Op hoop van zon, 10, Lulu Wang

Tellen

Een van mijn buren heeft in zijn voortuin een zilverberk. Elke ochtend als ik Boemeltje uitlaat, sta ik stil voor de boom. Terwijl mijn hondje met een poot omhoog zijn territorium afbakent met een druppeltje hier en een druppeltje daar, tel ik de bladeren die er nog aan de takken hangen. Elke dag zie ik door de boom meer grijze lucht en aan de boom minder bladeren. De overgebleven gele bladeren durven niet rustig te zitten en trillen op de wind. Ik hoor hen al denken. Zolang ze dit blijven doen, zouden ze misschien niet van de boom afgescheiden hoeven te worden.

Boemeltje schijnt mijn gedachten te lezen en ijsbeert binnen het territorium dat hij met zijn druppels heeft uitgestippeld en wacht braaf op mij. Zo kan ik de tijd nemen om de berk met mijn ogen te beminnen. Mijn blik glijdt langs de dikke, rechte stam en stopt bij iedere bruine knoest op de witte bast. Dan bloos ik en draai mij om. Sommige knoesten lijken sprekend op mensenogen, die diep in mij kijken. Wat als ze in de gaten krijgen dat ik de boom zonder hem om toestemming te vragen visueel liefkoos?

Gelukkig ben ik niet de enige zonder gêne. Velen van mijn buren lopen langzamer wanneer ze deze boom passeren. Moeder Natuur moest in haar nopjes zijn toen Ze de zilverberk schiep. Zelfs in zijn kale staat verblindt deze boomsoort onze ogen met zijn schoonheid. Welke kunstenaar kan zo’n kleurencombinatie nadoen? Witte bast, bruine knoesten en gele blaadjes onder de zilveren hemel die oranje gestreept wordt door de eerste zonnestralen.

Hechten

Juist, blaadjes. De grote bladeren zijn allang weggevallen. Alleen de kleinere exemplaren hechten zich coûte que coûte aan de takken vast. Iedere ochtend, wanneer ik de resterende blaadjes tel, vraag ik me af waarom het zo is. Fysisch gezien is het uit te leggen. Grote bladeren vangen meer wind en kunnen zich tijdens een storm minder goed handhaven. Ik wil echter een menselijke verklaring.

Vanochtend liet ik Boemeltje thuis. Hij keek mij met zijn trouwe hondenogen aan, opende zijn mond maar hield zich op het laatste nippertje in. Zo vroeg op de dag wilde de lieverd de buren niet uit hun slaap blaffen. Zonder hem tekst en uitleg te geven waarom ik hem niet mee wilde nemen voor een wandeling, rende ik naar de zilverberk, een paar meter verderop in de straat. Daar stond ik, verzonken in gedachten.

De blaadjes aan de takken waren nog maar op één hand te tellen. In de vale ochtendgloed en onder de zweepslagen van een rukwind beefden ze als een rietje, die gele, dunne, frêle wezens. Desondanks klampten ze zich aan de takken vast. Oftewel, desondanks lieten de takken de blaadjes niet los, al moesten de takken dieper en dieper voor het gierende natuurgeweld buigen, waardoor ze haast doormidden braken. Ineens zag ik het licht.

Uitstellen

Als de relatie tussen grote bladeren en hun takken eentje van liefde is, dan is die tussen kleine bladeren en hun takken eentje van onmogelijke liefde. De grote bladeren en hun takken raken op elkaar verliefd, worden één en breiden zich uit, met hun nageslacht als klap op de vuurpijl. Kleine bladeren en hun takken zijn slechts samen in hun mooie dromen. Hun verlangen naar elkaar groeit met de dag, terwijl de kans op hun eenwording met de dag inkrimpt.

Het leven gaat door, of onze droom uitkomt of niet. In de herfst van hun leven moeten bladeren afscheid van de boom nemen, zo staat het zwart op wit in het wetboek der natuur. Grote bladeren en hun takken kunnen terugkijken op een gelukkige tijd samen en ze zeggen met vrede in het hart vaarwel tegen elkaar. Kleine bladeren en hun takken willen echter het moment van vaarwel zo lang mogelijk uitstellen. Al weten ze dat in dit jaargetijde van hun bladerenbestaan het verlangen naar eenwording geen kans op vervulling meer maakt, ze proberen uit alle macht bij elkaar te blijven. Innig houden ze elkaar vast en verkeren willens en wetens in de waan dat, als ze hun ogen sluiten voor de nietsontziende wervelwind van werkelijkheid, ze alsnog hoop, hoe gering ook, op de liefde, hoe kortstondig ook, hebben. En hoop doet leven.

