Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbij gaat, 14, Lulu Wang

Lulu en haar vrienden wensen iedereen het allerbeste toe in dit gloednieuwe jaar!

Sneeuw

Een week geleden sneeuwde het. Toen ik mijn ochtendwandeling in de Haagse duinen maakte, figureerde ik als het ware in een zwart-witfilm die ook nog een stomme was. Behalve de grijze hemel en de boomstammen die zo donkerbruin waren dat ze zwart leken, was alles wit. Behalve de golven die in de verte gonsden, was het ongewoon stil. Raven vlogen van tak tot tak, maar ik hoorde ze niet kraaien, zelfs één keertje niet; waar ik liep, verbrijzelden mijn schoenen de harde korst van de zachte sneeuw, maar ik hoorde de korst niet kraken, zelfs zachtjes niet; een wervelwind deed de sneeuw oplaaien en liet zodoende brede, witte vegen in het grijze luchtruim achter, maar ik hoor de wind niet gieren, zelfs met mijn oren gespitst niet.

De poreuze sneeuw nam alle geluiden op en bewaarde ze in zijn cellen. Als ik er een microfoontje in zou steken en het aan luidsprekers zou koppelen, zou ik alle geluiden terug kunnen horen. Het kraaien van de raven, het verbrijzelen van de ijskorst en het gieren van de wind.

Spreuk

Een dag later trok ik sneeuwlaarzen aan. Zo hoefden mijn joggingschoenen niet meer nat te worden, anders zouden mijn voeten weer een uur lang in ijskoud water zwemmen. Een voorzorgsmaatregel die overbodig bleek te zijn. Het was gedaan met de zwart-witfilm. De film met alles erop en eraan was hervat, met kleuren, klanken en al.

Ik had goed opgelet. De dag daarvoor was er geen straaltje zon te bekennen. De uitdrukking als sneeuw voor de zon verdwijnen klopte niet helemaal. Wat wel zo was dat het de dag daarvoor minder koud was. Moest de uitdrukking niet luiden als sneeuw voor de zon of de warmte verdwijnen? Daarmee was nog niet alles gezegd. De grond onder mijn voeten veerde een beetje, vanwege het water dat hem deed uitdijen. Juist, de sneeuw was niet verdwenen maar van vaste tot vloeibare stof overgegaan. Moest de uitdrukking niet luiden als sneeuw voor de zon of warmte in iets anders veranderen? Of de zegswijze er mooier op werd, was een tweede, toegegeven.

Moeder Natuur tovert zo snel met sneeuwen en smelten dat wij haast niets van de overgang van de ene vaste tot de andere vloeibare stof merken. Zouden wij daarom menen dat de sneeuw kan verdwijnen?

Het Leven is ook een tovenaar. Het laat liefde en haat zo geruisloos in elkaar overvloeien dat wij menen dat ze twee gescheiden zaken zijn, terwijl ze uit hetzelfde H2O bestaan. Zo kan haat bevroren liefde zijn en liefde ontdooide haat. De zon of de warmte die de haat doet smelten kan tederheid of gewoon het verstrekken van de tijd zijn, hun combinatie is ook een optie.

***

Klas

Toen ik vijftien was, hoefde ik alleen maar uit te kijken voor kwajongens als ik op straat liep. Toen ik zestien was, zat ik in een klas met een flink aantal kwajongens. Elke minuut van mijn schoolleven was ik dus blootgesteld aan hun pesterij. Lan was ingedeeld in een andere klas, waar kwajongens niet de boventoon voerden. Ik had de meester een paar keer gevraagd of hij mij alstublieft naar Lans klas over zou plaatsen. Telkens kreeg ik te horen dat het niet goed voor mij zou zijn. Had hij geen betere smoes kunnen verzinnen? Maar zijn woord was wet.

Tijdens de les ging het nog wel, maar zodra de bel voor de pauze ging, brak de hel los. Meisjes giechelden en kwajongens brulden van het lachen als ze mij van de zitplaats zagen opstaan. Dan rende ik naar Lan, die in het lokaal naast het mijne zat. Gauw draaide ik me om en liet haar mijn rug controleren. Ervaring leerde mij dat een van de pestkoppen die achter mij zat tijdens de les stiekem een of andere streek had uitgehaald. Bijvoorbeeld, hij had zijn vulpen heen en weer geschud, waardoor de achterkant van mijn jas inktvlekken had gekregen. De ene dag waren het zwarte vlekken en de andere dag blauwe. Variatie moest er zijn, anders zouden mijn overige klasgenoten het niet meer lollig vinden. Of iemand had een papiertje op mijn rug geplakt, waar vuilbekkerij op stond, niet zelden met taalfouten erin.

Schoolbord

Ook voordat de schooldag begon, waren mijn zenuwen strak gespannen. Ik zorgde ervoor elke ochtend als eerste het leslokaal te bereiken. Dan controleerde ik het schoolbord. De kans bestond dat daar ook obsceniteiten over mij op stonden. Bij voorbeeld, ‘Lulu is een vuile hoer’. Werkelijk, ik wist niet eens waar een baby vandaan kwam! In die turbulente jaren was schoonheid naast politiek incorrect – die zou de strijdlust van het volk de wind uit de zeilen nemen – ook hoerig. In Frankrijk gold het Les belles femmes sont infidèles, in China was het destijds een graadje of tien erger.

Als ik dergelijke scheldwoorden op het bord aantrof, veegde ik ze haastje-repje weg. Daarna ging ik braaf op mijn plaats zitten en wachtte tot de klas volliep. Ik durfde geen vin te roeren, want de reacties van de kwajongens waren zo onvoorspelbaar als aardbevingen in Japan. Iedere kleine beweging kon hen aanzetten om mij te bespugen of de vuilnisbak over mij te legen.

Een stap verder

Op zich was het voor mij vol te houden, temeer omdat ik had leren berusten in mijn lot. Het probleem was alleen dat de kwajongens dit langzamerhand in de gaten kregen. De streken die ze dan bedachten werden hoe langer hoe wreder.

Op een dag haalde een kwajongen in de pauze iets bruins en wiebeligs uit zijn schooltas en zwaaide er voor mijn gezicht mee. Ik sloot mijn ogen en hoopte dat hij er zoetjes aan genoeg van zou krijgen en ermee op zou houden. Opeens voelden mijn wangen iets kouds, stijfs en wolligs en ik opende onmiddelijk mijn ogen. Een dode muis! Ik ging zowat van mijn stokje, maar ik durfde het niet uit te gillen. Ik was geboren met een politiek incorrect uiterlijk en mijn moeder was een heropgevoede intellectueel. Een erfzonde waar ik voor moest boeten.

Hoe gek het ook klonk, ik haatte de pestkoppen niet. Ik gaf hen niet eens de schuld. Zij hielpen mij mijn zonde af te kopen. Wat had ik nog te klagen? Tot op een dag iets in mij knakte.

Zonder pardon

De bel voor de pauze ging. Snel rende ik het leslokaal uit, op zoek naar Lan in de kamer naast de mijne, zodat ze de achterkant van mijn jas kon bekijken. Ineens hoorde ik een snerpend geluid. Direct daarop sneed iets in mijn rug. Ik draaide mij om en zag een kwajongen met een grijns op zijn gezicht voorzien van een loopneus. Ik keek omhoog en goede genade! Hij hield een leren zweep in de hand en genoot van het juichen om hem heen. Jongens klapten in de handen en meisjes bedekten met de hand hun mond, grosso modo half uit afgrijzen en half uit leedvermaak, maar als het een kwart uit afgrijzen en driekwart uit leedvermaak was, zou het me evenmin verbazen. Nu krijg wat je wat je toekomt! zeiden hun blikken tegen mij.

De pestkop nam een stap terug, boog zijn benen en zwaaide nog harder met de zweep. Alles wees erop dat hij zich klaarmaakte om mij weer te slaan. Ditmaal op mijn gezicht. De omstanders applaudisseerden nog hartstochtelijker. Ik wilde vluchten, maar mijn onderstel was loodzwaar geworden. Ten einde raad smeekte ik hem met mijn ogen om genade. Toen hij mijn blik ontmoette, trilde zijn arm even. Hij begon te aarzelen, maar toen hij de klasgenoten om hem heen hoorde, knarste hij zijn tanden en opeens, voelde ik als het ware een mes in mijn gezicht.

Lan

Gauw beschermde ik met beide armen mijn hoofd en barstte in huilen uit, voor het eerst in de aanwezigheid van een pestkop en zijn bewonderaars. Het kon mij niets meer schelen of hij mij door het vertoon van verdriet en verontwaardiging nog erger zou straffen. Het kon mij zelfs niet meer schelen of ik zou sterven aan een brandende pijn, die als een lopend vuur van mijn gezicht naar de rest van mijn lichaam reisde, vooral naar mijn brein. Ik was dit leven moe.

Terwijl mijn klasgenoten dubbel lagen van het lachen, sleepte ik mezelf op loodzware benen naar het damestoilet. Ik liet mijn vingers voorzichtig over mijn gezicht gaan en voelde een richel rijzen, die met de minuut hoger, dikker en langer werd. Toen mijn tranen er overheen rolden, veranderde de brandende pijn in een prikkende. Ik keek in de spiegel boven een wastafel en werd de wanhoop zelve. Al vond ik mijn uiterlijk een vloek, ik vreesde met grote vreze dat ik van de bloedstrepen littekens over zou houden. Ik zakte op mijn knieën en bad tot Boeddha om redding.

Lan stormde het toilet binnen. Zo te zien had het nieuws over de ‘heldendaad’ van de kwajongen haar klas bereikt. Ze zag mij en barstte ook in snikken uit. Ik krabbelde gauw van de grond op. Niets aan de hand, ging ik haar troosten. Ik zou snel beter worden. Bovendien, probeerde ik haar en vooral mezelf te overtuigen, deze keer zou de meester mij eindelijk naar jouw klas overplaatsen. Reken er maar op!

Van de meester moest ik als een haas naar de dokter. Daarna mocht ik de lessen overslaan en direct naar huis. Rust maar goed uit, drukte hij mij op het hart. Lan was niet gezweept en mocht van haar meester mij niet vergezellen naar het ziekenhuis. Ik kreeg van de arts een reprimande dat ik voortaan uit moest kijken als ik onder een boom liep en een zalfje, dat net als mijn tranen, prikte.

Toen moeder van haar faculteit thuiskwam en mijn verse wond zag, legde ik haar uit dat een dikke boomtak op mijn hoofd was gevallen. Moeder lag te pas en te onpas onder vuur, vanwege haar kennis en wetenschap, die wederom politiek incorrect waren. Ik wilde haar niet nog meer belasten met zorgen over mij. Daarom zweeg ik categorisch over wat er op school dagelijks met mij gebeurde, de ene keer verdraaglijker dan de andere keer.

Bureaugenoot

De dag daarna ging ik fluitend naar school. Met witte zalf op mijn gezicht, dat grotendeels bedekt lag onder een sjaal om mijn hoofd. Ik was er heilig van overtuigd dat de meester tegen mij zou zeggen, Lulu, ga naar het leslokaal hiernaast. Daar zit je veilig. Inderdaad, het eerste wat de leraar deed toen hij de kamer binnentrad was mij apart nemen. Mijn hart sloeg een slag over en ik vergat al mijn pijn en droefenis. Lulu, zei hij tegen mij, vanaf vandaag zit Sheng naast je.

