kon knijpen om alsnog met hen buiten te spelen. In de avond bedekte moeder met een handdoek een bureaulamp, in de hoop dat ze mij niet in de slaap zou storen. Ze spreidde vellen briefpapier op tafel en verkrulde ze met haar hete tranen. Geen idee waar ze zoveel inspiratie uit putte om iedere avond tot diep in de nacht een boekwerk naar vader te schrijven, maar dat was nog mijn laatste zorg. Nu wij onze mooie, ruime woning hadden ingeruild voor dit piepkleine kamertje zonder keuken en toilet, nu ik mijn voormalige klasgenoten massaal naar Sichuan had zien verhuizen, was moeder de enige constante factor in mijn leven. Zolang ze stiekem huilde, vreesde ik dat de grond onder mijn voeten in zou zakken en de hemel boven mijn hoofd neer zou storten. Daarom zong ik graag de Peking-opera.

Appel

Het enige lichtpuntje tijdens onze dag was wanneer de amateurspeler van Erhu verscheen. Terwijl hij mij begeleidde, zette moeder thee op en schilde een appel voor ons drieën. Zodra ik klaar was met zingen, aten wij samen dit fruit op. Oom Zhang heette hij, geen intellectueel en dus politiek correcter. Hoewel hij lang en fors was gebouwd, raakte hij gauw verlegen en zweeg hij als goud. Als moeder hem een partje appel aanbood, zei hij er geen nee tegen. maar hij sneed het in tweeën en legde een stukje terug op moeders bordje. Zij legde het op haar beurt op het mijne, waarna hij bloosde. Men zou denken dat hij de volgende keer het stukje dat hij uit zijn mond had gespaard direct aan mij zou geven, maar vergeet het. Hij bleef het mijn moeder toeschuiven. Een teken dat hij of dom of koppig was, vond ik. Heel anders dan mijn vader, die graag op zijn praatstoel zat en bruiste van briljante ideeën.

Zelfs dit lichtstraaltje doofde uit. In navolging van mijn vroegere zanglerares moest moeder ook heropgevoed worden. Ze liet mij achter in het jeugdopvangcentrum, opgezet door de universiteit voor de kinderen van geleerden die zich in de bergen met lichamelijke arbeid zaten te beteren. Nu was oom Zhang de enige constante factor in mijn leven. Ondanks mijn eenzaamheid in dat centrum met allemaal ouderloze kinderen, kon ik me dagelijks verheugen op het zingen van de Peking-opera.

Poppetjes

Elke middag, direct na school ging ik naar oom Zhang toe. Dan nam hij zijn erhu van de muur af, die daar aan een spijker hing, stemde hem en knikte tegen mij. Na drie liedjes knikte hij weer tegen mij en ik mocht weer gaan. Ahoewel hij even weinig praatte als toen moeder thuis was, merkte ik een verschil. Er dansten geen poppetjes meer in zijn ogen en ik was slechts een opdracht die hij omwille van mijn moeder moest uitvoeren, had ik de indruk. Telkens als ik zijn lege blik zag, miste ik moeder in de bergen. Op dat moment kwam een voordeel van haar afwezigheid naar boven drijven. Ik was nu zo vrij als een vogel en kon gaan en staan waar ik wilde. Ik besloot niet meer te zingen. Zo hoefde ik ooms ongeïnteresseerde oogopslag niet te zien noch erdoor te worden herinnerd aan moeder die elke dag vast en zeker afgemat werd door op het land te zwoegen.

Op zich kon ik ook besluiten weer te spelen met de jongens bij mij in de klas. Ik voelde me echter een drijfplant, zonder wortels in de vaste grond. Ondanks dat de intellectuele ouders van de jongens ook in de bergen zaten, hadden ze een oma of een tante die op hen paste, waardoor ze niet in het jeugdopvangcentrum hoefden te verblijven. Mijn beide oma’s hadden hun handen vol aan het verzorgen van hun kleinzonen, stamhouders van de familie. Ze moesten mij dus, met pijn in hun hart, laten waar ik was. Vandaar dat ik de jongens die een warm nestje hadden met een kloek erin, uit de weg liep.

Zonnebloemen

Mijn gezelschap vond ik in een handvol zonnebloemzaadjes die ik op het plantsoen voor het gebouw van ons centrum had gezaaid. Elke dag gaf ik hen water en babbelde met hen. Ongeduldig wachtte ik op het feller en warmer worden van de zon. Als er een plantje uit de grond schoot, zou ik het met boomtwijgjes stutten, nam ik me voor. Dan zou het rechtop blijven groeien, met zijn kopje naar de zon gericht.

