Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbijgaat, 17, Lulu Wang


Het voorjaar

‘Het Chinees Nieuwjaar’ is een Nederlandse benaming voor ‘Chunjie’ – het Lentefeest. Volgens de Chinese maankalender gaat het voorjaar met het Lentefeest van start. Neem dit jaar als voorbeeld, vanaf ruim een maand geleden, 5 februari om precies te zijn, leven wij in de lente, aldus de maankalender. Terwijl het toen nog vroor, sneeuwde, hagelde en al. Men zou zeggen dat Chinezen te optimisch waren, maar de vogels vonden van niet.

Mijn ochtendritueel bestaat uit wakker worden en mijn oren spitsen. Luisteren naar mijn achtertuin, die zowat grenst aan het Haagse deel van de Noordzee. Luisteren naar de stemming van het zilte nat. Is hij blij en vredig of humeurig en weerbarstig? In het eerste geval hoor ik een paar verdwaalde vogels tjilpen; in het tweede geval fungeert mijn slaapkamer als een muziekbox. Mijn ramen trillen en mijn gordijnen bollen op en zakken in, op het ritme van de golven niet ver van mijn bed. Dan stop ik mijn oren met mijn vingers en wacht totdat ik de moed heb verzameld om de storm te trotseren, zodat ik op kan staan.  

Een paar verdwaalde vogels omdat ’s winters de meeste vogels in de bomen van mijn achtertuin stil blijven. Slechts een paar vogels die de seizoenen door elkaar hebben gehaald en zijn verdwaald op de roulette van de vier jaargetijden, zingen paringsliedjes die voor de lente zijn bestemd. Sinds het Chinees Nieuwjaar ruim een maand geleden hoor ik echter meer en meer vogels tjilpen. Een Chinese dichtregel luidt, In het voorjaar wordt het water van de rivier warmer / Dit weten de eenden eerder dan wij. Zoiets schijnt ook voor de vogels te gelden. Ze horen als het ware de naderende voetstappen van het voorjaar en ruiken de geuren van hyacinten die binnenkort uit de grond zullen schieten. Met andere woorden, Chinezen met hun maankalender zijn niet zozeer optimistisch maar ze lijken eerder op eenden en vogels.

Vogelentaal

Nederlanders of Chinezen, wij verstaan allen de taal van vogels niet, specialisten in deze uitgezonderd. Daar zit ik mee, vooral nu vogels uitgebreider zingen. Wat is de tekst van hun zang? Waarom klinken ze zo lieflijk enthousiast en daar moet toch een reden voor zijn? Dat wij sedert de Babyloniërs die een wolkenkrabber wilden bouwen met een spraakverwarring kampen, is nog tot daar aan toe, maar wat hebben wij misdaan om een spraakverwarring te verdienen met dieren in het algemeen en vogels in het bijzonder?

Terwijl mijn achtertuin opgevrolijkt wordt door vogelenzang, tast ik in het duister welke tedere woorden ze met elkaar zijn aan het wisselen. Wat mij zorgen baart is dat ik iets van hen mis. Zou het kunnen zijn dat ze ook tedere woorden tot mij richten? Die ik helaas niet versta, waardoor ze het blijven proberen met tot gevolg de eindeloze refreinen van hun zang? Proberen ze misschien ook de liefde aan mij te bekennen? Alleen al dit idee spijt mij, tot in mijn beenmerg.

Met de groei der jaren verschuift mijn behoefte zich. Van mijn behoefte aan liefde naar die aan begrip. Van beminnen naar beleven. Zielsgraag zou ik de taal van vogels willen begrijpen en op die manier hun lief en leed delen. Inderdaad, toen ik jong was, wilde ik de liefde van een ander krijgen, maar nu ik jong van hart ben, hoop ik ook een schouder onder andermans leed te zetten. De ander hoeft niet een mens te zijn, het kan net zo goed een vogel of een eend zijn. Hoe zou mijn blikveld verruimd worden als ik zonder taalbarrière in de melodieuze vogelenwereld zou kunnen vertoeven? Hoe zou een nieuwe wereld voor mij opengaan als ik toegelaten zou worden tot de flora en fauna van de gevoelstuin van een medemens?

***

Verlof

Op mijn zestiende verliet ik mijn middelbare school in Beijing en ging naar de provincie Sichuan, Zuid-China, om daar verder te leren, aan een academie voor vreemde talen. Als noorderling was ik niet gewend aan het klimaat daar, warm, vochtig en een beetje benauwd. Ik werd gauw moe en slaperig. Geen punt, vond ik. Ik had tijd nodig om te wennen aan de nieuwe omgeving. Menig andere leerling bij mij in de klas zat met hetzelfde maar vond het wel een punt.

De directeur van onze school besloot ons allen naar de dokter te sturen en toen klapte de doos van Pandora open. Het bleek dat wij naast het Sichuans klimaat ook niet waren gewend aan de Sichuanse bacteriën, die in vocht en warmte weelderig gedijden. De helft van onze klas hoefde voorlopig niet naar de les omdat die of hepatitis B onder de leden had gekregen of anti-HAV IgM positief was geworden. Ik viel onder de laatste categorie.

Toen moeder hier lucht van kreeg, was ze in alle staten, hoorde ik achteraf. Ze werkte net zo lang op de zenuwen van mijn vader dat hij geen andere uitweg vond dan aan haar verzoek te voldoen. Via via had hij geregeld dat ik tijdelijk naar huis mocht. Moeder zou mij naar een hoofdstedelijke internist brengen, voor een second opinion. Terwijl ik mijn koffer voor de terugreis inpakte, hoorde ik mijn kamergenoten tegen elkaar fluisteren. Wat een verwend nest, vonden ze mij. Zelfs hepatitis-patiënten bleven in Sichuan voor een reguliere behandeling, terwijl ik met een tikkeltje anti-HAV IgM positief hoognodig naar een specialist in Beijing moest. Die trut wilde alleen maar pronken met haar vader die links en rechts connecties had, mompelden ze.

Hoewel ik het met mijn klasgenoten eens was wat betrof mijn moeders aanstelleritis en mijn vaders geregel, wilde ik dolgraag weer naar Beijing, al was het maar voor een paar weken of een maand, afhankelijk van de diagnose van de internist aldaar. Ik miste de zon. Sichuan stond bekend om zijn mist. De zon was vaker een nevelige, oranje gloed met een kartelrand dan wat anders. Ik moest mijn voorstellingsvermogen aanspreken om de contouren van de zon te raden. Ik miste ook mijn ouders, die mij, toegegeven, verwenden, met lekkernijen en aandacht – soms teveel van het goede, enfin. Thuis was het toch leuker dan in Sichuan, waar ik slechts één mentor had die mij sporadisch een blik toewierp. Begrijpelijk, hoor. Hij moest over een vijftigtal minderjarige leerlingen waken terwijl hij maar één stel ogen had.

Begeleidster

Uiteraard liet de school mij niet alleen reizen. Ik werd begeleid door een lerares die minder geluk had gehad dan mijn klasgenoten en ik. Haar hepatitis was te laat ontdekt en chronisch geworden. Ze was doorverwezen naar een kliniek in Beijing, waar ze vermoedelijk direct na aankomst opgenomen zou worden.


Al was ze een docente, haar status scheen gelijk te zijn aan die van onze schooldirecteur. Want ze mocht op kosten van de werkeenheid reizen in een eersteklascoupé, een soft sleeper dus. Ik was maar een leerling en kreeg een ticket voor een hard seater. Zo had ik zesendertig uur kaarsrecht gezeten. Gelukkig kon ik drie keer per dag mijn benen strekken door helemaal naar de restauratiewagon te lopen. Daar trakteerde de lerares mij op roodgeroosterd varkensvlees, gestoomde karpers, gevulde paprika’s en nog meer lekkers. Voor een leerkracht was ze erg vermogend, vond ik. Of was ze gewoon gul? Trouwens, voor een gulle vrouw keek ze best streng uit de doppen. Tijdens de rit die twee dagen en twee nachten duurde, had ik de spieren van haar overigens fraaie gezicht zich geen enkele keer zien ontspannen. Ze lette op alles en iedereen om zich heen, alsof de trein vol zat met boeven die ze op heterdaad moest betrappen en vangen.

Toen wij in Beijing aankwamen, zag ik het plafond van het Centraal Station draaien. Ik probeerde stabieler op mijn benen te blijven, maar mijn hoofd duizelde en mijn lichaam beefde, in het ritme van de trein waar ik reeds uit was gestapt. Ik schudde mijn lijf en probeerde het gewiebel van de trein uit mijn systeem te wissen, tevergeefs. Met mijn zware bagage in de hand sjokte ik achter de lerares aan en deed hijgend mijn best haar in te halen. Helaas lukte het me niet. Om de paar stappen moest ze stoppen om op mij te wachten. Ongeduld stond op haar gezicht geschreven. Ik vond mezelf een blok aan haar been en zwaaide naar haar.

Mevrouw, zei ik, gaat u maar verder. Mijn ouders zouden mij komen ophalen en ze vinden mij langs dit pad wel. De juf draaide zich naar mij om en stak een vinger in de lucht. Als een kindersmokkelaar mij zou ontvoeren en aan een boer in de bergen zou verkopen, zou ik nooit meer heelhuids thuiskomen, als ik al thuis kon komen, maakte ze mij bang. Ophouden met zielig doen, zei ze tegen mij. Toen zij een jaartje ouder dan ik was, had ze vijf dagen en nachten door een oerwoud gelopen en ze moest het vlees en bloed van slangen en muizen rauw eten en drinken om honger te stillen en dorst te lessen. Ik keek naar haar frêle figuur en delicate gelaatstrekken en geloofde niets van haar broodjeaapverhaal. Dit nam niet weg dat ik mezelf zo goed en zo kwaad als het ging bij elkaar raapte om sneller achter haar aan te strompelen, het liefst zonder al te hevig op mijn benen te beven. O, wat lustte ik de wiebelende trein rauw!  Alhoewel, hoe kon ik zonder de trein in Beijing geraken? Even tanden op elkaar bijten en ik was zo thuis, hield ik me voor.

Ophalen

De wonderen waren de wereld nog niet uit. Ik had de docente zo waarlijk ingehaald! Toegegeven, geen kunst gezien het feit dat ze gestopt was met lopen. Haar normaliter strak gespannen gezicht bloeide als een roze roos op. Merkwaardig, want zelfs toen wij in de restauratiewagon van een gestoomde karper zaten te smullen straalde ze niet zoals nu. Ik volgde haar blik, gooide mijn koffer op de vloer en sprong op en neer als een Maltezer die een worst rook. Want Lans broer was mij komen ophalen!

Hij hoorde mij hem roepen en snelde naar mij toe. Ineens waren mijn benen prima in orde gekomen en ik vloog naar hem toe. Op de academie had ik geleerd om als een volwassene mensen te begroeten, namelijk door met hen handen te schudden. Ik gaf Lans broer een hand, maar hij keek niet naar maar naast mij, in de richting van mijn juf. Nu was haar gezicht geen roze roos meer, maar een rode vlag. Ze glunderde, hield zijn hand vast en liet hem niet meer los. Ik had mezelf wel voor de kop kunnen slaan. Hoe haalde ik het in mijn hoofd dat Lans broer mij zag staan, laat staan mij kwam ophalen?

Geluk bij een ongeluk was dat op dit nippertje mijn ouders waren verschenen. Moeder nam mij van top tot teen op, alsof ik een doos porseleinen servies was die ze moest uitpakken en de inhoud ervan moest controleren. Kijken of er een kop of een schotel tijdens het vervoer gebroken was. Hierna zei ze tegen mijn vader, die inmiddels mijn bagage had overgenomen, dat Sichuan niet voor niets het &Paradijs van rijst en vis& heette. Ze vonden dat ik flink was gegroeid, zeker door de goede voeding bij mij op school.

Weerzien van Lan

Moeder liet er geen gras over groeien en bracht mij de dag na mijn thuiskomst al naar een internist. Een bloedtest wees uit dat mijn anti-HAV IgM als bij toverslag negatief was geworden. Geen idee of het kwam door het kouder en droger klimaat van Beijing of simpelweg omdat er iets niet klopte met dezelfde test in Sichuan. Mijn vader hield zich aan zijn afspraak met mijn school en stuurde hen direct een brief. Ik was gezond verklaard,  schreef hij, en ze konden mij elk moment terugroepen, als ze het nodig achtten. Al vond moeder vader te snel met zijn berichtgeving – met andere dingen was hij zo traag als een slak, ze kon hem niets verwijten. Per slot van rekening was ik in Beijing vanwege mijn ziekte, die inmiddels spontaan was genezen of die ik misschien überhaupt niet had gehad.

Lan liet er evenmin gras over groeien en kwam mij ook de dag na mijn thuiskomst al opzoeken. Gelukkig was ik net terug van het ziekenhuis toen ze mij met een bezoek verblijdde en ik sprong wederom op en neer als een maltezer die een worst rook. In plaats van mij te volgen naar de woonkamer, bleef ze verstijfd in de deuropening staan en keek mij met koeienogen aan. Wat had je in Sichuan gegeten? vroeg ze mij. Ze behandelden ons als baby’s, antwoordde ik, en gaven ons elke ochtend melk te drinken. Voor de lunch hadden wij vaak vis of vlees te eten en voor het avondmaal kregen wij geregeld eieren en nog meer voedzaams voorgeschoteld, zei ik niet zonder trots.