Ik zag zwart voor ogen. Daar ging mijn laatste straaltje valse hoop. Sheng was degene die mij de dag daarvoor met een zweep bewerkte, die vroeger met een dode muis voor mijn ogen zwaaide en die de vuilnisbak over mij heen kieperde. Vond de meester soms dat ik nog niet voldoende was toegetakeld? Of was hij ook een pestkop, maar dan in grote-mensenformaat? Ik durfde geen nee tegen hem te zeggen en knikte mijn hoofd. Per slot van rekening was hij de enige in de klas die, als het water mij tot de lippen kwam, het min of meer voor mij opnam. Als hij mijn ongenoegen over zijn besluit zou merken, zou hij mij voortaan als een baksteen laten vallen, was mijn vermoeden.

Ik hield mijn lippen strak en mijn adem oppervlakkig toen Sheng triomfantelijk naast mij plaats kwam nemen. De hele les zat ik zo, net een blok hout. Van wat de leraar Chinese grammatica en literatuur vertelde had ik geen woord verstaan. De hele tijd dacht ik aan één ding. Sheng was geen kwajongen of pestkop meer, maar een wreedaard. Voor het eerst in mijn leven haatte ik een klasgenoot, die vanaf nu mijn bureaugenoot was.

Grens

Ik piekerde en piekerde, als een rat in een tredmolen, maar ik kwam er niet uit. Wat bezielde Sheng toch? Voelde hij zich zo geroepen om mij vanwege mijn politiek incorrecte gezicht en moeder te tuchtigen? Hij nam niet eens de moeite om de twee rijen snot van zijn smoel te vegen noch zijn jas te wassen die zo stijf als een harnas was vanwege etensresten en overig vuil gebonden door zijn zweet, maar hij bespaarde tijd noch moeite om mij tot de rand van de afgrond te drijven.

Du moment dat ik de dag daarvoor en plein public in snikken uitbarstte kwam in mij een omslag. Nu Sheng zelfs mijn gezicht durfde open te krassen, had ik niets meer te verliezen. Of ik huilde of niet, of ik gilde of niet, of ik mijn droefenis en boosheid liet zien of niet, mij afranselen deden Sheng en de zijnen toch, dat gespuis in spe.

In de pauze ging ik naar het schoolbord en leende een stuk krijt van de meester. Daarmee trok ik een witte vertikale streep op het bureau dat Sheng en ik deelden. De linkerhelft was van hem en de rechterhelft van mij. Als hij het in zijn kop haalde om met zijn voorpoot de grens over te steken, zou ik als een speenvarken krijsen, was ik voornemens. Naar medelijden van mijn klasgenoten en genade van Sheng kon ik fluiten. Dus waarom zou ik het verdriet en de pijn voor mezelf houden? Die zou ik moord en brand schreeuwend evenredig over de klas verdelen.

Voortzetten

Al stond Sheng bekend als huiswerk-weigeraar – hij begreep niets van alle vakken behalve gymnastiek, met name het onderdeel granaatwerpen – hij was niet van gisteren. Nu hij van mij niet met zijn hand over de grens mocht, kwam hij met een alternatief. Terwijl de leraar Engels de verbuiging van ongewone werkwoorden zoals ‘read’ en ‘set’ uitlegde, stootte hij met zijn elleboog tegen de mijne. Ik kon hem niet openlijk halt toeroepen, anders zou ik de les verstoren. Daarom schoof ik mijn stoel steeds verder van hem vandaan, totdat ik bijna midden op het gangpad tussen onze rij tafels en die naast ons zat.

In de pauze ging ik weer naar het schoolbord voor een stuk krijt. Ik trok een witte lijn ook op de vloer onder onze stoelen. Beschikte ik over bakstenen, dan had ik een Grote Muur tussen ons gemetseld. Sheng zag mij als een bezetene bezig en grijnsde. Hij wiebelde met zijn benen en humde een liedje. Hij zong zo vals dat ik spijt kreeg dat ik oren had.

Onze stille strijd duurde voort. Dagen en weken gingen voorbij en nog lukte het Sheng om nieuwe trucjes uit te vinden opdat hij de grens ‘terecht’ kon negeren. Zo leunde hij tijdens de les met zijn hoofd op mijn schouder, nadat ik hem te kennen had gegeven dat hij zijn elleboog thuis moest houden. Of krabbelde hij een vies Engels woord – fout gespeld, vermeld ik ten overvloede – op mijn notitieblok, nadat ik zijn vingers ervan weg had geduwd.

Extra les

Moeder had er druk mee. Maandag bracht ze mij naar oom Liu, die mij vioolles gaf. Dinsdag ging ze met mij mee naar tante Shen, die mij extra les in Engels gaf. Slechts woensdag had ze vrij, want oom Zhang die mij leerde dichten woonde in hetzelfde flatgebouw als wij, alleen een verdieping hoger. Ik ging daar zelf wel heen. Donderdag zat moeder met mij bij oom Zhao, die mij een extra portie aardrijkskunde voorschotelde. Vrijdag gaf ze mij zelf les, in Europese geschiedenis, een vak dat op school was afgeschaft. De leerboeken ervan waren namelijk verouderd, nog niet herschreven volgens het nieuwe gedachtegoed van het turbulente tijdperk waarin wij leefden.

Deze ooms en tantes waren moeders collega’s op de universiteit. Ze schaamden zich niet voor elkaar. Ze waren allen heropgevoed. De ene in een lichting eerder en de andere in een lichting later. Wie moest op wie neerkijken, nietwaar? Integendeel. Ze hielpen elkaars kinderen, in de hoop dat wanneer de turbulentie erop zat, hun tweede generatie met de kennis en wetenschappen die ze privé hadden verworven een streep op andere kinderen voor hadden en dus een betere toekomst. Ze konden wel eens gelijk hebben, moest ik toegeven. Op school leerden wij eerder politiek correcte slogans te lezen, schrijven en uit te roepen dan wat anders. Zaterdag werd ik evenmin met rust gelaten. Ik moest thuis kalligrafie oefenen.

Fransman

Alleen zondag mocht ik buiten spelen. Moeder maakte boterhammen klaar. Deze namen wij in een mand mee om ze op te eten onder de stokoude dennenbomen van een klooster niet ver van ons vandaan. Picknicken, heette het, romantisch, volgens haar. Ik vond er niets aan, maar ze liet mij een lijvig boek zien, waar een schilderij door een Fransman in stond. Hun picknick zag er inderdaad sprookjesachtig uit. Alleen waren de heren al warm aangekleed en de dames nog niet aangekleed.

Het punt was alleen dat moeder en ik onder bomen zaten die behangen waren met strijdvaardige slogans zoals ‘Sla de hondenhersenen in van revisionisten die en die’. De ramen en deuren van het klooster waren door politiek correctelingen dichtgetimmerd. De monniken waren naar wist ik waar verdreven. De boterhammen die wij naar binnen werkten waren belegd met slechts een stukje gepekelde koolrabi. Geen kruimel romantiek te proeven, als het aan mij lag.

Nou ja, op zondag hoefde ik niet naar ooms en tantes noch feitelijkheden in mijn hoofd te stampen. Dat was wel leuk. Ik maakte nog meer leuke dingen mee, daar onder de oude bomen in het stilgelegde klooster. Moeder vertelde mij dingen die niet in mijn schoolboeken stonden. Zo zei ze tegen mij dat ik niet raar op moest kijken van de turbulentie die er heerste. Ook Europa met zijn mooie schilderijen kreeg er om de zoveel tijd mee aan de stok. Zo had die binnen een halve eeuw twee stuks turbulentie achter elkaar gehad, waar ook de rest van de wereld in was gerold. Vandaar de naam ‘wereldoorlog’. Op deze manier leerden volwassenen van hun fouten en de vrede op waarde te schatten, net als kinderen die door vallen en opstaan leerden lopen. Moeder had het ook over de Tachtigjarige Oorlog. Toen ik dat voor het eerst hoorde, snapte ik het niet. Hoe konden landen vijandigheid jegens elkaar acht decennia lang warm houden?

Ontdekken

Weken later, dankzij mijn onvermoeibare stille strijd met Shen, kreeg ik daar begrip voor. Want alles wende, ook rancune. Ik raakte er zo gewend aan dat het mijn tweede natuur werd. Als Sheng zong, vond ik hem vals zingen. Als hij lachte, vond ik hem grijnzen. Als hij zijn hand optilde, bedekte ik mijn hoofd. Als hij in de pauze van zijn stoel opstond, rende ik voor mijn leven. Als hij iets uit zijn tas haalde, sloot ik mijn ogen – hij wilde mij zeker weer met een dode muis de stuipen op het lijf jagen. Door het automatisme hoefde ik niet meer na te denken, wel een opluchting.

Dankzij die gewenning ontspanden mijn zenuwen zich trapsgewijs. Ik kon erdoor weer normaal zien en horen. Het viel mij op dat Sheng naar school kwam enkel en alleen voor de pauzes. Tijdens de les trok hij aan de losse draadjes van de mouwen van zijn versleten trui, waardoor zijn mouwen zienderogen korter werden. Of rolde hij zijn leren zweep op en uit. Hij herhaalde de handeling totdat hij er moe van werd. Dan vouwde hij zijn armen op, legde ze op zijn deel van de tafel, verborg er zijn hoofd in en snurkte, net een volgevreten varken dat lag uit te buiken. Had hij soms de klok ingeslikt? Want vlak voor de bel voor de pauze werd hij steevast vanzelf wakker. Dan droogde hij de kwijl op zijn mondhoeken af, streek zijn trui vol gaten glad en draaide met zijn nek. Zodoende schudde hij zijn spieren los en bereidde zich voor om zijn titel ‘vechtersbaas van de klas’ voor de zoveelste keer te verdedigen.

Twee jongens in de clinch

Op een dag hoorde ik in de pauze Sheng met een andere kwajongen ruzie maken. Ze hadden nauwelijks twee scheldwoorden met elkaar uitgewisseld of ze gingen op de vuist. Toen de andere jongen het onderspit dreigde te delven, pakte hij een los draadje van Shengs trui beet en trok ermee de gang in, het leslokaal uit en het schoolplein op. Sheng volgde hem op de voet. Hij moest wel, want hij had de trui nog aan. Onderweg maakte hij luidkeels de hele familie en aangetrouwde van de andere jongen uit – afhankelijk van hun geslacht – voor hoeren of hoerenlopers.

Totdat Sheng door de bel was gered. Hoe graag ze de strijd ook tot het bittere einde wilden voeren, als ze niet op tijd naar het leslokaal terug zouden keren, zou de meester hun ouders op het matje roepen. Dan was ons onderwijsgebouw te klein. Ik had een keertje Sheng door zijn vader zien tuchten. Alle hoeken van het gebouw had Sheng gezien, met een bloedneus plus een bultenhoofd. Zo hardvochtig als hij was, in de vuistenregen van zijn vader kon hij zijn tranen niet binnenboord houden.