Eens per twee weken werden moeder en haar collega’s met een vrachtwagen naar huis vervoerd. Van haar moest ik weer de Peking-opera zingen. Van haar moest oom Zhang een hele appel opeten. Er groeiden namelijk veel appelbomen in de bergen. Iedereen mocht de vruchten gratis en voor niks plukken en mee naar huis nemen. Moeder gaf mij ook een fles zelfgemaakte appeljam mee, zodat ik hem op mijn brood kon smeren als ik samen met andere opvangkinderen in de kantine at.

Anders dan moeder, schreef ik geen brief, aan haar noch aan vader. Ik huilde evenmin. Mijn aandacht ging geheel uit naar de zonnebloemzaden die alsmaar niet wilden ontkiemen en naar de winterse zon alleen licht maar geen warmte uitstraalde.

Nieuw huisje

Anderhalf jaar later mocht moeder terug naar haar werk. Geen idee of ze voldoende was heropgevoed, in ieder geval had de universiteit haar nodig om het leerboek Russisch voor het middelbaar onderwijs aan te passen aan de nieuwe tijdsgeest. Moeders vakkennis was haar achilleshiel maar ook haar beschermengel, had ik het idee. Sterker nog, haar geluksbrenger, want wij waren een heus appartementje toebedeeld. Ik had weer een eigen kamertje en wij hoefden ’s nachts niet meer een lange en tochtige gang af te reizen om een plasje te doen. Er zat ook een keuken in ons huisje bij, helemaal voor onszelf.

Moeder droeg geen versleten en verkreukelde kleren meer zoals toen ze het land bebouwde. Door de fleurige jas en glad gestreken broek die ze nu aan had keerde ze terug naar haar vroegere aantrekkelijke zelf. ’s Zondags bereidde ze eerst geroerbakte groente met reepjes vlees erin en dan vroeg ze mij oom Zhang, die in een gebouw verderop woonde, uit te nodigen. Samen smulden wij van de lekkernij en de poppetjes dansten opnieuw in ooms ogen.

Waarschijnlijk had moeder in de bergen weinig te eten gehad en als nasleep ervan maakte ze nooit genoeg voedsel voor ons klaar. Zuinig met woorden als oom Zhang was, praatte hij haar altijd goed. Je maag volstoppen was niet gezond, zei hij tegen mij zodra ik klaagde dat ik nog trek had. Op dat moment miste ik vader. Als hij thuis zou zijn, zou hij de kant voor mij kiezen en moeder erop wijzen dat een opgroeiend kind voldoende voeding diende te krijgen.

Desondanks was ik blij als oom Zhang bij ons over de vloer kwam, omdat ik moeder zag opfleuren. Nu ik een eigen kamer had, wist ik niet of ze nog steeds elke avond tot diep in de nacht met tranen en inkt een boekwerk voor vader schreef, maar aan haar sierlijke tred merkte ik dat verdriet haar minder vaak bezocht en dat geluk haar pad frequenter kruiste.

Pakket

Het Chinees nieuwjaar stond op de stoep. Moeder kwam thuis met een pakket uit Sichuan. Samen pakten wij het uit, met een tandpastalach op ons gezicht. Zowel moeder als ik had van vader nieuwe kleren gekregen. Zij een zilvergrijze effen overjas en een lila trui; ik een geruite rode overjas en een roze trui. Al gold de traditie dat iedereen in nieuwe kleren het nieuwe jaar diende binnen te treden, gezien moeders heropvoeding en de daaruit voortvloeiende krapheid bij kas, had ik de voorafgaande weken gevreesd dat moeder van haar oude rok een zogenaamde nieuwe jas voor mij zou maken. Vader kon als het ware mijn gedachten lezen en zorgde er van op afstand voor dat wij naar behoren gekleed het nieuwe jaar konden vieren.

Terwijl ik de kleren paste, als een tuimelaar draaide en een gat in de spiegel keek, zat moeder er verbleekt bij. Op haar gezicht verscheen dezelfde uitdrukking als toen ze ’s nachts dikke brieven aan vader pende. Alleen pinkte ze geen tranen weg. In plaats ervan zuchtte ze. Heel diep. Vanuit haar tenen zowat.

Huiswerk

De dag daarna was zondag. Moeder roerbakte weer groente met reepjes vlees, maar toen ik gewoontegetrouw de jas aantrok om oom Zhang voor de lunch uit te nodigen, verhief ze haar stem, halt! Wat ging ik doen? vroeg ze mij. Ik dacht dat ik een stem uit het stopcontact hoorde. Ze duwde mij op de stoel en gilde. Of ik het huiswerk af had. Ik keek op en herkende haar niet meer. Haar ogen spuwden vuur en haar handen stonden klaar om mij oorvijgen toe te dienen. Ze had zich nooit om mijn huiswerk bekommerd. Dat was het eerste wat ik deed als ik van school kwam en ze wist het.