Geen wonder dat ik zo groot was geworden! vertelde ze mij, vreemd genoeg, met het schaamrood op haar kaken. Hoe wist ze dat ik in Beijing was? vroeg ik naar de bekende weg. Want ik wilde uit haar eigen mond horen dat ze het van haar broer had vernomen. Alleen al zijn naam klonk als muziek in mijn oren. Haar broer was ook naar het station gegaan, antwoordde Lan. Hij moest zijn oud-collega ophalen en naar het ziekenhuis brengen.

Pak van mijn hart

Zijn wat? sloeg mijn stem over. Geen wonder dat die twee zo hartelijk tegen elkaar deden, terwijl ik erbij stond! Dat ze zich niet schaamden voor het publieke vertoon van intimiteit, nou ja, van kameraadschap dan. De lerares had tijdens een opdracht de kruisbanden van haar knieën gescheurd en kon haar werk niet meer doen, vertelde Lan. Maar ze had nog wel een diploma voor de Engelse taal en daarom een aanstelling gekregen bij ons op school. En voor wie had ze haar kruisbanden opgeofferd? Voor Lans broer. Om hem te beschermen tegen boeven. Ze was dus een heldin en werd overal met egards behandeld, aldus Lan.

O zo! slaakte ik een zucht van opluchting. Mijn juf was dus niet de vriendin van Lans broer, alleen een partner op het werk geweest. Ik maakte nog kans om zijn hart te winnen, dacht ik bij mezelf. Ik trok Lan de woonkamer in, waste en schilde een appel. Terwijl ik haar ervan zag smikkelen, vroeg ik haar of ik haar mocht weerzien, bij haar thuis. Ze klonk opeens onverbiddelijk, op één voorwaarde, namelijk, ik mocht niet als een dolle hond op en neer springen als ik haar broer daar aantrof. Geen probleem! knikte ik gretig, maar Lan, waarom mocht ik niet springen? Ze meed oogcontact met mij en ging er niet op in. Mijn nieuwsgierigheid rees de wok uit en ik herhaalde de vraag net zo vaak totdat ze bloosde.

Ze mompelde dat ik mijn moeder moest vragen een beha voor mij te kopen. Gauw boog ik mijn rug, kon… kon ze dwars door mijn gewatteerde jas zien dat mijn borsten waren gegroeid? Erger nog, had haar broer soms gezien dat mijn borsten rezen en daalden toen ik in het Centraal Station Beijing als een Maltezer dartelde? Ze dacht hardop, nu snapte ze waarom ze hem gisteren hoorde zeggen dat Lulu een grote meid was geworden. Kortom, zei Lan, ik mocht niet huppelen, moest langzaam lopen en vervolgens stil zitten als ik bij haar op visite kwam.  

Toen moeder van haar universiteit thuiskwam, informeerde ik bij haar hoe een beha in zijn werk ging. Of ik wel mocht huppelen en rennen als ik zoiets zou dragen. Ze keek mij indringend aan maar zei verder niets. De dag daarna ging ze vroeg de deur uit en kwam terug met iets wits, bobbeligs en stijfs. Ik voelde dat ding al in mijn vlees snijden. Moest ik voortaan hiermee mijn bovenlijf insnoeren en kastijden? Alhoewel, ik dacht aan Lans broer en vond troost in de gedachte dat als ik dat marteltuig zou dragen, ik wel mocht springen zodra ik hem weerzag.

Sneu

De volgende ochtend raffelde ik het ontbijt af en vroeg moeder of ik naar Lan mocht. Wij hadden veel om bij te kletsen, over onze oude school en klasgenoten, jokte ik een beetje. Moeder zei dat ik net hersteld was van anti-HAV IgM positief en beter het bed kon houden, maar vader was coulanter. Hij vermoedde dat vandaag of morgen een brief van mijn academie in de bus zou vallen. Ik zou waarschijnlijk verzocht worden om de eerste de beste trein te nemen en de les in Sichuan te hervatten. Laat het kind lekker spelen nu het nog kon, haalde vader moeder over de streep.

Ik schoot de deur uit en snelde naar Lans huis. Helaas trof ik daar haar broer niet aan. Hij was kippensoep, appels en peren gaan brengen naar de lerares in de kliniek, vertelde Lan mij. Ik keek blijkbaar zo sneu uit mijn doppen dat Lan zich gepikeerd voelde. Was onze vriendschap niets meer waard nu ik verkikkerd was op haar broer? merkte ze op.  

Wie was verkikkerd?! haastte ik me te zeggen. Op wie? Ze wierp mij een veelbetekenende blik toe en gaf mij te verstaan dat ik een lafaard was. Als zij iemand leuk zou vinden, zou ze het niet ontkennen, niet voor zichzelf, niet voor haar boezemvriendin, voor wie dan ook niet. Ik trok nogmaals aan haar arm en verzocht haar met klem niet aan haar broer door te laten schemeren wat ik voor hem voelde. Hij zou mij uitlachen, zei ik, want ik was niet zo knap als de lerares en ik had mijn leven niet op het spel gezet om zijn leven te redden. Eerlijk was eerlijk, dacht ik stiekem, zelfs als de lerares niet lachte en nors keek, was ze nog een plaatje. Dit had ik niet willen inzien maar dit zag Lans broer beslist wel.

Lan leidde mij naar haar eigen kamertje, trok een lade open en liet haar recente huiswerk voor tekenen en schilderen zien, waar ze een 9 voor had gekregen. Ze was ook verliefd, nam ze mij in vertrouwen, maar dan op een kunstzinniger iemand dan haar broer, namelijk haar leraar tekenen en schilderen. Ze ging naar de keuken, pakte een bezem beet, hield hem hoog in de lucht en keek vastberaden straal vooruit. Precies zoals een fotomodel afgebeeld op de posters, die overal geplakt waren, op boomstammen, lantaarnpalen, huismuren, bussen en bakfietsen. Op de posters droeg dat strijdlustige model een mosgroene legeruniform en zwaaide met een penseel ter grootte van een hooivork, waarmee ze politiek correcte slogans op boomstammen, huismuren enzovoorts kalligrafeerde. Het speciale van deze leraar was dat hij eerst een persoon met erbij passende gebaren en gelaatsuitdrukkingen nabootste en dan pas de hele klas het figuur liet schetsen, richtte Lan haar gezicht verzaligd ten hemel terwij ze met hem dweepte.

Leraarskleren

Nee toch, schoot mij iets te binnen, die leraar kende ik nog van vroeger! Hij had een blik als een röntgenapparaat en kon dwars door mijn winterjas mijn ribben tellen. Ik kreeg koude rillingen telkens als hij naar mij loerde. Was Lan op hém verkikkerd?! Ik begreep het echter wel, want hij kon inderdaad veinzen lief en aardig te zijn. Ik duwde Lan zowat van haar stoel af en verhief mijn stem, hij was een wolf in leraarskleren! Stttt, gauw bedekte ze mijn mond. O wee als haar ouders erachter zouden komen dat ze een groot mens leuk vond. En als haar broer dit zou weten, zou hij de leraar dubbelvouwen, plat trappen en in de vuilnisbak douwen.

Ik debatteerde met mezelf. Zou ik Lan wel of niet vertellen over de röntgenogen van die griezel? Als ik het zou doen, zou ze mij geheid verkeerd begrijpen. Alsof ik haar het geluk niet gunde. Als ik het zou laten, zou ik met lede ogen haar in zeven sloten tegelijk zien lopen. Ik zat net te dubben wat wijsheid was toen ze zelf een ‘oplossing’ aandroeg. De druiven waren zuur, klonk ze verontwaardigd. Een paar leerlingen hadden de leraar bij de schooldirectie aangegeven, als aanrander. Je reinste onzin, riep ze. Die meiden waren stinkjaloers omdat hij Lan liefhad, en niet hen.

Wathad? Liefhad? Ik kreeg het benauwd en schudde Lan door elkaar. Mijd die leraar als hepatitis B! Nu keek ze even sneu als toen ik hoorde dat haar broer niet thuis was. Hoe kon ze hem mijden? klonk ze opeens huilerig. Hij was inmiddels ontslagen en nergens meer te bekennen. Toch hield ze van hem, keek Lan mij boos aan, alsof ik hun liefde een strobreed in de weg had gelegd, al had ik het dolgraag willen doen. Haar gevoelens voor hem bleven, als de zon overdag en de maan ’s nachts, hoeveel aantijgingen die tros zure druiven ook naar het hoofd van haar idool slingerde.

Ik slaakte wederom een diepe zucht. Ditmaal omwille van Lan. Als het aan mij lag, mocht dat stel röntgenstralen voorgoed doven en uit Lans buurt verdwijnen. Nu er een pak van mijn hart was en ik Lans broer toch niet te zien kreeg, zei ik dat ik er vandoor moest. Moeder wachtte thuis op mij, jokte ik wederom een beetje. Du moment dat deze woorden over mijn lippen rolden, voelde ik me rot. Sinds wanneer verwaterde onze jarenlange vriendschap en ik als een audodidact leerde liegen alleen maar omdat wij ons hart hadden toevertrouwd aan een man die of onbereikbaar was of onbetrouwbaar?

Begeleider

De dag van de waarheid kwam. De brief van de academie viel, zoals vader had zien aankomen, een dag later in de bus. Ingesloten was een enkeltje hard seater. Moeder  werkte net zo lang op de zenuwen van vader dat hij niets anders kon dan op zijn werk een interlokaal telefoontje naar mijn school te plegen. Of het tegen de regels zou zijn als wij zelf zouden bijbetalen om het ticket te upgraden naar een hard sleeper. Moeder had er van tevoren een argument voor bedacht, dat mijn vader kon aanvoeren om mijn school te overtuigen. Ik was pas hersteld van anti-HAV IgM positief en kon de lange reis beter iets minder vermoeiend afleggen.

Toen moeder haar zin had gekregen en vader op het punt stond mijn kaartje in te ruilen, kwam ze met een tweede vraag. Of vader naar een collega zou zoeken die binnenkort ook naar Sichuan zou gaan. Ze kon mij toch niet in mijn eentje achtenveertig uur laten reizen? Hoewel vader vond dat moeder een ster was in het zien van een spook op elke straathoek, was hij het ditmaal wel met haar eens. Alleen, waar vond hij iemand die toevallig een dezer dagen naar Sichuan moest, die ook nog te vertrouwen was? Hij belde opnieuw interlokaal naar mijn academie. Zodra hij een begeleider voor mij vond, zou mijn terugreis aanvangen, luidde zijn belofte.

Moeder maakte zich geen zorgen. Ten eerste omdat vader in Sichuan had gewerkt en heel wat oud-collega’s kende die daar waren gebleven en regelmatig tussen Sichuan en Beijing pendelden. Ten tweede omdat ze heimelijk hoopte dat vader zo een twee drie niemand kon vinden, want dan had ze een smoes om mij langer bij zich te houden. Hoe ik dit wist? Normaal gesproken, als moeder iets wilde, moest ze het al gisteren hebben, maar nu? Dagen gingen voorbij en ze had geen enkele keer bij vader geïnformeerd hoe het met mijn begeleider vorderde.

Beijing kende maar twee seizoenen. Winter en zomer. De overgang van vrieskou naar bloedheet was zo abrupt dat er geen tijd voor lente overbleef. Ik had mijn gewatteerde jas nog niet uitgetrokken of ik moest mijn dunne blouses uit de kast halen. Precies een week nadat de school mij had opgedragen me in Sichuan te melden, kwam vader thuis met goed en slecht nieuws. Er ging een jonge collega van hem naar Sichuan, morgen wel te verstaan, maar de tijd was te kort om voor mij een hard sleeper te boeken. Ik moest dus de treinreis alsnog rechtop zittend afleggen. Moeder durfde er geen nee tegen zeggen, want ik had al lang genoeg op een begeleider gewacht. Deze kans moest ik met beide handen aangrijpen, punt uit.

Vader vertelde ons dat die jonge collega Gang heette, zoon van een hoge piet. Niet zo’n big shot als Lans vader met een bodyguard en al maar twee rangen hoger dan mijn vader. Gang was sinds vier jaar verbonden aan dezelfde werkeenheid als mijn vader en hij moest regelmatig naar Sichuan op werkbezoek. Met andere woorden, mijn vader kende Gang en zijn familie voldoende om mij aan hem over te laten. Had ik mijn vader een jaar geleden zo horen praten, zou ik hem voor een snob hebben uitgemaakt. Waarom moest hij het over rangen en standen hebben terwijl het simpelweg om een medereiziger ging? Maar sinds ik op de academie zat, merkte ik aan menig detail verschillen tussen mensen, die keurig en discreet in groepen waren verdeeld. Zo had ik geleerd om aan de voorzieningen die eenieder was toebedeeld af te lezen tot welke rang die behoorde. Vader was geen snob maar realistisch. Wilde ik me in de grotemensenwereld handhaven, diende ik ook statusbewust te zijn.

De volgende ochtend was ik vroeg uit de veren. Al zou mijn trein pas in de namiddag vertrekken, ik wilde ruim van tevoren gepikt en gedreven klaar staan. Moeder gaf mij haar eigen nieuwe blouse cadeau, die ik mocht aantrekken en vertelde me dat een net meisje zich langzaam diende te bewegen. Met andere woorden, ook al had ik een beha aan, ik mocht niet meer springen en dartelen. Vader legde een nieuw schrift in mijn koffer. Ik dichtte toch graag? Waarom hield ik geen dagboek bij? En, voegde hij eraan toe, vergeet niet eens per week naar huis te schrijven, afgesproken? Tranen welden uit mijn ogen. Ik kreeg spijt dat ik een half jaar geleden per se naar Sichuan wilde om zo hoognodig Engels te leren. Destijds wilde ik het doen om Sheng te ontlopen en te vergeten. Nu ontliep ik ook mijn ouders, die mij op dat moment van afscheid dierbaarder leken dan ik ooit had bevroed.