Vastknopen

Tijdens de les die erop volgde scheurde ik een blaadje van mijn notitieblok af. Daarop schreef ik, ‘Ik weet hoe de losse draden vastgeknoopt kunnen worden’. Dit papiertje schoof ik over de grens naar Shengs deel van de tafel. Geen idee wat mij bezielde, maar ik kon niet aanzien dat hij tijdens de volgende pauze weer vanwege zijn trui zou worden gepest. Ik vond die andere jongen laf. In plaats van een eerlijke krachtmeting aan te gaan, maakte hij misbruik van Shengs armoede. Die geniepigerd. Sheng kennende zou hij, zodra de bel ging, op de andere jongen afstormen. Het zou een barbaarse wraakactie worden. Zonder meer. Om dit te voorkomen was ik bereid om voor het eerst in mijn schoolleven iets te doen wat niet mocht.

Sheng had de zin op mijn briefje zeker tien keer herlezen. Toch wilde hij niet geloven wat ik hem had aangeboden. Tijd verstreek. Er was maar een kwartier over voordat de pauze begon. Ten einde raad nam ik een pen en stootte er zijn rechterarm mee. Toen pas viel bij hem het kwartje. Hij reikte mij eerst zijn rechtermouw aan, onder de tafel, wel te verstaan. Ik keek straal vooruit, alsof ik naar de leraar zat te luisteren, maar ondertussen knoopte ik, eveneens onder de tafel, op het gevoel af de draden aan elkaar. Toen het was gedaan, repareerde ik zijn linkermouw. Zo maakte ik Sheng klaar voor de volgende confrontatie, die hij – wedden? – niet kon laten.

De bel ging. Ik zag die andere jongen holderdebolder de kamer verlaten, zeer verstandig. Want als Sheng iemand een lesje wilde leren, kon men straks de betrokken persoon met een bezem en blik van de vloer vegen. Een minuut voorbij. Twee minuten. Sheng maakte nog steeds geen aanstalten om op te staan en tot actie te komen. Ik keek opzij en zag hem wezenloos voor zich uitstaren. Ditmaal vond ik hém laf. Wat mankeerde hem toch? Moest hij die andere jongen niet gaar meppen opdat hij Sheng excuses aanbood?

English

Nu mijn zenuwen trapgewijs ontspanden, hoorde ik weer normaal. Het viel mij op dat Shengs stem twee verschillende volumen kende. Als anderen hem hoorden, kon hij geen woord zonder brullen en vloeken zeggen. Dusdanig dat zodra hij zijn mond opendeed, mijn haren te berge rezen. Als hij echter met mij praatte, boog hij zijn hoofd opdat niemand anders zijn lippen zag bewegen, en hij sprak heel zachtjes. Alleen ik kon hem verstaan. Zo vroeg Sheng mij eens onder vier ogen waarom het woord ‘English’ ‘de Engelse taal’ betekende, terwijl het ‘de Engelse geschiedenis’ inhield.

Ik hoorde het in Tokio donderen. Sinds wanneer wilde Sheng wat leren? Inderdaad, vaak was het zo, als een Chinees ‘English’ uitsprak, het klonk als Yingguo lishi – de Engelse geschiedenis. Veel van mijn klasgenoten gebruikten de klanknabootsing om de even moeilijke als vreemde taal van buiten te leren.

Direct na thuiskomst, pakte ik het leerboek Engels aan. Ik werkte tot diep in de nacht en vertaalde volgens de klank alle Engelse woorden op de eerste twintig bladzijden van het boek in het Chinees. ‘Book’ werd dan buke – bijles geven. ‘Wood’ werd wude – bedekt zijn. ‘Lamp’ werd liangbu – veel licht, hè? ‘Telephone’ werd telefeng – daar word je dolblij van. Enzovoorts.

De ochtend daarna overhandigde ik de lijst aan Sheng. Toen hij met behulp ervan een paar moeilijke Engelse woorden moeiteloos kon uitspreken, hield hij zijn hoofd zo laag mogelijk opdat anderen zijn gezicht niet konden zien en hij lachte. Ik had goed uit de doppen gekeken. Ditmaal grijnsde hij niet, maar hij lachte, echt. Wij spraken af dat ik de komende dagen de Engelse woorden van de rest van het leerboek in kaart zou brengen. Als hij de lijst uit het hoofd zou leren, zou hij misschien een voldoende voor de volgende toets halen. Hij knikte en lachte opnieuw.

Inkopen

De euforie duurde maar een week. Op een blauwe maandag vertelde Sheng mij dat zijn vader niet eens zijn eigen naam kon schrijven. Nu Sheng zijn naam ook in het Engels kon spellen, was hij tevreden. Hoe moest hij verder? vroeg ik hem. Net als hij, praatte ik zachtjes. Anderen hoefden ons gesprek niet te volgen. Hij wilde de komende twee schooljaren uitzitten, vertelde hij. Dan zou hij de eerste in de familie zijn met een diploma voor de middelbare school. Opeens zag ik het voordeel van de turbulente jaren in. Iedereen kon afstuderen, tenzij iemand een ernstig delict had gepleegd of iets had gezegd dat niet door de ideologische beugel kon.

Herfst eindigde. Winter begon. Het Chinees Nieuwjaar naderde. Winkels werden hoe langer hoe voller. Bomvol. Moeder en ik wisselden elkaar af en stonden om beurten uren in de rij. Dat was hét moment van het jaar om onze voedselbonnen in te ruilen voor een pond vis, een kilo vlees of twee kilo botten voor de soep. Dat was ook een van de spaarzame momenten van het jaar dat wij een mandje appels of peren konden inslaan. Hoe bescheiden ons menu voor de rest van het jaar ook oogde, wij moesten en zouden een uitgebreid Nieuwjaarsdiner op tafel zetten. Niet alleen werd onze tong verwend maar ook ons lijf. Moeder maakte van haar oude rok een nieuwe jas voor mij. Iedereen moest namelijk iets nieuws aantrekken. Alleen zo konden wij op een behoorlijke manier het nieuwe jaar ingaan.

En plein public

Er bleven nog maar vijf daagjes over voordat het Nieuwjaarsfeest werd gevierd. Sheng kwam het leslokaal binnen. Hij keek mij zo voortdurend en indringend aan dat ik hem met mijn ogen vroeg wat er loos was. Hij straalde en drukte met zijn kin naar beneden. Oei! Wie heeft jouw hals en polsen zo bont en blauw geslagen? gilde ik het uit. Sheng keek om zich heen en verbleekte. Hierdoor staken zijn blauwe plekken nog sterker af tegen zijn gele basistint. De klasgenoten die links en rechts, voor en achter ons zaten hoorden mij roepen en keken onze kant op.

Ik heb net een knokpartij met je opa’s, ooms, broers en neven gewonnen! verhief Sheng zijn stem. Hij pakte mijn pennenetui van de tafel op en smeet ermee naar mijn hoofd. Ik zag rode, blauwe, gele, bruine en paarse penselen de doos ontsnappen en ik voelde ze mijn gezicht zijdelings raken om vervolgens langs de voorkant van mijn jas vloerwaarts te glijden. Ik stamp je kop tot puree als je nog één onzin uitkraamt over mijn blauwe… wat zei je daar? Wonden? Alleen jij kan zoiets verzinnen, jij vuile, smerige, verwaande, verwende, schreeuwlelijke afgelikte boterham!

Had ik zijn door razernij vervormde gezicht en gebalde vuisten niet gezien, had ik gedacht dat ik midden in een nachtmerrie zat. De mensenmuur om ons heen werd steeds dikker en het juichen van de klasgenoten werd steeds meer oorverdovend. Ineens drong het tot mij door wat ik verkeerd had gedaan. In mijn schrik en bezorgdheid had ik onze onuitgesproken afspraak geschonden, namelijk, wij moesten onze gesprekken onder ons houden.

Had ik Sheng zachtjes gevraagd met wie hij zo vroeg in de ochtend weer overhoop had gelegen met die kneuzingen als gevolg, zou hij mij op een normale manier de ware toedracht kunnen toelichten. Hij stond immers bekend om zijn harde knokkels en scheldkanonnades. Daarmee had hij tot nu toe zijn titel als vechtersbaas van de klas kunnen verdedigen. Nu de klasgenoten merkten dat hij ook normaal kon praten, zonder brullen of vloeken, nota bene met een meisje voorzien van een politiek incorrect uiterlijk en van een heropgevoede moeder, ging hij als een gieter af. Ik viel als een zak aardappelen op mijn stoel neer, liet mijn hoofd als een natte dweil hangen en hoorde zijn vloeken en tieren aan, iets wat ik maanden had gemist, als kiespijn weliswaar.

Overjas

De dag daarna wachtte en wachtte ik. De leraar Chinese grammatica en literatuur had onderwijl het schoolbord volgeschreven met slogans zoals ‘Wij moeten elke dag de klassenstrijd voeren, anders zien revisionisten de kans schoon om ons volksbestuur te ontbinden’, maar Sheng was nog niet verschenen. Ik zat aan een halflege tafel en wou dat ik gisteren ongedaan kon maken.

Gelukkig kwam Sheng de dag daarna wel opdagen. Ik was op van de zenuwen en dubde. Zou ik berouw tonen? Of zou hij er juist door herinnerd worden aan zijn afgang en nogmaals uit zijn slof schieten? Minuten tikten voorbij, maar hij kwam nog niet op zijn stoel zitten. Ik keek omhoog. Daar stond hij, zo trots als een pauw, gekleed in een spiksplinternieuwe gewatteerde mosgroene overjas.

Vader

Ik kon er niets aan doen. Tranen rolden uit mijn ogen en vertroebelden mijn zicht. Plotseling moest ik aan vader denken. Op de foto die ik dagelijks begroette, had hij precies dezelfde jas aan. Andere gezinnen waren compleet als ze op de oudejaarsavond gezellig aan tafel zaten. Moeder en ik moesten echter naar het postkantoor hollen, vlak voordat de klok twaalf uur sloeg. Daar betaalden wij een fortuin om een interlokaal telefoontje te plegen. Dat was de enige keer in het jaar dat ik vaders stem hoorde en dus zeker wist dat ik een vader had.

Nou ja, als het aan moeder lag, was vader elke dag bij ons. Iedere keer dat ik naar ooms en tantes voor een extra les ging, moest ik van moeder vader danken. Met haar maandloon zou ze nooit het kapitaal bij elkaar kunnen sparen om mijn lesgeld te betalen. Daar hadden wij vader voor. Maandelijks stuurde hij ons geld, niet een beetje ook. Als vader naar Beijing terug zou keren en bij ons zou komen wonen, konden wij elke dag vis of vlees eten, schatte ik.

Trouwens, de ooms en tantes wilden niet voor de lessen worden betaald, maar moeder stond erop. Omdat ze weinig voedselbonnen had om tegen normale prijs inkoop te doen, schafte ze op de zwarte markt tegen een hoge prijs levensmiddelen aan, eieren, vis, vlees, botten voor de soep, fruit, chocolade en wijn bijvoorbeeld. Deze gaf ze mij vaak mee als ik naar mijn privé leraren en leraressen ging.

Appels

Terwijl ik in gedachten verzonk en vader miste, zag Sheng mij huilen. Eindelijk stond hij niet meer voor mij maar kwam naast mij zitten. Hij krabde aan zijn hoofd en tastte in zijn tas. Uit voorzorgsmaatregel verliet ik mijn stoel. Ging hij weer een dode muis uit zijn tas halen? Om mij te laten boeten voor mijn fout gisteren? Rustig, gebood hij mij met een blik, blijf gewoon zitten. Boontje komt om zijn loontje. Ik moest Sheng wel gehoorzamen en zijn straf aanvaarden, wat die ook moge zijn, luidde mijn geweten.