Desondanks liet ik braaf mijn huiswerk aan haar zien. Ze tierde opnieuw. Of ik de vervoegingen van de twintig Russische werkwoorden uit het hoofd had geleerd. Waar had ze het over? dacht ik uit alle macht na… Inderdaad. Bijna twee jaar geleden, voordat ze naar de bergen vertrok, had ze mij een paar Russische werkwoorden geleerd. Maar geen twintig en zeker niet samen met vervoegingen en al.

Moeder liet de geroerbakte groente met reepjes vlees erin op het aanrecht staan en koud worden, sleepte mij naar haar kamer en tierde verder. Voortaan kreeg ik van haar les in Russisch en o wee als ik de twintig nieuwe werkwoorden die ik dagelijks in mijn hoofd moest prenten, verkeerd zou spellen! Ik doorzocht mijn gedrag van de afgelopen tien minuten. Wat had ik gedaan om haar toorn te wekken? Daar vond ik zo een twee drie geen antwoord op.

Half oor

Een half uur later warmde moeder het gerecht op, pikte er met haar stokjes alle reepjes vlees uit en legde ze in mijn kommetje. Lulu, zei ze, eet flink en groei snel. In de afgelopen dagen had ze ter voorbereiding van het herschrijven van het Russisch leerboek de lesmaterialen van alle vakken voor het middelbaar onderwijs doorgenomen, aldus zij. Die bestonden voor de helft uit politiek betoog. Nu ze weer thuis was, zou ze, binnen haar beperkte vermogen, wat ik op school miste aan mij geven.

Hoewel mijn keel door schrik dicht was geknepen, steeg de spiegel van mijn mondwater nu ik vlees in mijn kommetje zag. In een paar happen werkte ik alles naar binnen en luisterde met een half oor naar moeders uitleg. Haar kennende was dit haar manier van spijtbetuiging. Niet nodig geweest. Ik had haar in het jeugdopvangcentrum te lang gemist om haar de woedeaanval kwalijk te nemen. Of ze er reden voor had was mij om het even. Zolang ik dicht bij haar kon zijn, mocht ze tegen mij brullen en op mij rammen zoveel als ze wilde. Bovendien, ze bedoelde het goed, ging ik ervan uit.

Uitgaan

Het was weer zondag. Toen ik wakker werd en mijn ogen opendeed, maande ik mezelf tot oppassen. Hoeveel vlees moeder ook in het gerecht zou verwerken, ik zou met geen woord meer reppen over wel of niet oom Zhang uitnodigen. Toen ik me stond aan te kleden, klopte moeder op de deur en overhandigde mij een gele nylon sjaal met oranje wolkjes erop. Ik gaf een verblijde gil, dank u, mama! Ze gebood mij de nieuwe roze trui die ik van vader had gekregen aan te trekken, want wij zouden naar het park Blauwe Bamboe gaan. Ik stuiterde als een strandbal op en neer en dankte moeder voor de tweede achtereenvolgende verrassing. Moeder wikkelde ook een beeldige nylon sjaal om haar hals en wij liepen in onze nieuwe overjas naar de bushalte.

Wij waren slechts drie haltes gepasseerd of moeder nam mij bij de hand en ik moest mee de bus uit. Deze halte kende ik. Hier moesten wij wezen als wij oom Liu en tante Shen gingen opzoeken. Ze waren moeders beste collega’s en hun zoon was even oud als ik. Alleen speelde hij prachtig piano en ik kon slechts een paar liedjes van de Peking-opera zingen – prachtig was er niet bij, onder de maat, al zeg ik het zelf.

Oom Liu opende de deur, oogde verbaasd maar ontving ons hartelijk. Tante Shen ging direct de straat op om boodschappen te doen. Ze zouden heerlijke loempia’s voor ons bakken. Hun zoon haalde zijn speelgoedtelescoop uit de lade en wij gluurden ermee naar het gebouw schuin tegenover ons. Zelfs hoeveel gestoomde broodjes er op de eettafel in een huiskamer stonden, konden wij zien. Wij spraken af dat als wij groot waren, wij voor astronaut zouden trainen en studeren.