Bij de ingang van het Centraal Station Beijing liep vader regelrecht naar een jongeman die links en rechts stond te kijken. Begroet oom Chen, beval vader mij. De jonge meneer bloosde maar zei verder niets. Moeder stapte naar voren en zei tegen vader, laat Lulu Gang gewoon bij zijn voornaam noemen. Dat was waar ook, krabde vader aan zijn hoofd. Gang was begin twintig en verschilde maar vijf, zes jaartjes met ons kind. Gang bloosde weer, bleef zwijgen maar oogde zichtbaar opgelucht. Vervolgens knikte hij tegen mijn ouders, alsof hij hen verzekerde dat hij mij veilig en al naar mijn school zou brengen. Terwijl mijn ouders hem bij voorbaat voor de goede zorg dankten, stak hij zijn hand uit, nam mijn zware koffer over en schudde zijn hoofd. Moeder begreep hem meteen en beaamde, juist, het was nergens voor nodig om met zijn drieën het kind naar het perron te begeleiden. Wij gaan maar, zei ze tegen vader en ze lieten mij moederziel alleen achter, weliswaar met een vreemde meneer aan mijn zij, maar toch.

Hard seat


Voordat wij in de trein stapten, stak Gang zijn hand nogmaals uit. Gek genoeg, ik begreep hem ook. Wilde hij mijn kaartje zien? Hij knikte en liep met mij mee naar mijn treinstel. Hij legde mijn koffer op het rek boven mijn hoofd, schreef op een briefje het nummer van zijn coupé –  een hard sleeper, zag ik, legde het briefje in mijn hand en ging weg. Ik zag zijn rug en miste Lans broer, die een stuk langer en gespierder was. Wat moest een man met een slank figuur en fijne gelaatstrekken? Zo leek Gang op een ‘slagroomjongen’ uit klassieke Chinese romans zoals Droom van de rode kamer ;. Als er een lentebries opstak, zou hij als een rozenblaadje weg worden gewaaid. Ja, ik overdreef, niet een beetje ook, maar wees eerlijk, hoe kon Gang met zijn dunne armen en smalle taille boeven vangen en hen geboeid en al bij het politiebureau afleveren, hè?

Witte rijst met kippenvlees en sperziebonen! Ik werd wakker door het roepen van een conducteur die aan een voedselkar duwde. Etenstijd. Ik tastte in mijn tasje voor de portemonnee, stond op en wilde net een portie halen of ik zag in de verte een zwaaiende vinger van Gang. Hij liep ongeduldig achter de conducteur met haar slakkengang aan, want iedereen had trek en moest wat kopen,en dus een file van hier tot ginder. Ik zette mij braaf neer en wachtte totdat de conducteur met haar karretje voorbijging.

Eenmaal bij mij aangekomen, haalde Gang mijn koffer van het bagagerek en gebaarde mij deze open te maken. Vervolgens wees hij naar mijn pyjama, handdoek en tandenborstel. Ditmaal snapte ik hem niet. Toen zei hij de eerste woorden sinds onze ontmoeting. Neem de spullen mee, boog hij naar mijn hoogte en fluisterde, want direct na het avondeten kon ik bij hem in de hard sleeper terecht. Waar ging hij dan slapen? riep ik. Hij keek om zich heen en nam mij vlug bij de medepassagiers vandaan. Onderweg naar de restaurantiewagon gaf hij mij zijn kaartje en vroeg naar het mijne. Nu vatte ik het. Hij zou de nacht op mijn zitplaats doorbrengen en als de conducteurs ’s nachts onze kaartjes kwamen controleren, kon ik het zijne en hij het mijne tonen. Ik wilde tegenstribbelen, maar hij gebaarde mij stil te zijn.

Anders dan mijn lerares, trakteerde Gang mij niet op geroosterd varkensvlees of gebakken karper, maar op een bord mierzoete rijstepap. Ik had spijt dat ik daarnet en plein public riep waar hij dan ging slapen? Daarom zocht ik zijn oor op en fluisterde erin, zag hij mij soms voor een baby aan? Wie at nou pap als hoofdmaal? Hij klopte op zijn rechterzij. Ahá, zei ik, hij zag mij voor een hepatitis patiënt aan. Daar had hij een punt, knikte ik. Volgens de traditionele Chinese geneeskunde kon men met een leveraandoening zo min mogelijk dierlijk vet in het het dieet hebben en iets meer suiker dan normaal.

Ik lepelde de pap op en moest heimelijk lachen. Tegen de tijd dat ik op het Centraal Station Chengdu, de hoofdstad van Sichuan, uitstapte, had ik het diploma voor de doventaal gehaald. Voor de zoveelste keer miste ik Lans broer. Hoewel hij even zuinig met woorden omsprong als Gang, hij liet mij zelden gissen naar zijn bedoeling, want hij had sowieso weinig tegen mij te zeggen. Gang daarentegen scheen met een buikvol woorden te zitten, die hij aan mij kwijt wilde. Toch was ik eerder gefascineerd door Lans broer die niets met mij te maken wilde hebben dan door Gang die van alles aan mij wilde vertellen, weliswaar stilzwijgend, mits ik er oren naar had. Had ik soms een schroefje in mijn bovenkamer los, waardoor ik aan zelfkastijding deed? Werkelijk, sinds ik met een beha mijn bovenlijf insnoerde, aanvaardde ik pijn als een noodzakelijk kwaad, nee, sterker nog, als het toegangsbewijs voor plezier.  

Hard sleeper

Ik werd midden in de nacht wakker, kroop uit eigenlijk Gangs bed en tastte slaapdronken mijn weg naar mijn oorspronkelijke zitplaats. Toen ik mijn treinstel binnentrad, stond Gang direct op. Zo te zien was hij de hele tijd wakker gebleven. Hij keek mij geërgerd aan met als onderliggende tekst, wie had mij toegestaan om hier te komen? In het holst van de nacht? Ik zei dat ik genoeg had gerust en dat hij nu aan de beurt was. Hij sloot zijn ogen en liet mij doodleuk voor hem staan, blijkbaar in de hoop dat ik zoetjes aan met hangende pootjes af zou druipen. Door schade en schande wijs geworden durfde ik niet meer in de aanwezigheid van de medepassagiers tegen hem te zeggen dat wij van plaats terug moesten ruilen en ik droop, precies zoals Gang het had gewild, terug naar mijn, pardon, zijn hard sleeper.

Ik kon de slaap niet meer vatten en telde de minuten totdat het eerste straaltje ochtendgloed via een raampje mijn coupé binnendrong. Holder de bolder ging ik naar Gang en hijgde als een os toen ik hem bereikte. Al oogde hij vermoeid en bleker dan de avond daarvoor, hij verkeerde in een prima stemming. Hij gebaarde mij rustig op adem te komen en toen het zover was, stond hij op en nam mij mee voor ontbijt in de treinrestauratie.

Ik zei dat ik alleen mijn bord pap op wilde eten als hij beloofde naar zijn bed te gaan en een gat in de dag te slapen. Hij knikte en oogde nog vrolijker dan daarnet. Ik zag in de weerspiegeling van een raampje mijn twee rode wangen. Zo zag ik er best gezond uit, voor een hepatitis verdachte. Nu snapte ik waarom hij zo blij was. Ik was flink uitgerust en hij was niet voor niets opgebleven. Ik vroeg om een tweede portie pap en wachtte niet totdat hij mij met zijn blik om tekst en uitleg vroeg. Zo kon ik de lunch overslaan en hoefde hem niet te storen, zei ik. Dan kon hij aan één stuk rusten, tot aan het avondmaal – men voelde toch geen honger als men sliep? Hij lachte toen hij dit hoorde. Dat was de eerste keer dat ik hem zo vrolijk zag. Hierdoor leek hij sprekend op een slagroomjongen, met zijn roze lippen en bleke wangen.

Riksja

De twee dagen en nachten in de trein vlogen voorbij. Toen ik in het Centraal Station Chengdu uitstapte, draaide het plafond niet boven mijn hoofd noch trilden mijn benen. Gang liet mij binnen het station wachten en ging zelf naar buiten om te informeren naar mijn streekbus. Hij kwam terug met de mededeling dat de eerste bus naar het adres van mijn school pas morgenochtend om zeven uur reed. De euforie die ik ervoer toen ik zo fris als een hoentje uit de trein stapte, verdampte, maar ik maande mezelf niet te klagen). Ik kon toch niet alles naar wens hebben? Én een voorspoedige treinreis én een directe aansluiting met mijn bus?

Gang zag mijn hangend hoofd en zei dat het gasthuis van zijn werkeenheid waar wij vannacht zouden verblijven in hartje Chengdu lag. Zodra wij ons in het hotel hadden geïnstalleerd, zou hij mij rondleiden in de Smulstraat. Daar zou hij voor mij een portie Sichuanse specialiteit bestellen, wantansoep met varkensgehakt, koriander, lente-uitjes en sesamzaadjes. Mijn mond overstroomde toen ik aan vlees dacht, vooral na twee dagen en zes maaltijden niets dan gezonde pap en gestoomde groente te hebben doorgeslikt. Gretig dribbelde ik achter Gang aan, in de richting van het gasthuis onder de rook van de Smulstraat.

Du moment dat ik een stap buiten het station zette, werd ik bij wijze van spreken gewikkeld in een wollen deken. O moedertje, wat was het heet! En vochtig! En drukkend! Door die ene week in Beijing was ik haast vergeten hoe erg het met het Sichuans weer gesteld kon zijn. Ik hapte naar lucht terwijl ik een zweetdouche onder mijn kleren kreeg. Gang zag mij zuchten, vertraagde zijn voetstappen en liet mij op de stoep staan. Zelf stak hij de straat over en riep naar een van de riksja jongens, die allen met een handdoek om hun hals en een strohoed op hun hoofd de een nog luider dan de ander schreeuwdend klanten stonden te werven. Zoiets had ik alleen in speelfilms over de Qing-dynastie gezien en was allang uit het straatbeeld van Beijing verwijderd, maar wij zaten nu in Sichuan…

Gang zette mijn koffer in de riksja, vertelde de jongen – eigenlijk een opa, een graatmagere – de naam van ons gasthuis en betaalde hem vooraf. Ik sprong uit de wagen. Geen sprake van, gaf ik Gang te kennen, hij ging mee of wij liepen beiden naar ons hotel! De riksja opa veegde met zijn handdoek dikke zweetdruppels af die gutsten uit zijn kruin met erop welgeteld drie grijze haartjes en wachtte totdat wij het eens zouden worden.

Wijzend naar het bankje in de riksja zei Gang, daar konden toch geen twee mensen en hun grote koffers in? Toen de opa dit hoorde, snoerde hij zijn stoffen broekriem vaster dan het al was en kwam tussenbeide. Maakt u zich geen zorgen, meneer en juffrouwtje, lachte hij ons vriendelijk toe. Onze bagage en wijzelf pasten er allemaal in, daar had hij ervaring mee, aldus de grijsaard. Hierna tilde hij Gangs zware koffer op, legde die op mijn bankje, tegen mijn rechterbeen aan, en nodigde Gang ook te komen zitten. Mijn ogen werden nat en ik deed mijn best om de tranen binnen de perken te houden. Nog een jaartje dan werd ik een volwassene en Gang was in de kracht van zijn leven, maar wij lieten een bejaarde ons en onze bagage voorttrekken,  onder de schroeiende zon en in de drukkende lucht. Gang zag mijn rode oogkassen, wreef in zijn handen en wist zich duidelijk geen raad. De opa zag de kans schoon om op zijn zadel te klimmen, waarna hij ijverig op de pedalen begon te trappen.

Ik voelde frisse lucht langs mijn wangen glijden en de randen van onze koffers tegen mijn rechterbeen stoten. De opa scheen sneller te been dan Gang en ik. Met een flinke vaart fietste hij op de door de zon kleverig gebakken asfaltweg en blauwe aderen kronkelden als regenwormen op zijn bruine armen en kuiten. Opeens stopte hij en bood ons zijn excuses aan. Door de haast was hij vergeten de stoffen zonwering voor ons open te trekken. Zo reden Gang en ik, met onze bagage tussen ons in opgestapeld en met een koel dakje boven ons hoofd naar onze plaats van bestemming.

Ik deelde een kamer met een tante in een lange groene jurk met gele strepen. Ze was op doorreis en zou morgenvroeg haar man die iets buiten Chengdu werkte, opzoeken. Dit vertelde ze in ruil voor informatie over mij. Ik zei dat ik ook op doorreis was en zou morgenvroeg met de streekbus naar mijn middelbare school gaan. De meisjes van tegenwoordig, schudde ze haar hoofd, veels te vroegrijp. Zo jong maar al voorzien van een blik die mannen uit de tent lokte. Wie was de sierlijke jonge heer die mij hierheen had gebracht? ondervroeg ze mij. Ik nam een handdoek en sloot mij af in de badkamer. Dit was een hotelkamer, geen verhoorkamer, wilde ik het op die manier aan haar laten merken.