Toen ik weer op mijn plaats zat, stopte Sheng een grote zak appels in mijn handen. Ik had ze niet geteld, maar het waren er zeker een dozijn. Het zweet brak mij uit, nota bene hartje winter. Had hij gisternacht een winkel beroofd? De dag daarvoor had hij een peperdure overjas aan en nu gaf mij een dozijn appels. Alleen zieken, zwakken en misselijken kregen dit kostbaar fruit als cadeau wanneer ze in het hospitaal lagen en bezoek van hun gulle familie kregen.

Door schade en schande wijs geworden probeerde ik mijn stem zo laag mogelijk te houden. Waar had hij de appels ge… gevonden? fluisterde ik. De trots op zijn gezicht verdween als sneeuw voor de zon. Hij griste een appel uit de zak, gooide hem op de vloer en trapte hem met de schoenen tot moes. Welke ongunstige ster hing aan de hemel? Dat ik vlak voor het Chinees Nieuwjaar fout op fout stapelde? Ik had geen woorden voor mijn domme zelf.

Koopkracht

Volgens zeggen hadden vissen een geheugen dat maar zeven minuten duurde. Sheng was misschien een zeebaars, een mensenhaai kon ook, in zijn vorige leven. Want de dag daarna was hij weer de oude. Liedjes hummend stapte hij het leslokaal binnen en scheen al mijn wangedrag te hebben vergeven en vergeten. Hij bekeek zijn nieuwe overjas van voor, en, zich omdraaiend, van achter. In de lesruimte met zestig leerlingen konden wij alleen al met onze adem de lucht op temperatuur brengen. Van de warmte werd Shengs voorhoofd rood, maar hij trok zijn overjas niet uit. Ik zag zijn blijde gezicht, maar ik kon niet blij voor hem zijn.

Ik wist dat zijn ouders boeren waren. Hun inkomen was maar de helft van dat van mijn moeder. Daarmee moesten ze zes kinderen en twee opa’s en twee oma’s te eten en drinken geven. Zelfs mijn moeder kon zich niet veroorloven om een fatsoenlijk Nieuwjaarsdiner te organiseren en tegelijkertijd nieuwe kleren, schoenen en haarbandjes voor mij kopen. Waar had Sheng de middelen vandaan gehaald voor de overjas en de appels? Eerlijk waar. Ik wilde liever niets lekkers proeven en Sheng in zijn kapotte kleren rond zien lopen dan te vrezen dat hij op een gegeven moment door de politie werd opgepakt en naar de tuchtschool gestuurd.

Weer zover

Op de laatste dag voor het Chinees Nieuwjaar hadden wij slechts in de voormiddag school. De meester liet ons een liedje zingen met als tekst een bekende dichtregel. Vuurwerk kondigt knallend de komst van de lente aan en het vertrek van de winter en het ging maar door. Sheng deed niet mee aan het koor. Hij draaide op de stoel om zijn as en scheen zich mateloos te verheugen op het ophouden van de les. Ik nam mij voor om me geen zorgen meer over hem te maken. Alleen zo kon ik voorkomen weer iets verkeerd of hardop te zeggen.

Toen de bel ten langen leste ging, gebaarde Sheng mij te blijven zitten. Geluk stond op zijn gezicht te lezen en dit beschouwde ik als een teken dat hij een zeebaars was geweest met een kortlopend geheugen, vooral over mijn fouten. Hij wachtte totdat de kamer bijna leegliep en tastte weer in zijn schooltas. Adem diep, zei ik tegen mezelf, en geen paniek. Uit de tas haalde hij een naar eigen zeggen nieuwjaarscadeau voor mij uit, verpakt in oude kranten. Lekker! zei hij en straalde. Ik werd door zijn vreugde aangestoken, opende snel het pakje en hemel nog aan toe! Ik stuiterde zowat van vloer tot zolder en hetzelfde traject terug en schreeuwde de leraar die al in de gang op weg naar zijn kantoor was, terug in het leslokaal.

Weer iets wolligs en wiebeligs rolde uit de oude kranten, ditmaal besmeurd met roodbruin, gestold bloed. De meester liet Sheng het ‘cadeau’ weer inpakken en mee naar huis nemen. Daar scheen ze niet van gediend te zijn, legde hij Sheng uit. Ga maar met je familie feest vieren, troostte hij de pestkop in plaats van mij het slachtoffer. Vervolgens keek hij mij vies aan, zo vies als een onderwijzer zich kon permitteren.

Nummer twee

Toen Sheng genoeg had gevloekt en gedaan en de kamer uit was gestormd – ik hoorde hem ook in de gang vuilbekken, schudde de leraar zijn hoofd. Lulu, zuchtte hij, wanneer leer je je klasgenoten kennen? Ik beet op mijn onderlip en haatte de meester. Hij was geen pestkop in grote mensen formaat meer, maar Wreedaard nummer twee. Nummer één had mij zojuist wederom de kast op gejaagd met een dode muis. Of was het een ander ongedierte? Door mijn teleurstelling en daaraan gekoppelde gekwetstheid had ik die harige griezel niet herkend.

Na al de knopen die ik onder de tafel, tegen de schoolregels in, voor Shengs trui vast had gemaakt, na al de Engelse woorden die ik voor hem in Chinese klanken om had gezet en na al onze verbale en non-verbale gesprekken, pestte Sheng mij toch. Nu besefte ik pas dat de angst en het beven, de pijn en het verdriet, kortom de haat jegens Sheng, nog altijd in mij sluimerden en mij nooit echt hadden verlaten. Ik was teleurgesteld in hem en als ik me niet vergiste, was hij het ook in mij.

Vakantiereis

Toen ik thuiskwam, wachtte mij een tweede verrassing. Lan stond bij mij op de stoep en vroeg waar ik was gebleven. Ik zweeg over Wreedaard nummer een en twee en vroeg op mijn beurt waarom ze niet thuis zat voor het Nieuwjaarsdiner. Ze klonk sneu toen ze zei dat ze mij vier weken moest missen.

Het bleek dat Lans vader direct na het Chinees Nieuwjaar deel zou nemen aan een conferentie, in de stad Kunming, de Provincie Yunnan, Zuid-China. Hij mocht daar al een week vóór de conferentie aankomen en daarna een week langer blijven. Zijn vrouw en kind gingen mee . Lans leraar had haar een week extra verlof gegeven.

Wat moesten haar moeder en zij daar terwijl haar vader vergaderde? vroeg ik. Toeristische bezienswaardigheden bezoeken, reizen heette het, aldus Lan. Ze vond het erg dat ze het plezier niet met mij kon delen. Hoe kwam ze erbij? zei ik. Als ze terugkwam, zou ze mij in geuren en kleuren over de couleur locale vertellen, afgesproken? Haar gezicht klaarde een beetje op. Ze zouden in een traditioneel huis van de etnische groep Dai logeren, ging ze door, met zicht op een meer omringd door gebergte. Het scheen daar paradijselijk te zijn, als ze haar vaders woorden moest geloven.

Dat was de eerste keer dat ik van een vakantiereis hoorde. Bij nader inzien best logisch. Met een hoge militaire piet als vader maakte Lan heel wat mee dat boven de pet van ons gewone lui ging. Lan beloofde rozenkoekjes en lindensnoepjes voor mij mee te brengen. Want de bomen in Kunming stonden om beurten in bloei, het hele jaar door. De plaatselijke bevolking aten bloemen en bladeren alsof ze groente en fruit waren.

Veilig

Denk niet aan mij en geniet met volle teugen, drukte ik Lan op het hart. Ze dacht hardop, gelukkig hoef je niet meer bang te zijn dat als je alleen van school naar huis gaat, kwajongens stenen naar je gooien, en in dat opzicht zijn wij sinds maanden onder de pannen. Gretig knikte ik, wist ze toevallig waarom? Mijn hart trok wederom samen. Ditmaal omdat ik Lans broer Yang miste. Hij had haar en mij meermalen bevolen om Kungfu-les te volgen. Nu was het niet meer nodig. In deze gedachte vond ik mijn schrale troost.

Ik knipperde geheimzinnig met mijn ogen. Was het Lan niet opgevallen dat ik als een mager speenvarken kon krijsen? Mijn schelle stem ging bij mensen, inclusief kwajongens, door merg en been. Daarmee haalde ik van mijlen ver reddende engelen naar ons toe. Lan riep, nu je het zegt! Ik glunderde, dat was dan ónze manier van zelfverdediging. Werkte even goed als Kungfu!

Lan voegde eraan toe, je hoeft ook niet meer een half uur eerder dan anderen naar je leslokaal te gaan, toch? Daar staan allang geen vieze woorden meer over je op. Ik beaamde. Gewoon keihard gillen, vatte ik de sleutel tot mijn succes samen. Werkelijk waar, daar konden de dikste pestkoppen niet tegen.

Iets schoot me te binnen. Wees eerlijk, keek ik Lan aan. Ging ze stiekem haar broer Yang opzoeken, zonder mij? Ze schudde haar hoofd. Niemand wist waar hij uithing. Er moest een wonder gebeuren als ze hem in Zuid-China zomaar op straat tegen zou komen. Toen ik dit hoorde, was ik gerustgesteld.

Besluit van de meester

De eerste ochtend na de Nieuwjaarsvakantie keek ik zonder met mijn ogen te knipperen naar de deurpost. Sheng kwam niet. De dag daarna evenmin. Op de derde dag nam de meester mij naar de gang en zei doodleuk dat vanaf nu Jie naast mij zat. Waar zou Sheng dan zitten, als… als hij terug zou komen? Dat legde hij mij later wel uit, poeierde de leraar mij af, want de les zou over een paar tellen beginnen. Een onheilzaam voorgevoel nam bezit van mij en ik wankelde op mijn benen. De bel voor de les ging. De leraar zag mij daar wankelen en zuchtte. Hij betrad het leslokaal en schreef ‘Lente’ op het schoolbord. Iedereen moest er een opstel over schrijven, behalve ik.

De meester vroeg mij mee te gaan naar zijn kantoor. Eenmaal daar keek hij mij in plaats van vies teleurgesteld aan. Gisteren was Shengs vader hier geweest, vertelde hij mij. Een oude koetsier in hun dorp stierf een baan vrij. Sheng kreeg dat werk omdat hij sinds maanden bij zijn vader, die ook een paard en wagen stuurde, in de leer was geweest. Kreeg hij nog zijn diploma voor het middelbaar onderwijs? vroeg ik gehaast. De leraar schudde zijn hoofd, Shengs familie had eerder behoefte aan brood op de plank dan een certificaat op de muur.

De lijnen op het gezicht van de meester verzachtten zich. Hij had in de gaten dat ik graag dichtte, klonk hij ineens anders, maar waar ging het in de literatuur om? Ik weigerde zijn vraag te beantwoorden. Wij zaten in een gesprek over Shengs school, niet in een quiz om een mand eieren. Hoe meer ik aan mijn voormalige bureaugenoot dacht, op hoe hogere toeren het plafond boven mijn hoofd draaide. De meester kon het niet laten, dacht ik bij mezelf. Hij had weer een pestkop naast mij geplaatst, ook nog eens niet de eerste de beste. Jie was degene die aan een los draadje van Shengs trui trok en hem op het schoolplein als een ezel rondom een molensteen leidde. Die lafaard! Die geniepigerd! Met Jie naast mij zitten, kwam ik van de regen in de drup.