Gemberthee

De dag daarna kwam oom Zhang, uit zichzelf, bij ons op bezoek. Zoals het een goed opgevoed meisje betaamde wilde ik zijn overjas aannemen, omhoog springen en hem aan de kapstok ophangen. Hij schudde zijn hoofd en hield zijn dikke kleren aan. Ook zijn pet nam hij niet af. Moeder schoot de keuken in, sneed gember in stukjes en trok er thee uit. Ze voegde er twee lepels bruine suiker aan toe en oom moest deze geneeskrachtige drank innemen. Daar zou hij van zweten, volgens haar.

Terwijl hij deed wat ze zei, vroeg ze hem of hij naar de dokter was geweest. Met een blik stelde hij haar gerust. Ze hoefde zich geen zorgen maken, zei hij met zijn ogen. Een klein beetje verkoudheid ging zo weer over. Moeder vroeg hem vervolgens hoe lang hij voor de ingang van het park Blauwe Bamboe had gestaan. Hij keek de andere kant op en meed oogcontact met haar. Zeker heel lang, klonk ze sneu, anders zou hij geen kou hebben gevat. En maar eens bedenken dat het gisteren stevig waaide, met een temperatuur van vijftien graden onder nul zo niet meer.

Hij zag moeders ogen rood worden en opende eindelijk zijn mond. Hij had daar maar een paar uurtjes op ons gewacht, geen punt, aldus hij. Hoeveel was een paar uurtjes? dramde moeder door. Toen zij en ik om een uur nog niet waren verschenen, nam hij de bus en ging naar huis. Moeders stem sloeg over, hij had dus drie uur in de wind en kou gestaan? Hij knikte eerst en schudde daarna zijn hoofd, alsof hij wilde zeggen, ik zei je al dat het geen punt was. Hij scheen meer bezorgd te zijn om moeders bezorgdheid dan om zijn eigen verkoudheid.

Moeder schoot weer de keuken in en bereidde voor hem een bamisoep, met een gepocheerd ei en een hoop knoflook, gember en peper erin. Oom moest dit opeten om aan te sterken, drong ze aan. Terwijl oom van de soep smulde, herhaalde moeder als een grammofoonplaat met een kras erin dezelfde vraag. Wat bezielde hem nou? Wij hadden om tien uur bij de ingang van het park afgesproken. Als wij kwart over tien of op zijn laatst half elf nog niet kwamen opdagen, moest hij toch naar huis? Hij legde de lepel naast de kom, stopte met eten en keek haar aan. Zelfs een blinde kon lezen wat er op zijn gezicht stond. Hij was bang dat moeder en mij onderweg naar het park iets zou overkomen en daarom moest en zou hij wachten om zeker te weten dat wij veilig waren. Moeder vertelde hem dat ze onderweg had afgebogen naar haar beste collega’s, omdat… Hij viel haar in de rede, hij begreep het, volkomen.

Aria

Sinds ooms verkoudheid moest ik niet alleen ’s zondags maar ook vaak doordeweeks oom halen, waarna wij samen van geroerbakte groente en vlees genoten. Als moeder mij Russische les gaf, luisterde ze met mij naar aria’s uit de opera <em>Jevgeni Onegin</em>, gebaseerd op Poesjkins gelijknamige werk. Wij waren de enigen van ons flatgebouw met een grammofoon en een kist vol platen. Niet alleen omdat vader iets meer verdiende dan moeder en haar collega’s, waardoor wij dit luxeartikel konden aanschaffen, maar ook omdat dankzij vaders werk – geen idee wat het was – wij geen huiszoeking hadden hoeven meemaken, waardoor onze kostbaarheden, westerse boeken en platen niet door politieke correctelingen waren verbrand of geconfisceerd. Als moeder mij Chinese literatuurles gaf, ontvouwde ze voor mij de serene wereld geschapen door de gedichten uit de Tang-dynastie.

Keer op keer luisterde ik naar een aria uit Jevgeni Onegin. ‘Ik zit een brief aan je te schrijven. Waar zou ik moeten beginnen?’ Al begreep ik niet waarom de jonkvrouw in de opera zo triest klonk, ik wou dat ik ook zo triest was. Haar zang en de tekst doopten de droefenis om in een sublieme schoonheid. Een mooi verdriet sprak meer tot mijn verbeelding dan een huis-tuin-en-keukengeluk. Keer op keer raakte ik gefascineerd door een gedicht van Liu Yuxi. ‘In het oosten schijnt de zon en in het westen regent het / Enerzijds lijkt hij kil en stil maar anderzijds zet hij mijn hart in vuur en vlam.’

Muzikant

Vader leek op Lans broer. Hij kon jaren wegblijven maar ook plotseling voor de deur staan, met koffers vol worsten, gedroogde vis, dadels, walnoten, sesamolie en andere lekkernijen waar moeder en ik alleen maar van konden dromen. Moeder was door het dolle heen en stond uren in de keuken om delicatessen voor hem te bereiden. Helaas verliet hij ons ook zonder enig voorteken.