Stad van vermaak en vertier

Tegen zessen was de avond al gedaald. Chengdu bevond zich in een bassin. De bergen eromheen namen het zonlicht minstens een uur eerder weg dan in Beijing, had ik de indruk. Na een douche, ditmaal met water, voelde ik me kiplekker. Gang klopte op mijn deur en ik volgde hem op de voet, het gasthuis uit en de stad in. Al was de zon achter de bergen verborgen, de madeliefjes op de bermen hingen nog steeds hun kopjes en de cicaden in de bamboebossen slaakten nog steeds zuchten uit wegens de hete lucht die laag bleef hangen.

Gang liet mij nogmaals op de stoep staan, zocht een riksja jongen uit die niet zo bejaard oogde als die van vanmiddag, stapte eerst zelf in de wagen, stak zijn hand uit en wilde mij er ook in helpen. Ik keek de andere kant op en mokte binnensmonds. Dat wij vanmiddag ons door een oude opa voort lieten trekken, was al erg genoeg maar viel enigszins te vergoelijken. Wij hadden net een lange reis achter de rug en moesten veel bagage met ons meeslepen. Nu wij niets bij ons hadden en nu ik nota bene de Smulstraat kon ruiken, moesten wij ons voor dit kippeneindje weer laten voorttrekken? Hoewel deze riksja jongen niet zo’n grijsaard was als die van vanmiddag, hij was minstens twintig jaar ouder dan Gang en nog meer jaar ouder dan ik. Ik moest wederom aan Lans broer denken. Als hij hier was, zou hij niet alleen onze bagage eigenhandig en te voet naar het gasthuis sjouwen maar ook aan alle riksja’s die hij tegenkwam, duwen als die bergop moesten. Gang zag mij treuzelen, was al bezig uit de wagen te stappen toen de riksja man diep voor ons boog en ons vriendelijk toelachte. Te vriendelijk, vond ik. Opeens had ik met hem te doen. Hij probeerde ons als klanten te behouden om straks thuis brood op de plank te krijgen. Gauw ging ik op het bankje in de riksja zitten, voelde de wagen subiet optrekken en hoorde de bestuurder uit volle borst zingen.

Nu ondervond ik aan den lijve wat de spreuk betekende, Chengdu is een stad van vermaak en vertier. Echt waar. Niemand bleef thuis en iedereen was op de been. Sommigen stonden voor de kraampjes straatvoedsel van talloze soorten en smaken te proeven, anderen zaten gehurkt op de stoep theedrinkend te schaken of theedrinkend naar schaken te kijken. Zonder elleboogwerk kwam men geen stap vooruit, maar er werd niet gehaast of geruzied. De Chengdunezen schenen het duwen en trekken, voordringen en tegen elkaar botsen te ondervinden als een onmisbaar deel van hun avondplezier. Een en ander hield in dat onze riksja man moest zigzaggen langs de spleten in de even vlug zich vormende als dichtslibbende mensenlava. Telkens als hij een voetganger ontweek, schommelde onze wagen. Omdat er geen bagage meer tussen Gang en mij torende, stootten onze armen tegen elkaar aan zodra de riksja een plotselinge beweging maakte.

Scherpe bochten


In het begin had ik het niet door, maar na een poosje schrok ik me lam. Waar kwamen de elektrische schokken vandaan die zich van mijn arm als een olievlek naar de rest van mijn lichaam verspreidden? Ik kneep in mijn dij en verfoeide mijn malle zelf. Ik zat op een bankje, niet op een elektrische stoel. Dus waar sloeg de netspanning nou op? Voordat ik mezelf tot orde riep, zigzagde onze wagen opnieuw en ik voelde nog meer schokken. Toen ik klein was, vertelde moeder mij dat als ik een vinger in het stopcontact zou steken, ik dood zou gaan. Maar de elektrische schokken die nu door mij heen sjeesden voelden niet dodelijk aan. Integendeel. Ik werd een ongekend genot gewaar. Iets nats en warms plakte aan mijn arm. Logisch, dacht ik. Ik had een blouse met korte mouwen aan en zweette van top tot teen. Wacht, trilde ik soms haast onbeheerst omdat mijn rechterarm per ongeluk de linkerarm van Gang aanraakte telkens als onze riksja een scherpe bocht maakte? Ik schoof mezelf zo ver mogelijk van Gang vandaan, maar het hielp van geen meter, gezien de beperkte ruimte binnen het wagentje. Sterker nog, als de riksja een uit het niets opduikende voetganger moest ontlopen, kantelde onze wagen zo steil dat niet alleen onze rechterarm maar ook onze rechterbeen tegen elkaar stootten.

Vanaf welk moment wist ik niet, maar hoe verder onze rit vorderde hoe minder ik Gangs nabijheid schuwde. De gekke gewaarwording die mij aanvankelijk in de war bracht werd met elke schommeling van de riksja aangenamer om sluipenderwijs verslavend te worden. Ik wou dat Gangs arm en been ook tegen de mijne kwamen als de riksja geen plotselinge manoeuvres maakten. Al durfde ik Gang niet aan te kijken, ik wilde zielsgraag weten of hij hetzelfde had. Anders waarom probeerde hij niet verder van mij op te schuiven? Bovendien, hoe langer wij in de wagen zaten, hoe dichter zijn linkerbeen tegen mijn rechterbeen aanstond. Was de wagen te smal of ons gevoel te scherp?

De Smulstraat stelde niets voor. Of leek het zo? Zwijgend liepen Gang en ik langs de kraampjes. Hij noch ik dacht aan eten, scheen het. Ik wilde zo snel mogelijk terug naar het gasthuis, zei ik, en te voet graag. Nadat hij mij naar de deur van mijn hotelkamer had gebracht, keken wij twee verschillende kanten op terwijl wij elkaar goede nacht wensten.

De volgende ochtend zette hij mij samen met mijn bagage op de bus en ik hield mijn poot stijf  toen hij aanstalten maakte ook een kaartje te kopen om mij helemaal naar de school te brengen. Nee, zei ik, de bus stopte voor in de ingang van mijn school en ik wilde niet door mijn klasgenoten uitgemaakt worden voor een klein kind dat een babysitter nodig had.

Voordat de bus mijn bestemming bereikte zag ik al mijn mentor bij de halte posten. Hij tilde mijn koffer op en keek mij raar aan, alsof hij mij niet kende. Hierna zei hij dat ik de blouse uit moest trekken en de schooluniform aan moest doen voordat ik mijn klasgenoten in de slaapzaal ging begroeten. Wij zaten op school, klonk hij misprijzend, niet op een feestje. Ik keek naar de nieuwe blouse die ik net van moeder cadeau had gekregen en miste thuis. Nog meer miste ik Lans broer. Als hij mij naar Chengdu zou begeleiden, zou hij alles met de hand en te voet hebben gedaan en niets van een riksja willen weten. Dan zou hij, mij immers als lucht beschouwend, mij niet in de war hebben gebracht met vreemde maar verslavende trillingen door mijn lijf.  

Naar de universiteit

Sinds de invoering van de openstellingspolitiek waren universiteiten na een decennium heropend. Mijn moeder mocht weer colleges geven. Eenieder die het staatsexamen had gehaald mocht hoger onderwijs genieten, ongeacht of zijn ouders of de ouders van zijn ouders in politiek correcte klassen waren ingedeeld. Dankzij mijn studie op de academie kwam ik met hoge cijfers door het staatsexamen heen en ik was toegelaten tot de Universiteit van Beijing, de beste in China.

Lan had het examen niet gehaald en was geëmigreerd naar volgens zeggen, althans toen, het land van melk en honing, de Verenigde Staten dus. Haar broer liep tegenwoordig met een stok omdat zijn bekken was verbrijzeld tijdens het uitvoeren van een opdracht. Hij verliet zijn werkeenheid en ging in het vastgoed zitten, dat in China booming business was aan het worden. Geen idee waarom hij toch niet met mijn lerares was getrouwd. Zijn echtgenote scheen een beeldschone danseres te zijn. Ze hadden een zoontje gekregen en woonden in een huis groter dan dat van zijn vader. Dat was alles wat ik over hem had gehoord. Sinds Lans vertrek naar Amerika kon ik moeilijk alsnog bij hen thuis over de vloer komen en wist ik verder weinig over die familie.

Op het terras

Het was zomervakantie. Mijn eerste sinds mijn universitaire studie. Ik zat thuis vader te helpen. Wij moesten de boekenplanken en de metalen steunen ervoor van een muur in onze zitkamer verwijderen. Zo zouden wij een plek vrij maken voor een nieuwe kast die de dag daarna bezorgd zou worden. De bel ging. Moeder deed de deur open en leidde een ongenode gast binnen. Ik legde mijn schroevendraaier op de vloer en keek met de mond vol tanden naar Gang. Stond hij niet voor mijn neus, dan zou ik me niet hebben gerealiseerd dat ik deze man ooit was tegengekomen. Na onze ontmoeting had ik een bewogen leven achter de rug. Eerst op de academie keihard leren en onderwijl gelijk Lan, hopeloos verliefd op een leraar worden en dan allerlei cursussen volgen ter voorbereiding op het staatsexamen en onderwijl vlinders in de buik krijgen zodra een lange, gespierde en sterke jongen voorbij fietste. Moeder liet vader het werk staken. Zo kon ik Gang in de zitkamer ontvangen. Ik stapte over de kriskras liggende planken op de vloer en zei dat vader beter door kon gaan met de klus en dat Gang en ik net zo goed op het terras konden zitten.

Eenmaal op het terras gezeten, kreeg ik spijt. O moedertje, wat was het heet! En vochtig! En drukkend! De vlijtige liesjes in de bloembak klapten dicht voor de zon, die als een vuurbal aan de hemel hing en mensen en vegetatie in vuur en vlam zette. Gang schoof zijn stoel verderop en gebaarde mij ook te zitten in de smalle strook schaduw die het terras rijk was. De zon, de hitte, de benauwende lucht en Gang die naast mij zat. Dit alles bracht mijn herinneringen aan onze reis naar Sichuan tot leven. Had hij soms een dag in hetzelfde seizoen en met hetzelfde weer als destijds uitgekozen om mij onaangekondigd op te zoeken? Kwam hij mij soms opzoeken omdat hij onze reis naar Sichuan evenmin was vergeten? Uiteraard durfde ik het niet aan hem te vragen. Zijn zwijgen werkte namelijk besmettelijk. Een babbelkous als ik was, klapte ik dicht nu hij vlak bij mij zat. Ik friemelde aan mijn jurk, keek naar links en rechts en wist niet waar ik mijn handen en voeten moest laten. O ja, stond ik op, lustte hij een glaasje fris?

Ik wachtte niet op zijn antwoord en ging naar de keuken. Onderweg passeerde ik de zitkamer waar mijn vader zat te timmeren en mijn moeder zat tegen mij te knipogen. Haar kennende ontdekte ze weer een spook op een straathoek. Nou, een spook, een huwelijksaanzoeker dan. Sinds mijn achttiende verjaardag, zodra ze een homo sapiens van het mannelijk ras binnen een straal van vijftig kilometer in mijn buurt signaleerde, vatte ze hem op als mijn vriendje. Dan was ze blij en tegelijk op van de zenuwen. Aan de ene kant hoopte ze dat ik een geschikte huwelijkspartner zou vinden, aan de andere kant vreesde ze dat ik boven of onder mijn stand zou trouwen. Tussen neus en lippen door had ze het met een stijgende frequentie over de rangen en standen van de ouders van mijn jeugdvrienden en -vriendinnen, allen mijn potentiële huwelijkskandidaten of rivalen, in haar ogen dan.

Bijzettafel

Toen ik naar het terras terugkeerde, zocht ik naar een plekje om Gangs glaasje fris neer te zetten. Het tafeltje stond midden in de zon en men kon op het glazen tafelblad een eitje bakken. Ik bukte en trok het meubelstuk naar de schaduw. Toen ik weer rechtop stond en mij omdraaide, schrok ik me lam. Gangs ogen zonden laserstralen uit, die op mijn rug brandden. Ik keek achterom. Bleven er soms houtsnippers van de boekenplanken aan mijn jurk plakken? Niets vond ik daar, maar Gangs twee laserstralen intensiveerden, zodanig dat zijn gezicht ook mee gloeide. Snel zette ik me op de stoel neer om van de schrik, nou ja, verbazing, af te komen.

Minuten tikten voorbij. Gang zei geen woord tegen mij noch ik tegen hem, en wij keken overal heen behalve naar elkaar. Ik gebaarde hem dat als hij het glas niet meteen leeg zou drinken, de inhoud ervan het kookpunt zou naderen. Eindelijk keek hij mij aan, afwachtend. Ahá, zei ik, wilde hij dat ik het glas door zou geven aan hem? Ik stond op, pakte het van de bijzettafel op en bood het hem aan. Wederom zonden zijn ogen laserstralen uit, die in mijn rug schroeiden.

Ik recapituleerde de afgelopen minuten en vond een overeenkomst tussen zijn twee laser uitzendingen. Beiden namen plaats toen ik aan de bijzettafel kwam. Oei! Ik trok de verkreukelde onderkant van mijn jurk glad. Had hij mij soms gezien toen ik bukte? De sluizen van mijn herinneringen gingen open en de vreemde en verslavende gewaarwordingen van een destijds ongekend genot spoelden mij zowat omver. Ditmaal raceten er geen elektrische schokken door mijn lichaam, maar het bloed gierde door mijn aderen, op naar mijn hoofd. Ik kreeg het nog warmer dan de zon het bij mij klaar had gespeeld en mijn lijf trilde, heviger dan toentertijd in de riksja. Anders dan de vorige keer, durfde ik nu wel naar Gang te kijken, naar de rode konen op zijn gezicht en naar de laservonken in zijn ogen.