Ivoor

Wenxue – literatuur – betekende letterlijk ‘de kennis over letteren’. In feite ging het in de literatuur om mensenkennis, de leraar kletste maar door over dingen die niet mijn prioriteiten waren, mijn laatste zorgen evenmin. Hij tikte met zijn vinger op het bureau. Volgens hem probeerde ik niet eens de jongen te begrijpen die maanden naast je had gezeten. Hoe dacht ik ooit de nodige mensenkennis te vergaren? Hij kon mij nu al vertellen, luidde zijn vonnis, dat ondanks mijn extra lessen door moeders collega’s, indien ik zo doorging, ik als leerling én als mens geen meter vooruit zou komen.

Ik liet ’s meesters woorden het ene oor in en het andere oor uit en bleef me verbazen. Hoe bestond het dat hij van alle pestkoppen die de klas rijk was uitgerekend Jie had gekozen om mij het leven zuur te maken? Ik wilde terug naar de klas, zei ik, en het opstel over de lente schrijven. Geen minuut langer wilde ik zijn ‘goede raad’ aanhoren. Uit de bek van een hond komen geen ivoren slagtanden tevoorschijn. Uit de mond van een wrede leraar kon geen welgemeend advies komen.

Nieuwe bureaugenoot

Na de pauze kwam Jie warempel met zijn hebben en houden onder de arm op de stoel naast mij zitten. Hij fluisterde tegen mij, vuile hoer, opschuiven! Vervolgens trok hij met een stuk krijt een witte vertikale streep op ons bureau. O wee als je het in je hoofd haalt de grens over te steken! ging hij tekeer tegen mij, op een niet voor derden bestemde lage toon. Ik geloofde mijn oren niet. Moest ik dit niet tegen hém zeggen? Hij was niet zo naïef als Sheng, gaf hij mij te kennen. Al zou ik poeslief tegen hem doen, hij zou er nog niet in trappen. Wees maar gerust, zei hij tegen mij. Mijn deel van het bureau zou hij nooit en te nimmer aanraken. Waar hoorde een hoer thuis? In een hoerenkast. Waar ik zat was dus een bordeel. Wie wilde daar gezien worden? Einde zelfintroductie, aldus hem.

Gedurende de vier dagen sinds Jie het bureau met mij deelde, had hij mij geen enkele keer Lulu genoemd. Ik heette gewoon vuile hoer, had hij voor mij uitgemaakt. Ik hoorde hem de benaming zo consequent hanteren dat het mij begon te dagen. Oei, zou hij degene zijn die een paar maanden geleden met een ondoorgrondelijke regelmaat ‘Lulu is een vuile tak’ op het schoolbord schreef? Ik scheurde een blaadje van mijn notitieblok af en schreef er die zin op. Dit papiertje schoof ik naar zijn deel van de tafel. Als hij dit niet onmiddellijk zou lezen, zou ik per omgaande tot de laatste snik toe op mijn handen lopen.

Schrijfwijze

Helemaal mee eens, zei Jie zachtjes maar zielsgelukkig tegen mij, nota bene tijdens de les. Dat ben jij, een vieze, vuile, smerige hoer! Aan zijn hemelse gezichtsuitdrukking te beoordelen, als men hem zou vragen wat zijn grootste wens was, zou hij antwoorden het blijven herhalen van die obscene zin, schatte ik in. Ik pakte een rode pen, streepte ‘tak’ door en schreef ernaast het juiste woord. Ik fluisterde terug, ‘hoer’ schrijf je met het radicaal ‘vrouw’ aan de linkerkant. Als je het radicaal ‘boom’ gebruikt, krijg je het woord ‘tak’. Dat zou niet je bedoeling zijn, of wel soms? Een tip, als je mij verrot wilt schelden, doe het goed, zonder taalfout.

Ik zag Jie blozen, tot achter zijn oren. Hiermee gaf ik het startschot voor onze stille strijd. O, wat miste ik Sheng! Met hem kon ik tenminste open kaart spelen, maar tegen Jie moest ik geslepen zijn. Daar zou ik me in verdiepen en bekwamen, besloot ik.

Woord verklaren

Niets bleek minder waar. Jie was een open boek, volgeschreven met aanklachten tegen mij maar wel overzichtelijk. In de dagen die erop volgden, had ik tijdens de pauzes tussen lessen geen stap verzet. Jie evenmin. Wij bleven op de stoel zitten en wisselden met elkaar in even venijnige als klare taal van gedachten, met als enige onderwerp Sheng. Het begon met mijn vraag naar de bekende weg (Jie kon mij moeilijk een goede fee noemen, nam ik aan), waarom noemde hij mij een vuile hoer? Het eindigde als een donderslag bij heldere hemel. Om een lang verhaal kort te maken, het ging zo.

Een hoer zag alleen maar één ding, geld, legde Jie mij uit. Mensen waren voor haar melkvee en hun gevoelens koeienvlaai. Hoeveel een man ook om haar gaf en voor haar over had, haar hart was niet warm te krijgen, want het was uit steen gehouwen. Ik had ook een hart van steen en was dus ook een hoer. Einde Jie’s diagnose.

Ik vroeg Jie om zijn mening te onderbouwen. Hij keek mij aan alsof ik zijn hele familie plus aangetrouwde had uitgeroeid. Na alles wat ik Sheng had aangedaan, moest ik nog bewijzen horen voor zijn aanklachten? Doe maar alsof je van de prins geen kwaad weet, wierp hij mij een blik van verachting. Hij had Sheng zo voor mij gewaarschuwd, maar die geloofde eerder mij dan Jie zijn beste vriend – ze waren nota bene samen opgegroeid! Trouwens, ging hij verder, tegen een harteloos mens als ik, moest hij keihard de waarheid zeggen. Dat was het enige dat hij nog voor Sheng kon doen. Voorts zei hij recht in mijn gezicht wat ik allemaal op mijn geweten had.

Zin op het schoolbord en inktvlekken

Maanden geleden, direct nadat Sheng naast mij kwam te zitten, ging hij naar Jie’s huis. Ze woonden in hetzelfde dorp, een kwartier lopen vanaf onze school. Van Sheng moest Jie maar eens ophouden met het schrijven van die onzin over mij op het schoolbord. Jie wilde het best doen, een vriendendienst, weet je wel? Maar op één voorwaarde, Sheng moest niet opeens denken dat ik geen hoer was, alleen maar omdat hij een bureau met mij deelde. Sheng draaide zich om en ging weg. Toch geen manier van doen tegen een vriend van wie hij iets gedaan wilde krijgen? vond Jie.

Een paar dagen later vroeg Sheng Jie om een tweede vriendendienst. Of hij niet meer met zijn vulpen tegen mijn jas wilde schudden. Ook dit had Jie voor Sheng over. Alleen wilde Jie er iets over kwijt. Sheng moest oppassen dat ik niet te kleinzerig werd. Destijds gaf ik niet eens een kik toen Sheng mij zweepte. Wat waren een rijtje inktvlekken op mijn jas vergeleken met die bloedstriemen op mijn gezicht? Toen Sheng dit hoorde, draaide hij zich weer om en wilde er vandoor gaan. Deze keer blokkeerde Jie echter de deur en waarschuwde Sheng eenmaal, je krijgt toch niet een zwak voor die hoer?

Al kibbelden Sheng en Jie over mij – nergens anders hadden ze van kinds af aan grote meningsverschillen over, ze bleven dikke vrienden totdat Sheng Jie om een derde vriendendienst vroeg. Dagen had Sheng, direct na school, in struiken gehurkt gezeten. Eindelijk had hij uitgevogeld welke groep jongeren Lan en mij met stenen belaagde als wij van school naar huis gingen. Sheng wilde die lui ermee confronteren, maar daar had hij hulp bij nodig. Jie weigerde dienst. Die jongens gebruikten namelijk niet hun vuisten maar een kettingslot. Bovendien, ze mikten enkel en alleen op het hoofd. Jie had geen gaatje in zijn hoofd en wilde er vooral geen grote krijgen.

Losse draadjes van Shengs trui

Sheng zocht verder naar versterking. Toen Jie hoorde dat Sheng zich aan wilde sluiten bij de Vleermuizen, waarschuwde hij Sheng voor een tweede maal. Leden van deze bende gebruikten geen kettingsloten maar dolken en hakmessen. Wie tegen de groeirichting van hun haren streek kreeg een van zijn ledematen afgemonteerd. Jie snelde naar Sheng. Bijna alle Vleermuizen hadden of in de gevangenis gezeten of zaten daar nog in, vertelde hij Sheng wat iedereen al wist. Sheng wilde toch niet omwille twee hoeren (volgens Jie viel Lan onder mijn categorie) in een tuchtschool terecht komen?!

Sheng noemde Jie een lafaard en Jie noemde Sheng een idioot. Ze waren beiden niet van woorden maar van daden. Al snel lagen ze met elkaar in de clinch. Jie dreigde de vechtpartij te verliezen, pakte een los draadje van Shengs trui en liet hem op het schoolplein rondjes draaien. Onderwijl riep Jie dat voor een hoer een man slechts een ezel was. Hij kon zwoegen tot hij erbij neerviel, maar haar molensteen zou hij nooit kunnen verlaten.

Sheng zette zijn plannen door. Jie kon het niet aanzien en ging naar Shengs vader, aan wie hij alles uit de doeken had gedaan, ook zijn idioterie met betrekking tot mij. Wonder boven wonder kreeg Sheng deze keer geen draaien om de oren. Zijn vader zei dat hij hoe langer hoe meer last van reuma kreeg. Hij kon nog steeds paard en wagen sturen, maar laden en lossen? Dat viel hem te zwaar. Of zoonlief hem ermee wilde helpen. Shengs knokkels waren zo hard als dat zijn hart zacht was. Sindsdien ging hij elke dag na school met zijn vader rijden. Samen vervoerden ze voor hun dorp aardappelen en uien, Chinese kool en wortels. Als sommige van de levensmiddelen kneusden, mocht Sheng ze houden. Hij verzamelde ze en verkocht ze op de zwarte markt.

Overjas, appels, stenen gooien, blauwe plekken en ‘muis’

Met wat Sheng verdiende kocht hij die mosgroene overjas. Maar wat deed jij? verhief Jie zijn stem. Ik keek er niet eens naar, terwijl Sheng in die jas de hele tijd voor mij stond. Ook met wat hij verdiende kocht hij die grote zak appels – Sheng vertelde Jie dat als hij zijn hoofd op mijn schouder leunde, hij bij mij de geur van appelbloesem rook. Maar waarvan verdacht je hem? was Shengs retorische vraag. Van winkeldiefstal. Tevens met wat hij verdiende kocht Sheng sigaretten en alcohol. Deze gaf hij de groep jongeren cadeau die Lan en mij met stenen bekogelden. Die etters beloofden hun actie stil te leggen, tot nader orde. Sheng moest hen dus sigaretten en alcohol blijven geven, anders deden ze het weer.