Ik wist dat moeder een docente was, omdat ik af en toe meeging naar haar faculteit, maar ik had vader nooit aan het werk gezien. Toen ik vier was, trof ik hem op het podium aan. Hij zat daar accordeon te spelen ter viering van het Chinees Nieuwjaar. Daarna zei ik tegen iedereen dat hij een muzikant was. De ooms en tantes die het hoorden lagen in een deuk, maar ik zag de grap van zijn beroep niet in.

Als vader naar Sichuan terugkeerde, maakte moeder ook delicatessen, maar dan voor oom Zhang. De eerste dag dat oom kwam, was hij extra stil en moeder extra vrolijk. Een beetje gemaakt, als je het aan mij vroeg. Zo vrolijk dat ooms schroom snel ontdooide. Zodra oom wegging, vloog ik naar mijn kamertje, kroop onder de deken en ik beefde van top tot staart. Ervaring leerde mij dat op dit ogenblik moeders gemoedsstemming tot onder het vriespunt zakte. Kans bestond dat ze aan mijn haren zou trekken en mij alle hoeken en gaten van ons appartement zou laten zien. De reden die ze opgaf luidde steevast dat ik de Russische werkwoorden niet foutloos had vervoegd of dat ik de gedichten uit de Tang-dynastie niet zonder hapering had opgedreund.

Telkens als ze mij zo’n lesje leerde, sloot ze eerst alle ramen en deuren. Geen buur kon haar zo bezig zien of horen. Ik kon moord en brand schreeuwen, maar niemand kon mij redden. Dan miste ik vader. Als hij thuis zou zijn, zou hij voor mij opkomen, dacht en geloofde ik. Vandaar dat ik een gat in de lucht sprong zodra er visite kwam. Dan was moeder aardig, ook tegen mij. Als oom kwam, was ze helemaal de tederheid zelve. Een nadeel was wel dat zodra hij de deur uit ging, ze extra down was en mij extra toornig strafte.

Middernacht

Moeder had niet altijd losse handjes als wij alleen thuis waren, hoor. Soms had ik een nachtmerrie, nam mijn hoofdkussen mee, ging naar haar kamer en kroop bij haar in bed. Hoe moe ze ook was, ze troostte mij net zo lang totdat ik weer in slaap dommelde. Soms ging ik ’s nachts naar het toilet en zag licht uit haar kamer lekken. Negen van de tien keer zat ze voor mij een trui te breien of kleren te naaien. In de winter ontrafelde ze haar eigen vest om met de wol ervan handschoenen voor mij te breien. Zoiets in een winkel kopen vond ze te duur en met het geld dat ze zodoende had bespaard kocht ze op de zwarte markt tegen hoge prijzen vlees, vis en fruit voor mij in, zodat ik een betere voeding kreeg en gezonder kon groeien. In de turbulente jaren waren gedichtenbundels uit de winkels en bibliotheken gehaald. Om mij Tang-gedichten te leren die geschikt waren voor kinderen, leende ze jeugdboeken van haar collega’s en schreef ze bladzijde voor bladzijde over. Nachtbraken geblazen. Al met al leek moeders stemming op het weer in de zomer. Zo regende het en zo scheen de zon. Weersvoorspelling was onbegonnen werk.

Overdag ging het nog wel. Ik kon zien wanneer ze haar hand ophief en waar ze op mikte. Ik kon dan mijn hoofd tijdig beschermen, waardoor ze alleen mijn armen en rug bezeerde. Zo had ik wel pijn maar ik werd niet duizelig omdat mijn hoofd buiten schot bleef. ’s Avonds was het pas menens. Ik stelde mijn bedtijd steeds uit, bang om in slaap te vallen. Ze had namelijk last van slapeloosheid, maakte mij geregeld midden in de nacht wakker en ze sleepte mij uit de warme deken. Ik mocht geen jas en broek aandoen en moest kaarsrecht voor mijn bureau staan. Terwijl ik in mijn pyjama bibberde, pakte ze een boek, een pennenetui of een bezem, gewoon iets wat binnen haar handbereik lag, en mepte mij totdat ik op mijn knieën viel. Ik moest bekennen dat ik niet conscientieus genoeg had geleerd en dat ik geen braaf kind was. Zelfs hier raakte ik zoetjes aan gewend.