Geen idee waar vandaan maar ik haalde voldoende moed om hem op de man af te vragen waarom hij naar mij toe was gekomen en waarom nu pas, bijna twee jaar na onze gezamenlijke reis. Hij zei dat hij definitief naar Beijing was teruggeplaatst. Nu hoefde hij niet meer negen maanden per jaar tussen Beijing en Sichuan te pendelen. Ik had nog meer vragen voor hem maar hij stond op. Hij had dingen te regelen en moest er vandoor, volgens hem.

Moeder bracht Gang naar de voordeur. Onderweg drukte ze hem op het hart dat hij voortaan vaker bij ons langs moest komen, want haar Lulu had heel wat van hem te leren, vooral op het gebied van de omgang met anderen. Ik was haar enige kind, had nooit iets met broers of zussen hoeven te delen en wist niet hoe ik rekening met een ander moest houden. Gang knikte noch schudde zijn hoofd en sloot de deur geruisloos achter zich.

Zodra Gangs voetstappen in het trappenhuis uitdoofden, kibbelde moeder met vader.  Zij zag in Gang een geschikte huwelijkskandidaat voor mij, maar vader bracht haar terug naar de realiteit. Gangs vader was inmiddels drie rangen hoger dan mijn vader. Nou en? klonk moeder niet onder de indruk. Haar dochter zat op de beste universiteit van China. Gang zou daarentegen geen kans meer maken op het halen van het staatsexamen. Ik stak mijn vingers in de oren en vluchtte mijn eigen kamer in.

Vader had, zoals gewoonlijk, gelijk. Dat was de laatste keer dat Gang mij kwam opzoeken. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien noch iets van of over hem gehoord.

***

Station

In de tientallen jaren na Gang had ik meerdere mannen ontmoet en met sommige van hen had ik een liefdesrelatie gehad. Maar het gebeurde altijd zoals het bij Lans broer ging. Mijn hoofd sloeg eerst op hol en dan deed mijn lichaam er pas aan mee. Gang was de eerste en tot nu toe de enige uitzondering. Toen ik met hem naar Sichuan reisde, bleven mijn hoofd en hart achter bij Lans broer, maar mijn lijf reageerde als een ongeleid projectiel op de elektrische signalen vanuit Gangs stille zendmast.

Sinds mijn achttiende had ik me ervoor behoed om me hals over kop in een verkering te storten, maar dit had geen relatie die op den duur op was, kunnen redden. Dat niet alleen, door mijn blik te richten op de eindbestemming van een verkering – een lang en gelukkig leven samen met een ideale partner, die veelal achteraf gezien toch een doodlopende weg was, miste ik tussenstations met een adembenemend uitzicht. Gang was zo’n tussenstation, afgezien van de vraag wat exact een eindstation inhield.

***

Begrijpen

Een paar dagen geleden, toen ik ’s ochtends vroeg de vogels in mijn achtertuin zoetgevooisd met elkaar hoorde praten, en toen ik in het donker tastte wat ze, al elkaar het hof makende, precies tegen elkaar zeiden, moest ik ineens aan Gang denken. Men zei dat de liefde het hoogste goed van het leven was, maar na veel liefdes en het verdriet ervan kreeg ik er twijfels over. Meermalen vroeg ik me af waarom ik elektrische schokken van Gang ontving, terwijl ik van Lans broer dagdroomde. Zonder Gang te begrijpen, kon ik zijn liefde, hoe overweldigend ook, niet plaatsen, laat staan aanvaarden. Begrip leek mij derhalve een hoger goed dan de liefde.

De oranje ochtendgloed scheen door mijn zandgele gordijnen, maar ik wilde gelijk de vogels mijn nest, pardon, mijn bed uit. Ik hield mijn ogen gesloten en fantaseerde dat ik Gang zomaar tegen het lijf liep, in de Haagse duinen of de Smulstraat te Chengdu. Een voordeel van het voorstellingsvermogen was dat het de beperkingen van tijd en plaats moeiteloos ophief. Ik stelde me voor dat het eerste dat ik aan Gang zou vragen als ik hem zou zien, was of hij hetzelfde voelde als ik voelde toen wij opgepropt in de riksja zaten. Daarna zou ik hem vragen of hij had gezien wat ik dacht dat hij had gezien toen ik bukte om de bijzettafel te verplaatsen en om zijn glaasje fris van de tafel op te pakken. Tenslotte zou ik hem vragen waarom hij mij na de ene keer nooit meer had opgezocht. Meteen daarop zou ik hem vertellen dat ik eigenlijk het antwoord op die vragen wist. Toen al en nu nog meer.

Ik zou mijn rechterarm naast zijn linkerarm leggen en tegen hem zeggen dat ik zijn verwarring deelde. Net als hij, kon ik er met mijn verstand niet bij dat de ongekende verrukkingen die mij in de schoot vielen uitgerekend afkomstig waren van een gewone medereiziger. Gang was een collega van mijn vader en ik was een leerling op school. Wij hadden voor en na de reis niets met elkaar te maken. Noch hadden wij iets met elkaar gemeen, behalve dat wij jong waren en dat het bloed in onze aderen zo makkelijk warm liep als het Sichuans weer. Vermoedelijk net als zijn ouders, vond mijn vader het geen goed idee dat ik verkering met iemand zou hebben wiens familie een standsverschil met de mijne had. Desondanks trilde mijn lichaam, net als het zijne, toen onze armen en benen elkaar toevallig aanraakten en desalniettemin fladderden de vleugels van ons hart.

Ik zou mijn rechterbeen naast zijn linkerbeen leggen en tegen hem zeggen dat ik zijn tweestrijd begreep. Hij kon beter trouwen met een dochter van, gelijk zijn vader, een hoge piet en ze kon beter niet op een van China’s beste universiteiten zitten, waardoor ze omgeven zou worden door jongeren met een schitterend carrière voor de boeg, terwijl hij, weliswaar voorzien van een goede baan, een voorspelbare toekomst had.

Ik zou zijn hand vasthouden en tegen hem zeggen dat hoewel ik me niet bezig hield met de rangen en standen van onze ouders en zijn tweestrijd begreep, ik zijn innerlijke strijd niet deelde. Mijn tweestrijd kwam uit een andere hoek. Ik kon me namelijk niet indenken dat ik op een man zou vallen die zich door een riksja opa of oom liet voorttrekken. Oei, ik zou in zijn ogen kijken en hem iets vragen waar ik geen antwoord op wist. Wilde hij die avond per riksja naar de Smulstraat gaan omdat hij tijdens onze vorige riksja rit had genoten van het samen met mij op klein bankje zitten, maar niet omdat hij als een rijkeluiszoon te verwend was om naar de Smulstraat te lopen?

Beleven

Juist, ik had veel met Gang te praten als ik hem weer zou zien… Ik vreesde alleen dat als hij werkelijk voor mijn ogen zou staan, ik net als vroeger en net als hij, dicht zou klappen. Ik zou puur en alleen de elektrische schokken zich van mijn arm naar de rest van mijn lichaam voelen verspreidden en de laserstralen uit zijn ogen op mijn rug voelen branden, terwijl ik, met een jurk aan, bukte om een glaasje fris voor hem van de bijzettafel op te pakken.

Luisterend naar de vogelenzang uit de bomen in mijn achtertuin in Den Haag, realiseerde ik me ineens dat het ritme en de melodie ervan mij genoeg genot schonken om mij verder druk te maken over de onverstaanbare tekst ervan. Gang had mij genoeg verrukkingen gegeven om mijn hoofd verder te breken over waarom hij dit wel en dat niet deed. Het enige wat ik nog tegen hem wilde zeggen was dat ik hem dankte. Voor die reis, voor de riksja ritten, voor het half uurtje op mijn terras.

Met andere woorden, in navolging van de liefde, leek mij het begrip evenmin het hoogste goed van het leven. Wat er voor mij overbleef was het leven zelf. Het moment beleven zonder te begrijpen waar de vreugde op sloeg en waar die toe leidde.

Toen Gang en ik jong waren, hadden wij een heel leven voor ons liggen. Geen wonder dat wij wikten en wogen voordat wij aan een relatie begonnen. Nu wij een  aardig eind van de levensreis achter de rug hadden, hoefden wij ons minder zorgen te maken over de weg die ons restte. Het moment werd derhalve belangrijker dan de toekomst. En misschien daarom speelde voor mij de liefde met als doel een relatie en het begrip met als doel het inzicht in de ander een minder bepalende ofwel belemmerende rol. Misschien daarom plukte ik de dag en greep het moment aan, zonder verwachtingen noch het ermee verbonden gevoel van angst en onzekerheid.  

Herinneren en hebben

Luisterend naar de vogelenzang uit de bomen in mijn achtertuin aan de Haagse duinen, realiseerde ik me vervolgens dat zelfs het beleven van het moment niet het hoogste goed was. Wie zei dat de vogels zongen om elkaar het hof te maken? Misschien zongen ze om gezamenlijke herinneringen op te halen aan hun vroegere even toevallige als vluchtige ontmoetingen. Alleen de twee vogels wisten waar hun liedjes over gingen. Alleen Gang en ik wisten wat er door ons heen ging toen wij even toevallig als vluchtig van elkaar tot diep in ons wezen genoten. Vogels zetten hun dierbare herinneringen om in muziek. Ik zette de mijne om in tekst. Daarmee vereeuwigde ik onze verrukkingen als mijn liefdesverklaring, met een terugwerkende kracht, aan Gang.

Waar hij nu ook woonde en werkte – ik nam aan dat hij nog leefde, in China of Amerika, in Beijing of Sichuan, of hij het Nederlands verstond of niet, ik voelde aan mijn water dat hij deze tekst zou lezen en koesteren, net als ik het aan mijn water voelde dat er ook elektrische schokken door zijn leden raasden. Immers, zonder twee tegenpolen kon er geen elektrische spanning ontstaan. Er was een elektrische verbinding tussen Gang en mij geweest, zij het slechts voor een moment. En dat moment, met wie hij ook was getrouwd, misschien gescheiden en weer getrouwd en met wie ik ook een relatie had, behoorde enkel en alleen tot Gang en mij.  


Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

Op hoop van zon en al het moois dat zal komen, 16, Lulu Wang

Gisteren begon het Chinees Nieuwjaar, ook het Lentefeest genaamd. Volgens Chinezen is het voorjaar van start gegaan. Voor iedereen die het viert, Gelukkig Chinees Nieuwjaar toegewenst!

Licht en warmte

Een week geleden gebeurde er van alles. Eerst sneeuwde het, iets wat slechts sporadisch voorkwam aan de Haagse kust. Dan scheen de zon, iets wat eveneens dun gezaaid was in het winterse landschap. De sneeuw verdween niet als sneeuw voor de zon, iets wat vanzelfsprekend was. De zon straalde alleen maar licht uit en warmte was er niet bij. Sterker nog, ik bibberde meer in het heldere zonlicht dan onder de grijze wolken. Ik wist het, het was maar een gevoel, gevoed door een foutieve associatie. De zon stond niet gelijk aan licht en warmte. Dat gebibber kwam dus door mijn verkeerde verwachtingen.

Daar bleef het niet bij. Toen het nacht werd, keek ik uit het raam en zag een omgekeerde wereld. Normaal gesproken was de aarde donker en de hemel wat lichter, maar nu was het andersom. De sneeuw op de grond weerkaatste het schaarse licht dat de nacht toebedeeld kreeg en lag er stralend bij. Daarmee vergeleken oogde de hemelkoepel als een zwart gat. Boven stond niet gelijk aan licht noch onder aan duisternis. Ik moest wederom mijn associatie bijstellen.

Ik dacht dat ik, gezien het aardig aantal jaren dat ik de revue had zien passeren, alle gezichten van Moeder Natuur had aanschouwd, maar nee. Op Haar raakte ik nooit uitgekeken, merkte ik.

***

Twee in één

Toen ik negen was, kwam ik op een dag op school. De bel was allang gegaan, maar het leslokaal was slechts voor de helft gevuld. De leraar kondigde aan dat onze klas binnenkort samengevoegd zou worden met een andere klas, die ook halfleeg was gelopen. Ik keek naar de stoelen en dacht aan de klasgenoten die er de dag daarvoor nog hadden gezeten. Nee toch, ze waren allen kinderen van de collega’s van mijn vader! Dan begreep ik het wel.

Om de werkeenheid waar mijn vader aan was verbonden te beschermen tegen mogelijke aanvallen door de Verenigde Staten en de Sovjet Unie – die laatste stond sinds zijn aanval op het Zhenzhu Eiland niet meer op goede voet met China – zou de werkeenheid op zeer korte termijn verhuizen naar het veilige binnenland, de Provincie Sichuan om precies te zijn, duizenden kilometers van Beijing vandaan.

De laatste dagen sliepen mijn ouders nauwelijks. De hele tijd zaten ze met elkaar te wikken en wegen. Zou mijn moeder haar werk op de universiteit opgeven, zodat zij en ik met vader naar Sichuan konden verhuizen? In dat geval zou ons gezin heel blijven. Wilde ze doorgaan met het uitoefenen van haar beroep in de hoofdstad Beijing, zouden zij en ik vader jaren moeten missen. Hoeveel jaar in totaal? Dat voorspellen was gelijk aan in een glazen bol kijken. Uiteindelijk hadden ze besloten, natuurlijk zonder mijn mening aan te horen, dat vader alleen naar Sichuan ging en dat moeder en ik in de hoofdstad bleven. Goed voor haar vak en voor mijn opleiding. Gezien de halflege kamers bij ons op school hadden de meeste echtgenoten van vaders collega’s gekozen om mee te verhuizen.