Nadat zijn vader hun oude schaap had geschoren, kreeg Sheng zijn oma zover dat ze de wol voor hem weefde. Voorts zeurde hij net zolang aan zijn moeders hoofd dat ze een trui voor hem breidde om van er vanaf te zijn. Shengs zus zou de trui voor hem blauw verven, maar ze had verkering en had wat anders aan haar hoofd. Sheng kon niet op haar wachten en ging de trui zelf verven. Om mij hem zo spoedig mogelijk in die nieuwe trui te laten zien, had hij een paar afspoelbeurten overgeslagen.

Maar wat zag je toen hij apetrots voor je ogen stond? vroeg Jie. In plaats van zijn nieuwe trui zag ik zogenaamde wonden op zijn hals en polsen. Al gillende verkondigde ik aan de hele klas dat Sheng weer met slechte jongens had gevochten, met bont en blauwe plekken als gevolg. Dat waren in ’s hemelsnaam de kleuren die de trui afgaf! hield Jie zijn stem nog steeds in toom – anderen hadden niets te maken met wat wij bespraken – maar met zijn verachting voor mij hoger en hoger in het vaandel.

Vlak voor het Chinees nieuwjaar ging het vetste varken van Shengs familie onder het mes. Toen Shengs vader de botten hakte, Shengs oma de poten onthaarde, Shengs moeder de ingewanden waste, Shengs zus een flink deel van het vlees pekelde, en Shengs broertjes en zusjes watertandend op een feestmaal wachtten, wikkelde Sheng stiekem een van de twee oren in oude kranten en bracht het de dag daarna voor mij mee. Rood geroosterd varkensoor was de kroon van het Nieuwjaarsdiner, tenminste volgens Sheng en andere dorpelingen. Maar wat deed jij? sloeg Jie’s stem over. Ik schreeuwde de leraar van de gang naar het leslokaal en beschuldigde Sheng ervan mij weer met een dode muis te pesten, nota bene op de laatste dag voor het Nieuwjaar!

Adres

Ik wilde niet verder naar Jie’s verhaal luisteren. Opeens besefte ik dat het niet Sheng was, niet de meester, ook niet Jie, die ik moest haten, maar mijzelf. Ik vroeg Jie of hij mij zou willen helpen. Wat voor hulp ik ook aan hem zou vragen, perste hij de woorden tussen zijn tanden door, het antwoord was nee. Anders dan Sheng, had hij geen stront in zijn ogen en zou mij nooit een vinger toesteken.

Ik verliet mijn stoel en doolde in de gang rond. Ik moest en zou iemand vinden die wist waar Sheng woonde. Zielsgraag zou ik voor hem willen knielen en hem mijn hartgrondige verontschuldigingen aanbieden. Hij moest mij vooral niet vergeven. Ik zou boeten voor wat ik hem had aangedaan, net zo lang tot ik mezelf niet meer haatte.

Ik wachtte tot na de school en haastte me naar het kantoor van de meester. Helaas was hij al naar huis.

Achter de leraar aan

De dag daarna sneeuwde het. De meester schreef op het bord een bekende dichtregel Dikke sneeuw voorspelt een goede oogst. Wederom tijd voor een opstel. Ik beet op mijn pen en kreeg geen woord op papier. Jie keek over mijn schouder en kuchte. Het moge duidelijk zijn dat hij mijn opstel wilde overschrijven. Nu ik niets op papier had, moest hij straks ook een blanco velletje inleveren. Hier kon ik me niet druk over maken – hij was niet Sheng. Bovendien, ik had iets dringends aan mijn hoofd.

Eindelijk ging de bel. Ik rende achter de leraar aan en volgde hem de gang in. Het liefst zou ik met hem naar zijn kantoor willen, maar hij had een stapel opstellen te corrigeren, zei hij, even geen tijd.

Ik ging naar buiten. Het schoolplein, de wegen, de riooldeksels en de kuilen op het plantsoen hadden zich aan het zicht onttrokken. Alles zag er even egaal en wit uit. Ik voelde me leeg, net als het landschap waarin alle plaatsen en voorwerpen onder het egale wit waren verdwenen. Hoe moest ik verder? Met Shengs vertrek was weliswaar mijn angst voor pesten overgewaaid, maar ook mijn hoop. Hoop op acceptatie door mijn klasgenoten, met Sheng vooraan in de rij.

Blindstaren

Direct na de laatste les zocht ik de meester in zijn kantoor op. Naar zijn verbaasde maar verheugde gezichtsuitdrukking te beoordelen, scheen hij verbaasd te zijn dat ik nu al met hangende pootjes terug kwam. Ik friemelde aan de onderkant van mijn jas en wist niet waar ik moest beginnen. De leraar liet mij op een stoel naast zijn bureau zitten, ging door met het corrigeren van het huiswerk en keurde mij geen blik waardig. Mijn zelfhaat escaleerde. Ook de leraar zag mij niet meer zitten, dacht ik. Gauw gaf ik toe dat ik door angst voor en haat jegens Sheng verblind was en daarom Shengs pogingen tot het met mij goed maken niet had gemerkt, sterker nog, verkeerd had opgevat.

De leraar schudde zijn hoofd. Ik was eerder verblind door zelfmedelijden, zei hij. Turbulentie in de ideologie kwam en ging, net als de eb en vloed van de zee. Intellectuelen zoals mijn moeder werden de ene keer ingezet voor belangrijke zaken en vielen de andere keer in ongenade. Lulu, klonk de leraar ineens wat milder, je moet je niet minderwaardig voelen vanwege je heropgevoede moeder. Wat betreft je uiterlijk, politiek correct of niet, je bent zo geboren en daar moet je het mee doen. Ook schoonheidsideaal is aan ideologische turbulentie onderhevig. Er komt nog een tijd dat de wind uit een andere hoek waait. Maar, zocht hij oogcontact met mij, Shengs familie blijft op de onderste sport van de samenleving, welke wind er ook waaide. In plaats van Sheng te begrijpen en zijn stapjes voorwaarts te waarderen, zwelg je in zelfmedelijden.

Goede raad

Ik kreeg het benauwd en viel de meester in de rede. Zou hij mij Shengs huisadres willen geven? Hij stak een vinger in de lucht, als hij mij een goede raad mocht geven, nee, hij zou het anders formuleren, als ik voor de verandering naar zijn advies wilde luisteren, kon ik beter Sheng met rust laten. Hij had zijn levenskoers en ik de mijne. Ze zouden elkaar, uitzondering daargelaten, niet kruisen. Tranen welden uit mijn ogen. Maar ik wilde Sheng excuses aanbieden, zei ik.

De leraar wees naar buiten. Of ik de sneeuw daar zag. Ik knikte – wie kon daar omheen? Maagdelijk wit, zoals dichters de sneeuw beschreven, mijmerde hij, en gevoelens leken op de sneeuw. Ik vroeg hem wat dat betekende. Hij stond van de stoel op en bracht mij naar de deur. Zoiets moest ik, als ik groot was, zelf zien te begrijpen.

Uiteraard sloeg ik de goede raad van de leraar in de wind. Links en rechts informeerde ik naar Shengs adres, maar Jie zorgde ervoor dat de klasgenoten die met Sheng waren bevriend mij als een besmettelijke ziekte meden.

Bekend geluid

Op een dag ging ik naar school en hoorde de klappen van een zweep. Gauw draaide ik me om en keek naar achter. Sheng zat op een paard en wagen! Naast hem, op een gewatteerd dekentje, dommelde een oude man in. Zeker zijn vader. Achterop de wagen, tussen stapels Chinese kool lag een joekel van een bruine hond, ook in te dutten. Ik rende achter de wagen aan en riep naar Sheng. Hij hield zijn nek stijf en keek niet op of om. Ik kwam adem tekort maar bleef achter hem aan hollen. Sheng!, zei ik, zo luid als ik kon, ik ga me beteren!

Deurgrendel! hoorde ik Sheng brullen. Meteen richtte de bruine joekel zich op, liet mij zijn tanden zien en begon te blaffen. De oude man werd ook wakker, maar voordat hij de kans kreeg zich om te draaien en mij op te merken, zweepte Sheng de paarden zo hard dat ze als een speer vooruit schoten. De stapels Chinese kool trilden, de blaf van de hond werd hakkelig en Shengs vader, nam ik aan, gaf Sheng een draai om de oren.

Weg

Alleen goede feeën zagen mij nog zitten en staken een helpende hand naar mij uit, want een maand later kwam mijn vader, zonder vooraf een brief te schrijven, thuis. Ik smeekte hem mij mee te nemen naar de provincie Sichuan – geen dag langer wilde ik op deze school zitten. Een vreemd verzoek, maar toch geschiedde het.

Mijn ouders maakten zich namelijk zorgen dat ik op school behalve slogans weinig leerde. Via via kregen ze te horen dat een hoog aangeschreven taalacademie in Sichuan nieuwe leerlingen aan het werven was. Alleen moesten de kandidaten door een strenge selectie heen. Dankzij mijn privélessen Engels haalde ik het toelatingsexamen. Zo verliet ik op mijn zestiende huis en haard en keerde pas op mijn achttiende in Beijing terug. Dankzij mijn opleiding op die academie haalde ik ook het staatsexamen en ik zette mijn studie Engelse taal en literatuur voort op de Universiteit van Beijing.

Eb en vloed

Vlak voordat ik van Sichuan naar Beijing terugkwam, was vaders werkeenheid ook weer naar Beijing verhuisd. Toen ik onze nieuwe ruime woning die vader toebedeeld kreeg betrad, vroeg ik hem, bent u soms net als Lans vader, een hoge piet? Mijn ouders keken elkaar aan en wisten niet of ze blij of bedroefd moesten zijn.

Zodra Britse en Amerikaanse gastdocenten naar mijn faculteit kwamen, werd ik samen met een paar andere studenten ingeschakeld om hen naar de Verboden Stad, het Zomerpaleis of de Grote Muur te begeleiden. Niemand legde ons uit waarom altijd wij waren ingezet voor dit werk. Als ik echter de geruchten moest geloven, kwam het doordat de faculteitsdirectie een positieve indruk op internationale vrienden wilde maken door er representatief uitziende studenten als gidsen in te schakelen. Ik hoefde dus niet meer te boeten voor mijn uiterlijk dat in dit nieuwe tijdperk als politiek neutraal werd beschouwd.

Ik had geen zin in het veevoer in de universiteitskantine en ging geregeld naar een restaurant ten zuiden van de campus. Daarom maakte ik het geld dat vader mij maandelijks gaf reeds midden in de maand op. Elk weekend als ik thuiskwam, wachtte moeder totdat vader de andere kant opkeek en stopte mij een paar bankbiljetten in de hand. Zo werd ik de beste klant van dat restaurant. Inderdaad, toen de turbulente jaren voorbij waren, zat moeder tot over haar oren met opdrachten. Haar vakkennis was weer in trek, met goed inkomen als klap op de vuurpijl. Alles veranderde behalve mijn gemis van Sheng.

***

Duinen

Jaren later, een week geleden om precies te zijn, stond ik in de Haagse duinen. Ik voelde de aarde onder mijn voeten veren, vanwege de sneeuw die er de ochtend daarvoor was gevallen en de avond daarna gesmolten, en ik moest voor de zoveelste keer aan Sheng denken.