Brief

Wat mijn hart brak was het moment van ’s ochtends wakker worden. Het eerste wat ik deed was onder mijn hoofdkussen tasten, kijken of moeders afscheidsbrief eronder lag. Om de zoveel tijd trof ik er een brief verkruld door haar hete tranen. Lulu, schreef ze dan, mijn enige kind. Als je de brief leest, ben ik reeds in het hiernamaals. Ik heb je in deze wereld alleen achtergelaten omdat ik het verdriet niet meer aan kon. Je hebt met je slechte studieresultaten mijn vertrouwen in je en mijn zin in het leven aan diggelen geslagen. Wie je verder zal onderwijzen, is niet mijn zorg meer, maar Lulu, stel je toekomstige stiefmoeder niet meer zo diep teleur als je het bij mij hebt gedaan. Vaarwel. Je moeder.

Vanaf  de tweede keer dat ik zo’n brief onder mijn kussen vond, las ik hem niet uit en rende naar moeders kamer. Ik klopte op haar deur en huilde de ingewanden uit mijn lichaam. Ik haatte mezelf omdat ik haar de dood in joeg. Ik kon mezelf niet vergeven omdat ik een afschuwelijke leerling en stout kind was. Ik smeekte haar mij een laatste kans te geven. Als haar deur openging, hield ik haar voeten vast en beloofde haar me te beteren. Ik zou alles doen wat ze mij vroeg, als ze mij maar niet in de steek liet. Ik zou naast eten, poepen en slapen aan niets anders denken dan aan Russische werkwoorden en Tang-gedichten. Moeder zuchtte en liet mij de toezegging eindeloos herhalen.

Kletsen

Langzamerhand durfde ik niet meer te slapen noch wakker te worden. Ik durfde moeder niet meer aan te kijken noch aan te horen. Ik was bang als het winter werd, want dan moest ik ’s nachts in mijn pyjama bibberen. Ik was bang als het zomer werd, want dan droeg ik een bloes met korte mouwen. Als moeder mij een lesje leerde, rezen er subiet vijf vuurrode richels op mijn arm. In het begin wreef ik er nog aan zodat de opzwellingen sneller zouden inzakken, maar later bedekte ik met een zakdoek de rode plekken en hoopte dat ze lang intact zouden blijven. Weken, maanden en hopelijk jaren. Totdat vader weer plotseling voor de deur stond. Wedden dat moeder op haar donder zou krijgen? dacht en hoopte ik.

In voorzichtige bewoordingen liet ik aan oom Zhang doorschemeren dat moeder mij achter potdichte ramen en deuren afranselde. Hij keek mij verwijtend aan en meende dat ik uit mijn nek kletste. In zijn ogen was moeder een voorbeeldige vrouw. Ze besteedde al haar vrije tijd aan het onderwijzen van mij en aan het naaien en breien van mooie kleren voor mij, waardoor ik te boek stond als het best gekleed meisje van de klas. Welke andere moeder had zoveel voor haar dochter over, hè?

Wat mij wel opviel was dat sinds mijn zogenaamde geklets, oom vaker over de vloer kwam. Hij deed zijn best moeder op te beuren en bleef net zo lang totdat ze goedgemutst naar bed ging, met als gevolg dat ze er niet toe kwam om mijn huiswerk te controleren en mij dientengevolge in elkaar te rammen. Wat mij ook opviel was dat hij over zijn eigen moeder begon te vertellen. Hoe gelijkmatig haar temperament was en hoe ze hem op het rechte pad hield met zachte woorden en goede voorbeelden. Moeder scheen hem te begrijpen maar zodra hij ons huisje verliet, viel ze als het ware in een bodemloze put en haar enige houvast waren mijn haren. Ze trok eraan totdat ik in tranen uitbarstte, om genade smeekte en verbetering beloofde.

***

Associatie

Gisteren, toen ik in de Haagse duinen wandelde, was ik getuige van de paradoxale Moeder Natuur. De sneeuw verdween niet voor de zon en ik beefde in de kou. De zon straalde alleen licht uit maar geen warmte. Als ik echter eerlijk toegaf, kende de natuur geen paradox. Zoiets tegenstrijdigs bestond alleen in mijn hoofd. Ik associeerde de zon met licht en warmte en was derhalve teleurgesteld dat de sneeuw niet ontdooide terwijl de zon erop scheen. Op dat moment moest ik aan moeder denken. Ze associeerde oom Zhang met een bron van troost en levenslange gezelschap, iets wat hij niet voor haar kon zijn.

Oom Zhang kon alleen haar eenzaamheid tijdelijk verzachten, maar hij kon niet één met haar worden en zo blijven tot de dood hen scheidde, net als de winterse zon die alleen het besneeuwde landschap kon verlichten maar niet verwarmen. Door moeders associatie verwachtte ze iets van oom dat hij haar niet kon geven. Correctie, hij wilde het wel, maar ze liet het hem niet toe.