Campus

Amper een week later kwam ons gezin ook voor een derde leeg te staan. Vader was vertrokken, waarna moeder tegen mij zei dat het geen zin meer had om dagelijks uren te besteden aan het woon-werkverkeer. Ze besloot, wederom zonder mijn mening aan bod te laten komen, ook te verhuizen. Naar de universiteit waar ze colleges gaf.

De eerste keer dat ik onze nieuwe woonruimte binnenstapte, wilde ik meteen rechtsomkeert maken. In de kamer pasten slechts een éénpersoonsbed, een bureau en een stoel. Waar moest ik slapen? Moeder beloofde mij naar een plank en twee krukken te zoeken, waarmee ze elke avond van het bed een twijfelaar zou maken. Ik mocht aan de binnenkant slapen en zij aan de buitenkant. Zo kon ik nooit ’s nachts van ons bed naar de vloer rollen.

Moeder bracht mij naar een basisschool waar de kinderen van haar collega’s ook op zaten. De meisjes in de klas keken mij met scheve ogen aan omdat de jongens in de klas met mij wegliepen. Voor mij geen punt, want ik voelde me bij de meisjes sowieso niet thuis. In de bomen klimmen en vogelnesten leeghalen, vonden ze halsbrekend. Paardenpoep oprapen, tot een bal kneden en ermee naar elkaar gooien, vonden ze smerig. In landbouwvelden aubergines, courgettes of sperziebonen stelen en rauw opeten, vonden ze er ten eerste geen smaak aan en ten tweede levensgevaarlijk. Als wij door de kwekers opgepakt zouden worden, moesten wij mee naar het politiebureau. Dan kwam er nog de directeur van onze school aan te pas. Tenslotte kregen wij geheid een pak slaag van onze ouders, in mijn geval van mijn moeder. Al met al een linke soep, volgens de meisjes.

Rauwe groente

Zo zag ik het niet, evenmin als de jongens bij ons in de klas. Hoe riskanter, hoe spannender. We gingen naar school om daar te verzamelen zodat wij direct na de les vogels in de bomen, groenten in de velden en mensen met verkering het leven zuur konden maken. Vooral verliefde paren waren een doorn in onze ogen, nou ja, in de ogen van de jongens dan. Wij gingen naar de Heuvel van bloemen en vruchten, ten zuiden van de universiteitscampus waar wij woonden, hielden ons in de jojobestruiken koest en deden aan tortelduifjes spotten.

Zodra wij, nou ja, zodra de jongens dan, een jonge oom en een jonge tante naast elkaar zagen zitten, gooiden ze paardenpoep naar hen. Al snapte ik niet waarom ze een hekel hadden aan die zielsgelukkige paartjes, toch wilde ik geen spelbreker zijn en huppelde dus achter hen aan. Wij hadden de wind mee, want in de turbulente jaren dienden wij onze liefde volledig te wijden aan de leidinggevende van de massabeweging. Tortelduifjes voelden zich schuldig dat ze hun genegenheid moesten verdelen tussen de leider en hun hartendief. Vandaar dat ze zich niet verzetten tegen onze poepgooierij.

Op een dag hadden wij pech. De jonge oom die wij met poep hadden besmeurd kalmeerde eerst zijn verbouwereerde vriendin en pakte daarna een boomtak met nog bladeren eraan. Hij gaf een schreeuw die mussen van de bomen afschrok en stevende op ons af. Ik zag bruine poepspetters op de hemelsblauwe zondagskleren die zijn verloofde zeker speciaal voor het rendez-vous had aangetrokken en opeens vond ik het niet lollig meer. Zoals nooit tevoren snapte ik de jongens niet. Waarom gooiden ze toch roet in het eten van die dolgelukkige lui? Door mijn getob vluchtte ik niet rap genoeg. De schreeuw van de, terecht, wraakzuchtige jonge oom werd duidelijker hoorbaar en ik voelde zelfs de luchtstroom door zijn zwaaien met de boomtak. Ik wilde vaart maken maar vergat onder mijn voeten te letten. Ik viel en brak mijn arm.

Erhu

Sindsdien verbood moeder mij met de jongens te spelen. Van haar moest ik na school direct thuiskomen en de Peking-opera leren zingen. Ze had een gewezen roemrijke zangeres gevonden die nu bij de Faculteit kunst en muziek werkte. Volgens deze privélerares was mijn stem laag en breed. Geschikt om in de opera de rol van een oma te spelen. Helaas had ze mij pas een paar keer onderricht of ze moest naar de bergen, honderdtwintig kilometer van Beijing vandaan, om heropgevoed te worden. Voorts had moeder een andere collega bereid gevonden. Hij zat in de directie van haar faculteit en was een amateurspeler van de Chinese viool Erhu. Als ik zong, begeleidde hij mij met zijn instrument. Hoewel hij mij voor de rest niets bij kon brengen, vond moeder, die gewoonlijk een obsessie voor kwalificatie en vakbekwaamheid vertoonde, het merkwaardig genoeg voldoende.

Sinds moeders verbod zag mijn dag er belabberd uit. Overdag zongen de jongens onder mijn raam revolutionaire liedjes – andere liedjes kenden wij niet – in de hoop dat ik er tussenuit kon knijpen om alsnog met hen buiten te spelen. In de avond bedekte moeder met een handdoek een bureaulamp, in de hoop dat ze mij niet in de slaap zou storen. Ze spreidde vellen briefpapier op tafel en verkrulde ze met haar hete tranen. Geen idee waar ze zoveel inspiratie uit putte om iedere avond tot diep in de nacht een boekwerk naar vader te schrijven, maar dat was nog mijn laatste zorg. Nu wij onze mooie, ruime woning hadden ingeruild voor dit piepkleine kamertje zonder keuken en toilet, nu ik mijn voormalige klasgenoten massaal naar Sichuan had zien verhuizen, was moeder de enige constante factor in mijn leven. Zolang ze stiekem huilde, vreesde ik dat de grond onder mijn voeten in zou zakken en de hemel boven mijn hoofd neer zou storten. Daarom zong ik graag de Peking-opera.

Appel

Het enige lichtpuntje tijdens onze dag was wanneer de amateurspeler van Erhu verscheen. Terwijl hij mij begeleidde, zette moeder thee op en schilde een appel voor ons drieën. Zodra ik klaar was met zingen, aten wij samen dit fruit op. Oom Zhang heette hij, geen intellectueel en dus politiek correcter. Hoewel hij lang en fors was gebouwd, raakte hij gauw verlegen en zweeg hij als goud. Als moeder hem een partje appel aanbood, zei hij er geen nee tegen. maar hij sneed het in tweeën en legde een stukje terug op moeders bordje. Zij legde het op haar beurt op het mijne, waarna hij bloosde. Men zou denken dat hij de volgende keer het stukje dat hij uit zijn mond had gespaard direct aan mij zou geven, maar vergeet het. Hij bleef het mijn moeder toeschuiven. Een teken dat hij of dom of koppig was, vond ik. Heel anders dan mijn vader, die graag op zijn praatstoel zat en bruiste van briljante ideeën.

Zelfs dit lichtstraaltje doofde uit. In navolging van mijn vroegere zanglerares moest moeder ook heropgevoed worden. Ze liet mij achter in het jeugdopvangcentrum, opgezet door de universiteit voor de kinderen van geleerden die zich in de bergen met lichamelijke arbeid zaten te beteren. Nu was oom Zhang de enige constante factor in mijn leven. Ondanks mijn eenzaamheid in dat centrum met allemaal ouderloze kinderen, kon ik me dagelijks verheugen op het zingen van de Peking-opera.

Poppetjes

Elke middag, direct na school ging ik naar oom Zhang toe. Dan nam hij zijn erhu van de muur af, die daar aan een spijker hing, stemde hem en knikte tegen mij. Na drie liedjes knikte hij weer tegen mij en ik mocht weer gaan. Ahoewel hij even weinig praatte als toen moeder thuis was, merkte ik een verschil. Er dansten geen poppetjes meer in zijn ogen en ik was slechts een opdracht die hij omwille van mijn moeder moest uitvoeren, had ik de indruk. Telkens als ik zijn lege blik zag, miste ik moeder in de bergen. Op dat moment kwam een voordeel van haar afwezigheid naar boven drijven. Ik was nu zo vrij als een vogel en kon gaan en staan waar ik wilde. Ik besloot niet meer te zingen. Zo hoefde ik ooms ongeïnteresseerde oogopslag niet te zien noch erdoor te worden herinnerd aan moeder die elke dag vast en zeker afgemat werd door op het land te zwoegen.

Op zich kon ik ook besluiten weer te spelen met de jongens bij mij in de klas. Ik voelde me echter een drijfplant, zonder wortels in de vaste grond. Ondanks dat de intellectuele ouders van de jongens ook in de bergen zaten, hadden ze een oma of een tante die op hen paste, waardoor ze niet in het jeugdopvangcentrum hoefden te verblijven. Mijn beide oma’s hadden hun handen vol aan het verzorgen van hun kleinzonen, stamhouders van de familie. Ze moesten mij dus, met pijn in hun hart, laten waar ik was. Vandaar dat ik de jongens die een warm nestje hadden met een kloek erin, uit de weg liep.

Zonnebloemen

Mijn gezelschap vond ik in een handvol zonnebloemzaadjes die ik op het plantsoen voor het gebouw van ons centrum had gezaaid. Elke dag gaf ik hen water en babbelde met hen. Ongeduldig wachtte ik op het feller en warmer worden van de zon. Als er een plantje uit de grond schoot, zou ik het met boomtwijgjes stutten, nam ik me voor. Dan zou het rechtop blijven groeien, met zijn kopje naar de zon gericht.

Eens per twee weken werden moeder en haar collega’s met een vrachtwagen naar huis vervoerd. Van haar moest ik weer de Peking-opera zingen. Van haar moest oom Zhang een hele appel opeten. Er groeiden namelijk veel appelbomen in de bergen. Iedereen mocht de vruchten gratis en voor niks plukken en mee naar huis nemen. Moeder gaf mij ook een fles zelfgemaakte appeljam mee, zodat ik hem op mijn brood kon smeren als ik samen met andere opvangkinderen in de kantine at.

Anders dan moeder, schreef ik geen brief, aan haar noch aan vader. Ik huilde evenmin. Mijn aandacht ging geheel uit naar de zonnebloemzaden die alsmaar niet wilden ontkiemen en naar de winterse zon alleen licht maar geen warmte uitstraalde.

Nieuw huisje

Anderhalf jaar later mocht moeder terug naar haar werk. Geen idee of ze voldoende was heropgevoed, in ieder geval had de universiteit haar nodig om het leerboek Russisch voor het middelbaar onderwijs aan te passen aan de nieuwe tijdsgeest. Moeders vakkennis was haar achilleshiel maar ook haar beschermengel, had ik het idee. Sterker nog, haar geluksbrenger, want wij waren een heus appartementje toebedeeld. Ik had weer een eigen kamertje en wij hoefden ’s nachts niet meer een lange en tochtige gang af te reizen om een plasje te doen. Er zat ook een keuken in ons huisje bij, helemaal voor onszelf.

Moeder droeg geen versleten en verkreukelde kleren meer zoals toen ze het land bebouwde. Door de fleurige jas en glad gestreken broek die ze nu aan had keerde ze terug naar haar vroegere aantrekkelijke zelf. ’s Zondags bereidde ze eerst geroerbakte groente met reepjes vlees erin en dan vroeg ze mij oom Zhang, die in een gebouw verderop woonde, uit te nodigen. Samen smulden wij van de lekkernij en de poppetjes dansten opnieuw in ooms ogen.

Waarschijnlijk had moeder in de bergen weinig te eten gehad en als nasleep ervan maakte ze nooit genoeg voedsel voor ons klaar. Zuinig met woorden als oom Zhang was, praatte hij haar altijd goed. Je maag volstoppen was niet gezond, zei hij tegen mij zodra ik klaagde dat ik nog trek had. Op dat moment miste ik vader. Als hij thuis zou zijn, zou hij de kant voor mij kiezen en moeder erop wijzen dat een opgroeiend kind voldoende voeding diende te krijgen.

Desondanks was ik blij als oom Zhang bij ons over de vloer kwam, omdat ik moeder zag opfleuren. Nu ik een eigen kamer had, wist ik niet of ze nog steeds elke avond tot diep in de nacht met tranen en inkt een boekwerk voor vader schreef, maar aan haar sierlijke tred merkte ik dat verdriet haar minder vaak bezocht en dat geluk haar pad frequenter kruiste.

Pakket

Het Chinees nieuwjaar stond op de stoep. Moeder kwam thuis met een pakket uit Sichuan. Samen pakten wij het uit, met een tandpastalach op ons gezicht. Zowel moeder als ik had van vader nieuwe kleren gekregen. Zij een zilvergrijze effen overjas en een lila trui; ik een geruite rode overjas en een roze trui. Al gold de traditie dat iedereen in nieuwe kleren het nieuwe jaar diende binnen te treden, gezien moeders heropvoeding en de daaruit voortvloeiende krapheid bij kas, had ik de voorafgaande weken gevreesd dat moeder van haar oude rok een zogenaamde nieuwe jas voor mij zou maken. Vader kon als het ware mijn gedachten lezen en zorgde er van op afstand voor dat wij naar behoren gekleed het nieuwe jaar konden vieren.