Mijn leraar op de middelbare school had gelijk. Gevoelens, vooral die van Sheng, leken op de sneeuw en kenden eenrichtingsverkeer. Zodra ze smolten oftewel verdwenen, kwamen ze niet meer terug, althans niet in dezelfde maagdelijk reine kristalvorm.

Shengs pesterij leek ook op de sneeuw, die langzaam maar gestaag wegdooide en overging tot genegenheid vanwege mijn nabijheid en mijn pogingen hem te behagen. Juist, toen ik naast hem zat en losse draadjes van zijn versleten trui aan elkaar knoopte en Engelse woorden volgens klank in het Chinees omzette, dacht ik dat ik hem wilde helpen. Achteraf gezien deed ik het niet uit medeleven maar uit angst. Door mij uit te sloven hoopte ik zijn keiharde houding tegenover mij te ontdooien, iets wat mij was gelukt, meer dan dat.

Twee vormen, één component

Shengs gevoelens voor mij leken niet alleen op de sneeuw maar ook op het water waar de sneeuw in veranderde, die, hoewel verschillend in vorm, beiden uit dezelfde H2O bestonden. Shengs pesterij voordat hij naast mij zat en zijn pogingen daarna om mij te beschermen en een plezier te doen stonden ogenschijnlijk lijnrecht tegenover elkaar, maar daaraan lag dezelfde belangstelling voor mij ten grondslag. Jong en onervaren als hij was, wist hij zich er geen raad mee. Niet alleen omdat mijn moeder een heropgevoede intellectueel was terwijl zijn vader niet eens zijn naam kon schrijven, maar ook omdat hij zich tot mij aangetrokken voelde juist mede door mijn politiek incorrecte uiterlijk. Hij pestte mij om zijn tweestrijd de kop in te drukken. Nadat hij naast mij kwam te zitten, won zijn interesse in mij het van zijn tweestrijd. Op zijn onhandige manier probeerde hij zijn ontluikende genegenheid aan mij kenbaar te maken.

Mijn kijk op Sheng leek wederom op de sneeuw en op het water waar de sneeuw in veranderde. Mijn fixatie op vriendelijkheid en vijandigheid verhinderde mij het verband tussen Shengs pesten en plezieren te zien. Even jong en onervaren als Sheng, brak ik al schreeuwend en beschuldigend zijn ontluikende verliefdheid in de knop, net als de temperatuur in Zuid-Holland, die te hoog was om de sneeuw vast te houden.

IJsbloem

Sinds mijn achttiende had ik veel liefdes gezien en de liefde veelvuldig bedreven, maar als de maan rond was en de nacht lang, sloot ik mijn ogen en zag ik Sheng. Zijn gevoelens verdwenen even snel als ze waren gekomen, gelijk de sneeuw in de Haagse duinen. Door mij te ergeren aan wat Sheng deed in plaats van te begrijpen wat hij ermee bedoelde, had ik de kans gemist om de schoonheid te ontwaren van de eerste liefde die een jongen aan mij schonk.

Hier in de Haagse duinen geweekt in sneeuwwater praatte ik met de zilte wind. Waar Sheng nu ook mocht zijn, ik hoopte dat de ijverige wind van de Noordzee mijn verontschuldigingen en vooral mijn verlate genegenheid voor hem over zou brengen. Genegenheid als de sneeuw op de top van de Alpen. Die nooit smelt en nimmer verdwijnt, ook niet voor de zon, omdat de temperatuur daar voorgoed laag is. Liefde ondergesneeuwd door onmogelijkheden om die te zien, te horen, te voelen en te bedrijven, blijft in bloei. Als een ijsbloem hoog in de Alpen en diep in ons hart.

 

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

 

Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbij gaat, 12, Lulu Wang

Lulu dankt iedereen voor de hartverwarmende felicitaties voor haar verjaardag.

Metamorfose

Vier dagen geleden was het ijskoud. Drie dagen geleden was het milder. Veel kou was namelijk opgegaan in de sneeuw die viel. Geen wind, regen, hagel, tornado noch aardbeving kon het landschap zo volledig veranderen als de sneeuw. Alles werd wit, straatlampen, auto’s, wegen, huizen, bomen en zelfs de snor van de Schotse hooglanders die in de Haagse duinen graasden.

Twee dagen geleden ging ik, net als de Schotse hooglanders, vroeg uit de veren en wandelde in de duinen. De sneeuw kon wel het landschap compleet veranderen, maar de zon kon de sneeuw spoorloos doen verdwijnen. Werkelijk, alle kleuren waren teruggekeerd. Straatlampen waren weer grijs, wegen weer zwart, huizendaken weer rood, bomen weer bruin, en de snor van Schotse hooglanders had weer dezelfde kleur als de onderkant van hun buik. Had ik de dag daarvoor de sneeuw niet met mijn eigen ogen gezien, zou ik denken dat ik ontwaakt was uit een smetteloze droom.

Gezelschap

Alleen de bladeren op de grond waren een tintje bruiner. Zodanig dat ze naar zwart neigden. Waarschijnlijk omdat de sneeuw hun ontbindingsproces had versneld. Daartegenover stond dat de bladeren feller glansden, vooral toen de ochtendgloed de oostelijke horizon besteeg en naar de dito kant van de hemel hoop en licht verspreidde. Wacht, de sneeuw was wel verdwenen, maar niet spoorloos. De bladeren op de grond hadden de gesmolten sneeuw opgedronken. Vandaar hun felle glans. Zodanig dat de duingrond leek te zijn samengesteld uit bladvormige spiegeltjes, die sprankelend met de eerste zonnestralen stoeiden.

 

De vrolijkste stoeipartij tussen de bladerenspiegels en de opgaande zon was te zien onder de bomen. Daar lagen de meeste bladeren. De appel valt niet ver van de boom. Het blad evenmin. Ik ging voor een dikke, hoge appelboom staan en keek naar zijn kale stam die allesbehalve eenzaam was. In de zonnige jaargetijden hingen de bladeren aan zijn takken en beschermden hem tegen zonnesteek en uitdroging. In de donkere maanden bedekten de bladeren de grond rondom hem en behoedden zijn wortels tegen vorst. Nog belangrijker, zo lagen ze binnen handbereik en kon hij zien wanneer hij hen miste.

 

Inderdaad, ook na hun dood bleven de bladeren dicht bij de boom met wie ze een lente en een zomer onafscheidelijk waren geweest. Uit hun eigen verdorde lichamen, die langzaam maar zeker van bruin tot zwart vervielen, putten ze hun laatste restje kracht. Daarmee voorzagen ze de boom van de nodige warmte en gezelschap.

 

Band

Als sneeuw verliefdheid zou zijn, dan zijn bladeren liefde. Verliefdheid komt zo snel en onverwacht als die vertrekt, net een mooie droom die altijd te kort duurt. Liefde smeedt een onverwoestbare band tussen twee mensen. Zelfs de dood kan het stel niet scheiden. De geest van de eerst overledene zit dichtbij de langstlevende. Met alles wat een geest vermag staat die de achterblijvende in de meest brede zin des woords bij.

 

Zelfs als bladeren geheel ontbinden en onherkenbaar in aarde oplossen, kunnen ze als mest de boomwortels voeden. Zo vormen de appels en bladeren die niet ver van de boom vallen, samen met de kale stam en takken, ook in de barre winter, een gezin. Zodra het klokhuis verrot en de zaadjes vrijkomen, zullen in het voorjaar boompjes ontkiemen. Ontkiemen in de grond, vruchtbaar gemaakt door een van hun ouders die bladeren heten, en tegen donder en bliksem beschut door hun andere ouder die boom heet.

 

***

Lan

Toen ik vijftien was, ging ik elke middag na school naar Lan om samen huiswerk te maken. Haar zitkamer was groter dan het hele flatje van mijn familie en ik mocht zelf koekjes uit haar trommel halen, zoveel als ik wilde. Als mijn vulpen stuk was, maakte de bodyguard van haar vader – een hoge militaire piet – hem voor mij. Als haar ouders toevallig thuis waren, stopten ze mij altijd twee appels of peren in de hand. Ik mocht ze mee naar huis nemen, eentje voor mij en eentje voor mijn moeder. Mijn vader was jaren daarvoor naar de provincie Sichuan, duizenden kilometers van Beijing vandaan, gestuurd en ik zag hem sinds jaar en dag alleen maar op de foto.

 

Ja, Lans hele familie en aanhang waren lief voor mij. Niet alleen omdat ik Lan hielp met lezen en schrijven, rekenen en tekenen, maar ook omdat wij er, raar maar waar, als twee druppels water uitzagen. Als wij op straat liepen, zeiden ooms en tantes, oma’s en opa’s dat wij twee rozen op één stok waren en riepen kwajongens dat wij een stinkei met een dubbeldooier waren.

 

Yang

Op een dag zaten Lan en ik met het telraam rekensommen te maken toen de deur openging. Lan gilde het uit en vloog om de hals van een fors gebouwde militaire officier. Ik bloosde van plaatsvervangende schaamte. Dat ze een vreemde meneer durfde te omhelzen! Ze glunderde van oor tot oor, haar grote broer en grote held, was thuisgekomen! Nee toch, ik had gedacht dat ze, net als ik, het enige kind van haar ouders was.

 

Lan keek naar de kalender op de muur, stond op haar tenen en fluisterde iets in Yangs oren. Demonstratief fronste ik mijn wenkbrauwen. Zij en ik hadden geen geheimen voor elkaar, wist ze het nog? Haasje repje kwam ze ook iets in mijn oor te fluisteren. Het bleek dat Yang alleen thuiskwam als het Chinees Nieuwjaar naderde of als er in Beijing werk aan de winkel was. Wat voor werk? Daar had Lan geen flauw idee van, haar moeder evenmin. Alleen haar vader had een vaag vermoeden, maar die zweeg er in alle talen over.

 

Anders dan Lan en ik, die best veel aten maar kort en iel bleven, was Yang lang en sterk. Dit merkte ik toen hij Lan met één hand optilde en als een schotel boven zijn hoofd ronddraaide. Ook anders dan Lan en ik, die babbelkousen waren, praatte Yang alleen als hij ons iets met een blik of een gebaar niet duidelijk kon maken. Maar als hij praatte, klonk zijn stem als een gong, laag en die een beetje resoneerde.

 

Bodyguard

De dag daarna was het zondag. Lan en ik hadden school noch huiswerk. Toch ging ik naar Lan. Gewoon, zomaar. Daar zag ik met lede ogen toe hoe Yang een appel voor Lan schilde, in schijfjes sneed, er tandenstokers in prikte en ze een voor een in Lans hand legde, terwijl hij mijn portie op de salontafel plaatste, klaar was kees.

 

’s Zondags hoefde Lans vader niet naar het werk en zijn bodyguard had dus vrij, met als gevolg dat ik ook lijdzaam moest toezien hoe hij armpje drukte met Yang. Alhoewel hij keer op keer van Yang verloor, moest en zou hij opnieuw een kansje wagen. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen, maar die man? Ik keek hun eindeloze wedstrijd aan. Wat wou ik dat Yang niet de godganse dag de hand van die vent vasthield, maar die van mij! Toen mijn jaloezie jegens de bodyguard geluwd was en ik geen rode waas voor ogen meer zag, merkte ik dat Yangs kaken door krachtsinspanning vierkant werden. Gefascineerd bekeek ik hem van opzij. Voor het eerst in mijn leven besefte ik hoe knap een man kon zijn.