Ik prees mezelf gelukkig dat ik Boemeltje thuis had gelaten. Ook voor dit beestje zou ik me hebben geschaamd als hij mij een traantje weg zou zien pinken. Ik kruiste mijn vingers en bad tot de opkomende storm. Of hij zo genadig zou zijn om zijn geplande ravage een paar daagjes later te verrichten. Pas toen ik stond te bidden, realiseerde ik me dat vlak voordat een blaadje ter ziele ging, valse hoop ook doet leven.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

 

Op hoop van zon, 9, Lulu Wang

Ik ben een grapjas. Of beter gezegd, een grapjurk? Misschien nog beter, ik ben een plaagjurk. Zo luidt een zin uit mijn vijftiende boek Nederwonderland, ‘Er zijn drie soorten weer in Nederland. Een, het regent. Twee, het waait. Drie, het regent én waait.’

Huisje op zee

Werkelijk, de duivel schijt altijd op dezelfde hoop. Alsof het nog niet erg genoeg was dat het in de herfst vaker donker, koud en regenachtig is dan wat anders, het waait ook de hemel en aarde door elkaar. Vooral daar waar ik woon, amper achthonderd meter van het Haagse stukje van de Noordzee vandaan, moet men een schoon geweten hebben. Anders zou men denken dat het straf Gods is, want om de paar dagen is het zover.

Dan rolt de zee zich uit en vormt schuimbekkend een kuil, net een reuze python die het strand ratelend aanvalt en probeert op te slokken. De zee lijkt uitgehongerd te zijn en raast landinwaarts met zo’n vaart dat de lucht trilt, de grond beeft en de wind giert. Overdag gaat het nog wel, want ik word afgeleid door mijn werk, maar ’s nachts, als ik in bed lig, voel ik des te meer de woeste vloed en zijn even verwoede companen. Mijn slaapkamer lijkt te schokken op het onstuimige ruime sop. Mijn raam lijkt te kreunen onder windvlagen en regeninslag die het, zo goed en zo kwaad als het gaat, buitenshuis tracht te houden.

Dan verstop ik met vingers mijn oren en bedek ik met een deken mijn hoofd. Godvrezend  doorzoek ik mijn geweten. Heb ik iets verkeerds gedaan waardoor het zilte nat kwaad is op mij? Al weet ik dat mooi weer geen beloning voor mijn deugd noch storm straf is voor mijn zonde, ik kan me met geen mogelijkheid voorstellen dat de zee zomaar ziedend wordt. Er moet een reden zijn, maar wat?

Teken van leven

Het voordeel van angst en beven is dat als ze mij voldoende lang in de tang houden, ze een onmisbaar onderdeel van mijn leven worden. Onmisbaar omdat als ik voor de verandering niet in bed bibber, ik me afvraag welke fout ik heb begaan waardoor het ruime sop opgehouden is boos op mij te worden. Juist, ik ben inmiddels gewend geraakt aan de drie soorten weer die Nederland Nederland maken. Zo gewend dat ik het nut van de storm inzie.

In het voorjaar bruist het van leven. IJs ontdooit. Wormen ontwaken uit de winterslaap. Grassprieten kruipen uit de grond. Bloemen springen uit de knoppen. Bladeren kruipen uit de katjes. Vogels zingen uit volle borst. De zon schijnt. De maan schittert.

In het najaar, daarentegen, vriest het. Wormen verhuizen ondergronds. Gras vergeelt. Bloemen verwelken. Bladeren verdorren. Vogels verstommen. De zon verschuilt zich  achter wolken. De maan laat verstek gaan. Waar wij ook naar kijken, zien of horen wij weinig teken van leven.

Blazen en brouwen

Moeder Natuur laat regen vallen en wind oplaaien. Ze laat golven stijgen en zeeën schuimen. Zo blaast Ze meer leven in de brouwerij, anders zou de aarde een maanlandschap vertonen en zou onze dag de film The Day After naspelen.

Noem gerust mijn verzoening met het slechte weer in het Nederlandse najaar een schoolvoorbeeld van het Stockholmsyndroom. Dankzij mijn ‘afwijkende’ opvatting van de storm kan ik volop van de herfst genieten, ook al regent het dat het giet, ook al waait het dat dakpannen ervan rondvliegen, ook al klutst de wind alles wat los en vast zit door elkaar. Dankzij de storm blijf ik wakker in dit anders doodstille jaargetij. Zolang wij wakker blijven, kunnen wij leven op hoop van zon.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>