Terwijl ik de kleren paste, als een tuimelaar draaide en een gat in de spiegel keek, zat moeder er verbleekt bij. Op haar gezicht verscheen dezelfde uitdrukking als toen ze ’s nachts dikke brieven aan vader pende. Alleen pinkte ze geen tranen weg. In plaats ervan zuchtte ze. Heel diep. Vanuit haar tenen zowat.

Huiswerk

De dag daarna was zondag. Moeder roerbakte weer groente met reepjes vlees, maar toen ik gewoontegetrouw de jas aantrok om oom Zhang voor de lunch uit te nodigen, verhief ze haar stem, halt! Wat ging ik doen? vroeg ze mij. Ik dacht dat ik een stem uit het stopcontact hoorde. Ze duwde mij op de stoel en gilde. Of ik het huiswerk af had. Ik keek op en herkende haar niet meer. Haar ogen spuwden vuur en haar handen stonden klaar om mij oorvijgen toe te dienen. Ze had zich nooit om mijn huiswerk bekommerd. Dat was het eerste wat ik deed als ik van school kwam en ze wist het.

Desondanks liet ik braaf mijn huiswerk aan haar zien. Ze tierde opnieuw. Of ik de vervoegingen van de twintig Russische werkwoorden uit het hoofd had geleerd. Waar had ze het over? dacht ik uit alle macht na… Inderdaad. Bijna twee jaar geleden, voordat ze naar de bergen vertrok, had ze mij een paar Russische werkwoorden geleerd. Maar geen twintig en zeker niet samen met vervoegingen en al.

Moeder liet de geroerbakte groente met reepjes vlees erin op het aanrecht staan en koud worden, sleepte mij naar haar kamer en tierde verder. Voortaan kreeg ik van haar les in Russisch en o wee als ik de twintig nieuwe werkwoorden die ik dagelijks in mijn hoofd moest prenten, verkeerd zou spellen! Ik doorzocht mijn gedrag van de afgelopen tien minuten. Wat had ik gedaan om haar toorn te wekken? Daar vond ik zo een twee drie geen antwoord op.

Half oor

Een half uur later warmde moeder het gerecht op, pikte er met haar stokjes alle reepjes vlees uit en legde ze in mijn kommetje. Lulu, zei ze, eet flink en groei snel. In de afgelopen dagen had ze ter voorbereiding van het herschrijven van het Russisch leerboek de lesmaterialen van alle vakken voor het middelbaar onderwijs doorgenomen, aldus zij. Die bestonden voor de helft uit politiek betoog. Nu ze weer thuis was, zou ze, binnen haar beperkte vermogen, wat ik op school miste aan mij geven.

Hoewel mijn keel door schrik dicht was geknepen, steeg de spiegel van mijn mondwater nu ik vlees in mijn kommetje zag. In een paar happen werkte ik alles naar binnen en luisterde met een half oor naar moeders uitleg. Haar kennende was dit haar manier van spijtbetuiging. Niet nodig geweest. Ik had haar in het jeugdopvangcentrum te lang gemist om haar de woedeaanval kwalijk te nemen. Of ze er reden voor had was mij om het even. Zolang ik dicht bij haar kon zijn, mocht ze tegen mij brullen en op mij rammen zoveel als ze wilde. Bovendien, ze bedoelde het goed, ging ik ervan uit.

Uitgaan

Het was weer zondag. Toen ik wakker werd en mijn ogen opendeed, maande ik mezelf tot oppassen. Hoeveel vlees moeder ook in het gerecht zou verwerken, ik zou met geen woord meer reppen over wel of niet oom Zhang uitnodigen. Toen ik me stond aan te kleden, klopte moeder op de deur en overhandigde mij een gele nylon sjaal met oranje wolkjes erop. Ik gaf een verblijde gil, dank u, mama! Ze gebood mij de nieuwe roze trui die ik van vader had gekregen aan te trekken, want wij zouden naar het park Blauwe Bamboe gaan. Ik stuiterde als een strandbal op en neer en dankte moeder voor de tweede achtereenvolgende verrassing. Moeder wikkelde ook een beeldige nylon sjaal om haar hals en wij liepen in onze nieuwe overjas naar de bushalte.

Wij waren slechts drie haltes gepasseerd of moeder nam mij bij de hand en ik moest mee de bus uit. Deze halte kende ik. Hier moesten wij wezen als wij oom Liu en tante Shen gingen opzoeken. Ze waren moeders beste collega’s en hun zoon was even oud als ik. Alleen speelde hij prachtig piano en ik kon slechts een paar liedjes van de Peking-opera zingen – prachtig was er niet bij, onder de maat, al zeg ik het zelf.

Oom Liu opende de deur, oogde verbaasd maar ontving ons hartelijk. Tante Shen ging direct de straat op om boodschappen te doen. Ze zouden heerlijke loempia’s voor ons bakken. Hun zoon haalde zijn speelgoedtelescoop uit de lade en wij gluurden ermee naar het gebouw schuin tegenover ons. Zelfs hoeveel gestoomde broodjes er op de eettafel in een huiskamer stonden, konden wij zien. Wij spraken af dat als wij groot waren, wij voor astronaut zouden trainen en studeren.

Gemberthee

De dag daarna kwam oom Zhang, uit zichzelf, bij ons op bezoek. Zoals het een goed opgevoed meisje betaamde wilde ik zijn overjas aannemen, omhoog springen en hem aan de kapstok ophangen. Hij schudde zijn hoofd en hield zijn dikke kleren aan. Ook zijn pet nam hij niet af. Moeder schoot de keuken in, sneed gember in stukjes en trok er thee uit. Ze voegde er twee lepels bruine suiker aan toe en oom moest deze geneeskrachtige drank innemen. Daar zou hij van zweten, volgens haar.

Terwijl hij deed wat ze zei, vroeg ze hem of hij naar de dokter was geweest. Met een blik stelde hij haar gerust. Ze hoefde zich geen zorgen maken, zei hij met zijn ogen. Een klein beetje verkoudheid ging zo weer over. Moeder vroeg hem vervolgens hoe lang hij voor de ingang van het park Blauwe Bamboe had gestaan. Hij keek de andere kant op en meed oogcontact met haar. Zeker heel lang, klonk ze sneu, anders zou hij geen kou hebben gevat. En maar eens bedenken dat het gisteren stevig waaide, met een temperatuur van vijftien graden onder nul zo niet meer.

Hij zag moeders ogen rood worden en opende eindelijk zijn mond. Hij had daar maar een paar uurtjes op ons gewacht, geen punt, aldus hij. Hoeveel was een paar uurtjes? dramde moeder door. Toen zij en ik om een uur nog niet waren verschenen, nam hij de bus en ging naar huis. Moeders stem sloeg over, hij had dus drie uur in de wind en kou gestaan? Hij knikte eerst en schudde daarna zijn hoofd, alsof hij wilde zeggen, ik zei je al dat het geen punt was. Hij scheen meer bezorgd te zijn om moeders bezorgdheid dan om zijn eigen verkoudheid.

Moeder schoot weer de keuken in en bereidde voor hem een bamisoep, met een gepocheerd ei en een hoop knoflook, gember en peper erin. Oom moest dit opeten om aan te sterken, drong ze aan. Terwijl oom van de soep smulde, herhaalde moeder als een grammofoonplaat met een kras erin dezelfde vraag. Wat bezielde hem nou? Wij hadden om tien uur bij de ingang van het park afgesproken. Als wij kwart over tien of op zijn laatst half elf nog niet kwamen opdagen, moest hij toch naar huis? Hij legde de lepel naast de kom, stopte met eten en keek haar aan. Zelfs een blinde kon lezen wat er op zijn gezicht stond. Hij was bang dat moeder en mij onderweg naar het park iets zou overkomen en daarom moest en zou hij wachten om zeker te weten dat wij veilig waren. Moeder vertelde hem dat ze onderweg had afgebogen naar haar beste collega’s, omdat… Hij viel haar in de rede, hij begreep het, volkomen.

Aria

Sinds ooms verkoudheid moest ik niet alleen ’s zondags maar ook vaak doordeweeks oom halen, waarna wij samen van geroerbakte groente en vlees genoten. Als moeder mij Russische les gaf, luisterde ze met mij naar aria’s uit de opera <em>Jevgeni Onegin</em>, gebaseerd op Poesjkins gelijknamige werk. Wij waren de enigen van ons flatgebouw met een grammofoon en een kist vol platen. Niet alleen omdat vader iets meer verdiende dan moeder en haar collega’s, waardoor wij dit luxeartikel konden aanschaffen, maar ook omdat dankzij vaders werk – geen idee wat het was – wij geen huiszoeking hadden hoeven meemaken, waardoor onze kostbaarheden, westerse boeken en platen niet door politieke correctelingen waren verbrand of geconfisceerd. Als moeder mij Chinese literatuurles gaf, ontvouwde ze voor mij de serene wereld geschapen door de gedichten uit de Tang-dynastie.

Keer op keer luisterde ik naar een aria uit Jevgeni Onegin. ‘Ik zit een brief aan je te schrijven. Waar zou ik moeten beginnen?’ Al begreep ik niet waarom de jonkvrouw in de opera zo triest klonk, ik wou dat ik ook zo triest was. Haar zang en de tekst doopten de droefenis om in een sublieme schoonheid. Een mooi verdriet sprak meer tot mijn verbeelding dan een huis-tuin-en-keukengeluk. Keer op keer raakte ik gefascineerd door een gedicht van Liu Yuxi. ‘In het oosten schijnt de zon en in het westen regent het / Enerzijds lijkt hij kil en stil maar anderzijds zet hij mijn hart in vuur en vlam.’

Muzikant

Vader leek op Lans broer. Hij kon jaren wegblijven maar ook plotseling voor de deur staan, met koffers vol worsten, gedroogde vis, dadels, walnoten, sesamolie en andere lekkernijen waar moeder en ik alleen maar van konden dromen. Moeder was door het dolle heen en stond uren in de keuken om delicatessen voor hem te bereiden. Helaas verliet hij ons ook zonder enig voorteken.

Ik wist dat moeder een docente was, omdat ik af en toe meeging naar haar faculteit, maar ik had vader nooit aan het werk gezien. Toen ik vier was, trof ik hem op het podium aan. Hij zat daar accordeon te spelen ter viering van het Chinees Nieuwjaar. Daarna zei ik tegen iedereen dat hij een muzikant was. De ooms en tantes die het hoorden lagen in een deuk, maar ik zag de grap van zijn beroep niet in.

Als vader naar Sichuan terugkeerde, maakte moeder ook delicatessen, maar dan voor oom Zhang. De eerste dag dat oom kwam, was hij extra stil en moeder extra vrolijk. Een beetje gemaakt, als je het aan mij vroeg. Zo vrolijk dat ooms schroom snel ontdooide. Zodra oom wegging, vloog ik naar mijn kamertje, kroop onder de deken en ik beefde van top tot staart. Ervaring leerde mij dat op dit ogenblik moeders gemoedsstemming tot onder het vriespunt zakte. Kans bestond dat ze aan mijn haren zou trekken en mij alle hoeken en gaten van ons appartement zou laten zien. De reden die ze opgaf luidde steevast dat ik de Russische werkwoorden niet foutloos had vervoegd of dat ik de gedichten uit de Tang-dynastie niet zonder hapering had opgedreund.

Telkens als ze mij zo’n lesje leerde, sloot ze eerst alle ramen en deuren. Geen buur kon haar zo bezig zien of horen. Ik kon moord en brand schreeuwen, maar niemand kon mij redden. Dan miste ik vader. Als hij thuis zou zijn, zou hij voor mij opkomen, dacht en geloofde ik. Vandaar dat ik een gat in de lucht sprong zodra er visite kwam. Dan was moeder aardig, ook tegen mij. Als oom kwam, was ze helemaal de tederheid zelve. Een nadeel was wel dat zodra hij de deur uit ging, ze extra down was en mij extra toornig strafte.

Middernacht

Moeder had niet altijd losse handjes als wij alleen thuis waren, hoor. Soms had ik een nachtmerrie, nam mijn hoofdkussen mee, ging naar haar kamer en kroop bij haar in bed. Hoe moe ze ook was, ze troostte mij net zo lang totdat ik weer in slaap dommelde. Soms ging ik ’s nachts naar het toilet en zag licht uit haar kamer lekken. Negen van de tien keer zat ze voor mij een trui te breien of kleren te naaien. In de winter ontrafelde ze haar eigen vest om met de wol ervan handschoenen voor mij te breien. Zoiets in een winkel kopen vond ze te duur en met het geld dat ze zodoende had bespaard kocht ze op de zwarte markt tegen hoge prijzen vlees, vis en fruit voor mij in, zodat ik een betere voeding kreeg en gezonder kon groeien. In de turbulente jaren waren gedichtenbundels uit de winkels en bibliotheken gehaald. Om mij Tang-gedichten te leren die geschikt waren voor kinderen, leende ze jeugdboeken van haar collega’s en schreef ze bladzijde voor bladzijde over. Nachtbraken geblazen. Al met al leek moeders stemming op het weer in de zomer. Zo regende het en zo scheen de zon. Weersvoorspelling was onbegonnen werk.