Jaren later hoorde ik via via dat oom Zhang pas ging daten toen mijn vader in Beijing terug was geplaatst, en dat oom Zhang pas ging trouwen toen ons gezin van moeders universiteit naar vlakbij vaders werkeenheid was verhuisd. Toen oom Zhang met een tante die ik niet kende het huwelijksbootje instapte was hij bijna vijftig. Al die jaren had hij op mijn moeder gewacht, net als toen hij drie uur lang in de wind en kou had gepost bij de ingang van het park Blauwe Bamboe.

Verwachting

Had moeder geweten oftewel aanvaard dat oom Zhang, net als de zon in de winter, haar alleen zonnestralen kon geven maar geen warmte, alleen tijdelijke gezelschap maar geen levenslange, zou ze kunnen genieten van zijn kortstondige nabijheid, en zou ik meer vrolijke herinneringen aan mijn jeugd kunnen overhouden. Als kind gaf ik de schuld aan die turbulente jaren, toen gezinnen om politieke redenen uit elkaar vielen. Maar nadat ik groot was en naar Europa emigreerde, merkte ik dat hier nog meer gezinnen uit elkaar vielen, zij het om andere redenen. Zo begreep ik dat het koesteren van misplaatste associaties en daarmee samenhangende te hoge verwachtingen bij de menselijke aard thuishoorde.

Menselijk hoefde niet natuurlijk te zijn. De Haagse duinen konden namelijk prima leven met het feit dat de zon de sneeuw niet kon doen verdwijnen. De sneeuw lag dus vredig bij en keek geboeid naar het spel tussen zijn witte vlokken en de rode zonnestralen. De bomen in de Haagse duinen vonden het evenmin erg dat ze niet konden bloeien wanneer de zon hen bescheen. Ze stonden er rustig bij en keken gecharmeerd naar de dansende lichtvlekken op hun bruine stammen en kale takken.

Hout of staal

De enige constante factor in mijn jeugd bleek, achteraf gezien, mijn afwezige vader te zijn, die mij kon onderwijzen noch straffen. Met zijn maandelijkse overmakingen kon ik privélessen nemen, naar grammofoonplaten luisteren en nieuwe kleren voor het Chinees Nieuwjaar dragen.

Na vaders terugkeer in Beijing ontdekte ik dat hij, net als moeder, ook een geleerde was. Hij had altijd ingenieuze oplossingen voorhanden als er problemen op ons pad kwamen en hij zat nooit verlegen om gevatte opmerkingen over elk onderwerp dat ik ook maar bedenken kon. Alleen was zijn reactie op wat ik deed of liet even onvoorspelbaar als die van moeder. Hij deelde wederom graag pakken slagen uit. Met het verschil dat hij wel eens de kleren van mijn lijf scheurde voordat hij mij bont en blauw beukte. Tegen moeder was hij evenmin altijd aardig. Als hij mot met haar had, vlogen potten en pannen door de lucht.

Ik had gehoopt dat vader voor mij in de bres zou springen als hij zou ontdekken dat moeder mij achter gesloten ramen en deuren afroste en mij met afscheidsbrieven de kast opjoeg, maar wat hij zei hielp mijn laatste hoop om zeep. Ons kind was een stuk hout, zei hij tegen moeder, en ze kon er alleen maar plank uit zagen. Onze Lulu was geen ijzererts, drukte hij haar op het hart, ze kon beter ophouden met proberen er een zwaard van te smeden. Dat zou haar een hoop ergernis schelen, volgens hem.

Meermalen speelde ik stiekem met het idee oom Zhang als mijn vader te zien. Hij was de rust zelve en verhief nooit zijn stem of hand. Maar ik was moeder niet en kon geen keuze voor haar maken. Meermalen speelde ik met het idee twee vaders te hebben. Dan kon oom Zhang moeder en mij te hulp schieten als vader door het lint ging. Dan kon vader het ei van Columbus aandragen als wij op problemen stuitten. Als kind meende ik dat dit moest kunnen, maar toen ik de volle wasdom bereikte, realiseerde ik me dat de liefde geen vijfde wiel aan de wagen duldde.

Later

Nu bijna een halve eeuw later stelde ik nog steeds de bedtijd uit, bang dat ik midden in de nacht wakker zou worden gemaakt. Ik voelde me nog steeds schuldig als ik een minuut stil zou zitten in plaats van door te werken. Mijn moeder was inmiddels een oude dame, sierlijk zoals vroeger en geleerder dan ooit. Ik hield van haar zoals ieder kind onvoorwaardelijk van diens moeder hield. Ik was haar dankbaar voor de discipline die ze in mij had geramd, waardoor ik was gekomen waar ik nu was.