 

Helaas had Yang maar welgeteld drie daagjes verlof gehad of hij was teruggefloten naar zijn werkeenheid, ergens in Zuid-China. Waar precies, God mocht het weten.

 

Jongens

In die turbulente jaren was schoonheid politiek incorrect. Als Lan en ik van school naar haar huis liepen, werden wij vaak met stenen bekogeld. De kwajongens vonden dat wij hadden gezondigd door er politiek incorrect uit te zien. Ik had Lan een paar keer gesmeekt de bodyguard van haar vader te vragen om ons te beschermen, maar telkens keek ze mij vies aan. Die man moest de veiligheid van haar vader waarborgen, niet die van het hele gezin, zei ze. Bovendien, van haar ouders moest ze leren voor zichzelf op te komen, want ze hadden niet het eeuwige leven en konden haar niet tot einde der tijden onder hun hoede nemen. Wat een waarheid als een koe, dacht ik bij mezelf, maar dit dwong respect bij mij af. Haar vader maakte tenminste geen oneigenlijk gebruik van de dienst bedoeld voor de uitoefening van zijn functie.

 

Door vallen en opstaan waren Lan en ik wijs geworden. Wij drukten onze rug tegen de huizenmuur en schoven ons met één schouder voor en één schouder achter van school naar huis. Zij lette op eventuele stenen aan haar linkerkant en ik aan mijn rechterkant. Op deze manier was tenminste onze rug gevrijwaard van mogelijke belagers. Samen waren we niet bepaald sterker maar wel veiliger.

 

Toch had Lan een streepje voor. Ze woonde op een legerkwartier, waar onbevoegden, kwajongens bijvoorbeeld, niet binnen mochten. Het flatje van moeder en mij bevond zich op een universiteitscampus, die in die turbulente jaren tot volksbuurt was verklaard. Daar kon Zhang en alleman in en uit. Met als gevolg dat de ruiten van ons flatje om de zoveel tijd werden ingegooid. Na het steenwerpen maakten de pestkoppen niet eens snel dat ze wegkwamen, want toentertijd had de politie andere dingen te doen dan boeven vangen. Doodleuk stonden de jongens onder mijn raam en gierden van het lachen. Goed verdiende loon, brulden ze tussen de lachbuien door.

 

 

Tortelduiven

Op een namiddag regende het pijpestelen. Lan en ik waren als een kind zo blij. Op weg naar haar huis liepen wij gewoon midden op de stoep. In dit soort weer bleven kwajongens hoog en droog thuis en de zin verging hen om meisjes op straat te pesten. Opeens bedekte Lan haar mond en wees naar een verliefd stel in burgerkleding een paar meter verderop. Daar om de hoek! riep ze tegen mij. Mijn hart sprong mij naar de keel.

 

Al had ik Yang maar een paar dagen stiekem mogen bekijken en bewonderen, ik kon zijn postuur uit duizenden herkennen. Lan en ik keken elkaar aan van, zagen wij soms spoken? Haar broer was toch terug naar Zuid-China? Dat was nog tot daar aan toe. Yang liep arm in arm met een vrouw! Zo vanuit de verte en achter een regengordijn kon ik haar smoelwerk niet duidelijk zien, maar haar figuur loog er niet om. Ze moest femme fatale zijn. Een vampier. Bloedmooi maar ook bloeddorstig! Ze was toch niet Yangs vriendin, hè? Maar wat had dit stelletje te zoeken in de stromende regen?

 

Dweilen

Hier bleef het niet bij. Lan en ik hoorden iets zwaars boven ons hoofd suizen en wij volgenden met onze ogen het geluid. Mijn hemel! Vanaf een hoog gebouw viel een baksteen. Lan duwde mij op het laatste nippertje weg, waardoor haar linkerzij de landingsbaan van dat projectiel werd en ze op de stoep viel. Ik bibberde te hard om moord en brand te schreeuwen, maar er bleef net genoeg fut in mijn lijf over om Lan overeind te helpen en haar te vragen of ze gewond was. Spijt had ik, als haren op mijn hoofd. Hoe kon ik ervan uitgaan dat de kwajongens hun pestwerkzaamheden door het slechte weer tegen zouden laten houden?

 

Het verliefde paar (vast en zeker Yang en zijn vampier) een paar meter vóór ons schenen ogen op hun rug te hebben en schoten als één man het bewuste gebouw in. Een paar tellen later sleepten ze vier jongens als een stapeltje dweilen naar buiten en zetten hen voor onze voeten neer. Daar lagen ze, dubbelgevouwen van angst en beven, smekend om genade.

 

Lan en ik waren onze schrik op slag vergeten en wij riepen in koor, pardon, in duet, hoera! Yang is hier! De man en de vrouw deden alsof ze ons niet kenden en verdwenen als twee slierten rook om de straathoek.

 

Postboden

Zelfs als men met zijn enkels keek, kon men zien dat ik verliefd was op Yang. Dit had Lan natuurlijk ook door. Ze wou dat ze niet zijn zusje was, anders zou ze ook met hem kunnen trouwen, vitte ze. Dat was de eerste keer dat er iets tussen haar en mij kwam te staan. Enfin, ik hield zoveel van Yang dat leeftijd voor mij geen rol speelde. Hij was heel oud, al tweeëntwintig, terwijl ik amper zestien was. Ik was zo gek op hem dat ik genoegen nam met zijn oeverloze afwezigheid en zijn rare manier van komen en gaan.

 

Lan kon nooit nee tegen mij zeggen en stemde toe mijn brieven aan haar broer door te sturen, via haar ouders dan. Ik wist het donders goed. Voordat mijn brieven de deur uitgingen, waren ze eerst door haar moeder, in opdracht van haar vader, opengemaakt en gecontroleerd op kuisheid. Zolang Yang de gedichten die ik voor hem had geschreven las, vond ik alles goed.

 

Heel af en toe kreeg ik een paar zinnen van Yang terug, toegevoegd onderaan zijn brief voor Lan. Help mijn zusje om, net zoals jij, hoge cijfers te halen voor toetsen en examens, dicht pas als je het huiswerk af hebt en volg samen met mijn zusje les in Kungfu. Ik had teveel fantasie en hij te weinig, pardon, geen. Want hij schreef altijd dezelfde zinnen. Dat hij niet moe werd van telkenmaal hetzelfde liedje te zingen! Desondanks kon het horen van datzelfde liedje mijn hart wekenlang in rep en roer houden.

 

Nachtbraker

Langzamerhand varieerde Yang zijn zinnen en zijn brieven kwamen met een grotere regelmaat aan. Hij vroeg mij Lan ook te leren dichten en zei dat mijn gedichten niet leken van de hand van een zestienjarige te zijn. Ik beschouwde het als zijn liefdesverklaring. Sindsdien had ik weinig slaap nodig. Ik kon van zonsondergang tot zonsopgang gedichten voor hem pennen en de volgende dag bleef ik zo wakker als een stokstaart in wachthouding, ook al werden mijn ogen zo rood als die van een konijn.

 

Lan verweet mij dat mijn gedachten spijbelden als ik haar met het huiswerk hielp. Ik diende haar van repliek dat ik ook mijn eigen huiswerk met de Franse slag deed. Daar had ze niets van terug, temeer omdat ik me als boodschapper aanbood voor haar en voor een uit de kluiten gewassen jongen van een klas hoger, die de spil was van de basketbalploeg van onze school.

 

Bezoek

Op een dag werd er op mijn deur geklopt. Ik ging naar buiten en herkende dat mens meteen. Het betrof de vampier met wie Yang op die regenachtige dag Lan en mij te hulp schoten. Ze praatte net als Yang, geen woord teveel. Hij en zij waren weer in Beijing, zei ze. Waarom? vroeg ik. Het ging mij niet aan, ze klonk zo kort en krachtig dat mijn oren ervan tintelden. Ze overhandigde mij een briefje. Daarop stond het adres van een Kungfumeester. Lan en ik moesten les van hem nemen en onszelf leren verdedigen, beval ze mij, namens Yang.

 

Op het briefje stond ook een telefoonnummer. Ik mocht haar bellen als de kwajongens weer mijn ruiten ingooiden. Ik vroeg de vampier of ik alstublieft Yang mocht zien of spreken, heel kort maar. Ze antwoordde dat zijn werk hem niet toeliet om op een regelmatige basis met een burger te corresponderen, al helemaal niet met een burger die minderjarig was en die ook nog een heropgevoede universitaire docente als moeder had. Ik schraapte mijn moed bij elkaar en zei tegen mezelf,  het was nu of nooit. Ik vroeg of ze Yangs verloofde was. Ze keek mij aan. Als blikken konden doden, dan was ik door haar om zeep geholpen. Nee, Yang wilde niet trouwen, haar stem trilde lichtelijk. Ik wilde verder vragen, maar toen ik haar blik zag, klapte ik dicht. Bij het afscheid zei ze een zin die ik tot vandaag toe heb onthouden.

 

Yang, vertelde ze, had haar verzocht mij te helpen waar nodig, op voorwaarde dat ik hem geen brieven meer stuurde. Ook als ze niet in Beijing was, kon ik dat nummer bellen, drukte ze mij op het hart. Haar vrouwelijke collega in Beijing kon eveneens wat voor mij doen. De kwajongens zouden van een koude kermis thuiskomen als ze Lan en mij nog eens met stenen durfden te bekogelen, verzekerde ze mij.

 

Twee vreemden

Ik hield mij in en wachtte totdat de vampier vertrok. Toen pas liet ik mijn tranen de vrije loop gaan. Weken, nee, maanden achter elkaar liep ik als een zombie rond. Lan nam mij kwalijk dat ik meer om haar broer gaf dan om haar. Wat een vergelijking! Ik kon haar niet uitleggen dat het een niet het andere was.

 

Na de middelbare school ging ik studeren op de Universiteit van Beijing. Lan had het staatsexamen niet gehaald. Deze keer konden wij niet meer over wat tussen ons was komen te staan heen, gaf ze mij te kennen. Niet lang daarna was ze getrouwd met een overzees Chinees en verhuisde met hem naar San Fransisco. Terwijl ik spaarde voor een fiets, verplaatste ze zich overal op vier wielen. Sindsdien bleef ons contact beperkt tot de jaarlijkse kerstkaart. In de eerste jaren van mijn verblijf in Nederland verhuisde ik van hot naar her en verloren wij elkaar uit het oog, waardoor ik Yang onmogelijk kon traceren.

 

 

***

 

Boom en zijn bladeren

Twee dagen geleden, toen ik de kale boom en zijn dorre bladeren in de Haagse duinen zag, voelde ik een steek in mijn hart die mij in geen jaren ten deel was gevallen. Mijn ogen werden rood, maar tranen bleven achterwege. Net als de bladeren die niet ver van de bomen vielen, moest Yang evenmin bij mij weg zijn geweest. Samen met die mooie vampier, iets wat het enige minpunt was in dit geheel, beschermde hij mij nog altijd tegen kwajongens en boze geesten. Of deze gedachten op feiten konden rekenen, was voor mij een non-issue. Ik vond er troost in en dat nam geen werkelijkheid van mij af.

 

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>