Overdag ging het nog wel. Ik kon zien wanneer ze haar hand ophief en waar ze op mikte. Ik kon dan mijn hoofd tijdig beschermen, waardoor ze alleen mijn armen en rug bezeerde. Zo had ik wel pijn maar ik werd niet duizelig omdat mijn hoofd buiten schot bleef. ’s Avonds was het pas menens. Ik stelde mijn bedtijd steeds uit, bang om in slaap te vallen. Ze had namelijk last van slapeloosheid, maakte mij geregeld midden in de nacht wakker en ze sleepte mij uit de warme deken. Ik mocht geen jas en broek aandoen en moest kaarsrecht voor mijn bureau staan. Terwijl ik in mijn pyjama bibberde, pakte ze een boek, een pennenetui of een bezem, gewoon iets wat binnen haar handbereik lag, en mepte mij totdat ik op mijn knieën viel. Ik moest bekennen dat ik niet conscientieus genoeg had geleerd en dat ik geen braaf kind was. Zelfs hier raakte ik zoetjes aan gewend.

Brief

Wat mijn hart brak was het moment van ’s ochtends wakker worden. Het eerste wat ik deed was onder mijn hoofdkussen tasten, kijken of moeders afscheidsbrief eronder lag. Om de zoveel tijd trof ik er een brief verkruld door haar hete tranen. Lulu, schreef ze dan, mijn enige kind. Als je de brief leest, ben ik reeds in het hiernamaals. Ik heb je in deze wereld alleen achtergelaten omdat ik het verdriet niet meer aan kon. Je hebt met je slechte studieresultaten mijn vertrouwen in je en mijn zin in het leven aan diggelen geslagen. Wie je verder zal onderwijzen, is niet mijn zorg meer, maar Lulu, stel je toekomstige stiefmoeder niet meer zo diep teleur als je het bij mij hebt gedaan. Vaarwel. Je moeder.

Vanaf  de tweede keer dat ik zo’n brief onder mijn kussen vond, las ik hem niet uit en rende naar moeders kamer. Ik klopte op haar deur en huilde de ingewanden uit mijn lichaam. Ik haatte mezelf omdat ik haar de dood in joeg. Ik kon mezelf niet vergeven omdat ik een afschuwelijke leerling en stout kind was. Ik smeekte haar mij een laatste kans te geven. Als haar deur openging, hield ik haar voeten vast en beloofde haar me te beteren. Ik zou alles doen wat ze mij vroeg, als ze mij maar niet in de steek liet. Ik zou naast eten, poepen en slapen aan niets anders denken dan aan Russische werkwoorden en Tang-gedichten. Moeder zuchtte en liet mij de toezegging eindeloos herhalen.

Kletsen

Langzamerhand durfde ik niet meer te slapen noch wakker te worden. Ik durfde moeder niet meer aan te kijken noch aan te horen. Ik was bang als het winter werd, want dan moest ik ’s nachts in mijn pyjama bibberen. Ik was bang als het zomer werd, want dan droeg ik een bloes met korte mouwen. Als moeder mij een lesje leerde, rezen er subiet vijf vuurrode richels op mijn arm. In het begin wreef ik er nog aan zodat de opzwellingen sneller zouden inzakken, maar later bedekte ik met een zakdoek de rode plekken en hoopte dat ze lang intact zouden blijven. Weken, maanden en hopelijk jaren. Totdat vader weer plotseling voor de deur stond. Wedden dat moeder op haar donder zou krijgen? dacht en hoopte ik.

In voorzichtige bewoordingen liet ik aan oom Zhang doorschemeren dat moeder mij achter potdichte ramen en deuren afranselde. Hij keek mij verwijtend aan en meende dat ik uit mijn nek kletste. In zijn ogen was moeder een voorbeeldige vrouw. Ze besteedde al haar vrije tijd aan het onderwijzen van mij en aan het naaien en breien van mooie kleren voor mij, waardoor ik te boek stond als het best gekleed meisje van de klas. Welke andere moeder had zoveel voor haar dochter over, hè?

Wat mij wel opviel was dat sinds mijn zogenaamde geklets, oom vaker over de vloer kwam. Hij deed zijn best moeder op te beuren en bleef net zo lang totdat ze goedgemutst naar bed ging, met als gevolg dat ze er niet toe kwam om mijn huiswerk te controleren en mij dientengevolge in elkaar te rammen. Wat mij ook opviel was dat hij over zijn eigen moeder begon te vertellen. Hoe gelijkmatig haar temperament was en hoe ze hem op het rechte pad hield met zachte woorden en goede voorbeelden. Moeder scheen hem te begrijpen maar zodra hij ons huisje verliet, viel ze als het ware in een bodemloze put en haar enige houvast waren mijn haren. Ze trok eraan totdat ik in tranen uitbarstte, om genade smeekte en verbetering beloofde.

***

Associatie

Gisteren, toen ik in de Haagse duinen wandelde, was ik getuige van de paradoxale Moeder Natuur. De sneeuw verdween niet voor de zon en ik beefde in de kou. De zon straalde alleen licht uit maar geen warmte. Als ik echter eerlijk toegaf, kende de natuur geen paradox. Zoiets tegenstrijdigs bestond alleen in mijn hoofd. Ik associeerde de zon met licht en warmte en was derhalve teleurgesteld dat de sneeuw niet ontdooide terwijl de zon erop scheen. Op dat moment moest ik aan moeder denken. Ze associeerde oom Zhang met een bron van troost en levenslange gezelschap, iets wat hij niet voor haar kon zijn.

Oom Zhang kon alleen haar eenzaamheid tijdelijk verzachten, maar hij kon niet één met haar worden en zo blijven tot de dood hen scheidde, net als de winterse zon die alleen het besneeuwde landschap kon verlichten maar niet verwarmen. Door moeders associatie verwachtte ze iets van oom dat hij haar niet kon geven. Correctie, hij wilde het wel, maar ze liet het hem niet toe.

Jaren later hoorde ik via via dat oom Zhang pas ging daten toen mijn vader in Beijing terug was geplaatst, en dat oom Zhang pas ging trouwen toen ons gezin van moeders universiteit naar vlakbij vaders werkeenheid was verhuisd. Toen oom Zhang met een tante die ik niet kende het huwelijksbootje instapte was hij bijna vijftig. Al die jaren had hij op mijn moeder gewacht, net als toen hij drie uur lang in de wind en kou had gepost bij de ingang van het park Blauwe Bamboe.

Verwachting

Had moeder geweten oftewel aanvaard dat oom Zhang, net als de zon in de winter, haar alleen zonnestralen kon geven maar geen warmte, alleen tijdelijke gezelschap maar geen levenslange, zou ze kunnen genieten van zijn kortstondige nabijheid, en zou ik meer vrolijke herinneringen aan mijn jeugd kunnen overhouden. Als kind gaf ik de schuld aan die turbulente jaren, toen gezinnen om politieke redenen uit elkaar vielen. Maar nadat ik groot was en naar Europa emigreerde, merkte ik dat hier nog meer gezinnen uit elkaar vielen, zij het om andere redenen. Zo begreep ik dat het koesteren van misplaatste associaties en daarmee samenhangende te hoge verwachtingen bij de menselijke aard thuishoorde.

Menselijk hoefde niet natuurlijk te zijn. De Haagse duinen konden namelijk prima leven met het feit dat de zon de sneeuw niet kon doen verdwijnen. De sneeuw lag dus vredig bij en keek geboeid naar het spel tussen zijn witte vlokken en de rode zonnestralen. De bomen in de Haagse duinen vonden het evenmin erg dat ze niet konden bloeien wanneer de zon hen bescheen. Ze stonden er rustig bij en keken gecharmeerd naar de dansende lichtvlekken op hun bruine stammen en kale takken.

Hout of staal

De enige constante factor in mijn jeugd bleek, achteraf gezien, mijn afwezige vader te zijn, die mij kon onderwijzen noch straffen. Met zijn maandelijkse overmakingen kon ik privélessen nemen, naar grammofoonplaten luisteren en nieuwe kleren voor het Chinees Nieuwjaar dragen.

Na vaders terugkeer in Beijing ontdekte ik dat hij, net als moeder, ook een geleerde was. Hij had altijd ingenieuze oplossingen voorhanden als er problemen op ons pad kwamen en hij zat nooit verlegen om gevatte opmerkingen over elk onderwerp dat ik ook maar bedenken kon. Alleen was zijn reactie op wat ik deed of liet even onvoorspelbaar als die van moeder. Hij deelde wederom graag pakken slagen uit. Met het verschil dat hij wel eens de kleren van mijn lijf scheurde voordat hij mij bont en blauw beukte. Tegen moeder was hij evenmin altijd aardig. Als hij mot met haar had, vlogen potten en pannen door de lucht.

Ik had gehoopt dat vader voor mij in de bres zou springen als hij zou ontdekken dat moeder mij achter gesloten ramen en deuren afroste en mij met afscheidsbrieven de kast opjoeg, maar wat hij zei hielp mijn laatste hoop om zeep. Ons kind was een stuk hout, zei hij tegen moeder, en ze kon er alleen maar plank uit zagen. Onze Lulu was geen ijzererts, drukte hij haar op het hart, ze kon beter ophouden met proberen er een zwaard van te smeden. Dat zou haar een hoop ergernis schelen, volgens hem.

Meermalen speelde ik stiekem met het idee oom Zhang als mijn vader te zien. Hij was de rust zelve en verhief nooit zijn stem of hand. Maar ik was moeder niet en kon geen keuze voor haar maken. Meermalen speelde ik met het idee twee vaders te hebben. Dan kon oom Zhang moeder en mij te hulp schieten als vader door het lint ging. Dan kon vader het ei van Columbus aandragen als wij op problemen stuitten. Als kind meende ik dat dit moest kunnen, maar toen ik de volle wasdom bereikte, realiseerde ik me dat de liefde geen vijfde wiel aan de wagen duldde.

Later

Nu bijna een halve eeuw later stelde ik nog steeds de bedtijd uit, bang dat ik midden in de nacht wakker zou worden gemaakt. Ik voelde me nog steeds schuldig als ik een minuut stil zou zitten in plaats van door te werken. Mijn moeder was inmiddels een oude dame, sierlijk zoals vroeger en geleerder dan ooit. Ik hield van haar zoals ieder kind onvoorwaardelijk van diens moeder hield. Ik was haar dankbaar voor de discipline die ze in mij had geramd, waardoor ik was gekomen waar ik nu was.

Ik verweet moeder niet voor haar losse handjes omdat ik haar eindelijk begreep. Ze was amper dertig toen mijn vader naar Sichuan vertrok. Jarenlang moest ze mij alleen opvoeden terwijl ze gebukt stond onder voortdurende kritiek wegens haar vakkennis. Ze zocht naar troost en tederheid bij oom Zhang en vond die ook. Hij was haar vriendje en ze ging vreemd, als ik een hedendaagse term, die de lading in de verste verte niet dekte, moest gebruiken. Ze was gekweld door haar verlangen naar oom Zhang en ik diende, zonder dat wij het beiden in de gaten hadden, als een zwakke schakel en haar uitlaatklep.

Haar verdriet en frustraties deden mij beseffen hoe een buitenechtelijke relatie een mens parten kon spelen en diens dierbaren kon raken. Hierdoor liep ik in mijn eigen volwassen leven met een grote bocht om het mijnenveld van een driehoeksverhouding heen. Zo had moeder, wederom zonder dat wij het op dat moment in de gaten hadden, mij behoed voor het hartzeer dat ze zelf niet had kunnen ontlopen.

Ouderliefde

Ik had bewust gekozen om geen kinderen te nemen. Zo hoefde ik me niet schuldig te voelen dat ik de kinderen, die ik niet had, met mijn knokkels en afscheidsbrieven van onuitwisbare jeugdherinneringen voorzag. Ik was zo gewend aan moeders knokpartijen dat ik vreesde dat ik mijn eigen kinderen, als ik hen zou hebben, uit gewoonte ook het licht uit hun leven zou slaan.

Anders dan de natuur die het leven nam zoals het was, wilde menig mens meer dan in het vat zat. Mijn moeder wilde genegenheid met oom Zhang delen, maar ze kon het niet over haar hart krijgen om mijn vader dit aan te doen. Hoe kon ik haar dit kwalijk nemen? Hoe kon ik het menselijke kwalijk nemen? Als ik me kon verwonderen over de zon die alleen licht gaf maar geen warmte, kon moeder zich eveneens verwonderen waarom oom Zhang haar niet zowel momenten van vreugde kon geven als levenslang gezelschap kon houden. Zolang wij met onze gedachten en verlangens de natuur en het leven wilden omvormen, was het einde van onze droefenis zoek. Wij zouden er bevrijd van kunnen worden als wij de lauwwarme winterse zon zouden aanvaarden zoals hij was, en als wij van de reine sneeuw zouden genieten zolang het nog duren kon.

Na veel liefdesrelaties te hebben zien komen en gaan, kwam ik ten langen leste tot het besef dat de enige onvoorwaardelijke liefde hier op aarde die van kleine kinderen voor hun ouders was, en niet altijd andersom. Vermoedelijk omdat ik zelf geen moeder was en het onvermogen van ouders, ondanks hun beste bedoelingen, niet kende. Vermoedelijk ook omdat ik was blijven haken aan mijn kinderlijke verlangen naar de ouderliefde en nooit verder was gekomen om de volwassen liefde te omarmen. Een besef dat mij hoop geeft. Hoop op een begin met een schone lei in dit kersverse Chinees Nieuwjaar, wanneer ik het verleden jaar eens en vooral losliet.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>