Ik verweet moeder niet voor haar losse handjes omdat ik haar eindelijk begreep. Ze was amper dertig toen mijn vader naar Sichuan vertrok. Jarenlang moest ze mij alleen opvoeden terwijl ze gebukt stond onder voortdurende kritiek wegens haar vakkennis. Ze zocht naar troost en tederheid bij oom Zhang en vond die ook. Hij was haar vriendje en ze ging vreemd, als ik een hedendaagse term, die de lading in de verste verte niet dekte, moest gebruiken. Ze was gekweld door haar verlangen naar oom Zhang en ik diende, zonder dat wij het beiden in de gaten hadden, als een zwakke schakel en haar uitlaatklep.

Haar verdriet en frustraties deden mij beseffen hoe een buitenechtelijke relatie een mens parten kon spelen en diens dierbaren kon raken. Hierdoor liep ik in mijn eigen volwassen leven met een grote bocht om het mijnenveld van een driehoeksverhouding heen. Zo had moeder, wederom zonder dat wij het op dat moment in de gaten hadden, mij behoed voor het hartzeer dat ze zelf niet had kunnen ontlopen.

Ouderliefde

Ik had bewust gekozen om geen kinderen te nemen. Zo hoefde ik me niet schuldig te voelen dat ik de kinderen, die ik niet had, met mijn knokkels en afscheidsbrieven van onuitwisbare jeugdherinneringen voorzag. Ik was zo gewend aan moeders knokpartijen dat ik vreesde dat ik mijn eigen kinderen, als ik hen zou hebben, uit gewoonte ook het licht uit hun leven zou slaan.

Anders dan de natuur die het leven nam zoals het was, wilde menig mens meer dan in het vat zat. Mijn moeder wilde genegenheid met oom Zhang delen, maar ze kon het niet over haar hart krijgen om mijn vader dit aan te doen. Hoe kon ik haar dit kwalijk nemen? Hoe kon ik het menselijke kwalijk nemen? Als ik me kon verwonderen over de zon die alleen licht gaf maar geen warmte, kon moeder zich eveneens verwonderen waarom oom Zhang haar niet zowel momenten van vreugde kon geven als levenslang gezelschap kon houden. Zolang wij met onze gedachten en verlangens de natuur en het leven wilden omvormen, was het einde van onze droefenis zoek. Wij zouden er bevrijd van kunnen worden als wij de lauwwarme winterse zon zouden aanvaarden zoals hij was, en als wij van de reine sneeuw zouden genieten zolang het nog duren kon.

Na veel liefdesrelaties te hebben zien komen en gaan, kwam ik ten langen leste tot het besef dat de enige onvoorwaardelijke liefde hier op aarde die van kleine kinderen voor hun ouders was, en niet altijd andersom. Vermoedelijk omdat ik zelf geen moeder was en het onvermogen van ouders, ondanks hun beste bedoelingen, niet kende. Vermoedelijk ook omdat ik was blijven haken aan mijn kinderlijke verlangen naar de ouderliefde en nooit verder was gekomen om de volwassen liefde te omarmen. Een besef dat mij hoop geeft. Hoop op een begin met een schone lei in dit kersverse Chinees Nieuwjaar, wanneer ik het verleden jaar eens en vooral losliet.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

Waarom schrijf ik ‘Op hoop van zon’? Lulu Wang


‘Op hoop van zon’

Velen snakken in de barre winter naar de zwoele zomer of de luisterrijke lente. Ik niet. Als ik in het voorjaar vogels liefdesliedjes hoor zingen en in de zomer bijen bloemen zie zoenen, voel ik me uitgesloten van hun amoureuze bedrijvigheid. Daar is zelfs een Chinees woord voor, shangchun – het voorjaarsverdriet. Daar gaat een roemrijke Duitse roman Het lijden van de jonge Werther over, mijns inziens. Vandaar dat ik winter geen slecht idee vind.

Bomen bloeien niet, vogels zingen niet, bijen hebben niemand om te zoenen. Lekker rustig. Ik hoef me niet uitgesloten te voelen van het levenslustige lenteleven dat nu onder de sneeuw ligt. Zo kan ik zwelgen in herinneringen aan vroeger, toen mijn leven ook bubbelde, borrelde en een beetje bruiste. Zo kan ik in alle rust een boek schrijven, voor allen, die net als ik, de zomer en de lente van hun leven gedenkend willen herbeleven.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>