Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbijgaat, 17, Lulu Wang


Het voorjaar

‘Het Chinees Nieuwjaar’ is een Nederlandse benaming voor ‘Chunjie’ – het Lentefeest. Volgens de Chinese maankalender gaat het voorjaar met het Lentefeest van start. Neem dit jaar als voorbeeld, vanaf ruim een maand geleden, 5 februari om precies te zijn, leven wij in de lente, aldus de maankalender. Terwijl het toen nog vroor, sneeuwde, hagelde en al. Men zou zeggen dat Chinezen te optimisch waren, maar de vogels vonden van niet.

Mijn ochtendritueel bestaat uit wakker worden en mijn oren spitsen. Luisteren naar mijn achtertuin, die zowat grenst aan het Haagse deel van de Noordzee. Luisteren naar de stemming van het zilte nat. Is hij blij en vredig of humeurig en weerbarstig? In het eerste geval hoor ik een paar verdwaalde vogels tjilpen; in het tweede geval fungeert mijn slaapkamer als een muziekbox. Mijn ramen trillen en mijn gordijnen bollen op en zakken in, op het ritme van de golven niet ver van mijn bed. Dan stop ik mijn oren met mijn vingers en wacht totdat ik de moed heb verzameld om de storm te trotseren, zodat ik op kan staan.  

Een paar verdwaalde vogels omdat ’s winters de meeste vogels in de bomen van mijn achtertuin stil blijven. Slechts een paar vogels die de seizoenen door elkaar hebben gehaald en zijn verdwaald op de roulette van de vier jaargetijden, zingen paringsliedjes die voor de lente zijn bestemd. Sinds het Chinees Nieuwjaar ruim een maand geleden hoor ik echter meer en meer vogels tjilpen. Een Chinese dichtregel luidt, In het voorjaar wordt het water van de rivier warmer / Dit weten de eenden eerder dan wij. Zoiets schijnt ook voor de vogels te gelden. Ze horen als het ware de naderende voetstappen van het voorjaar en ruiken de geuren van hyacinten die binnenkort uit de grond zullen schieten. Met andere woorden, Chinezen met hun maankalender zijn niet zozeer optimistisch maar ze lijken eerder op eenden en vogels.

Vogelentaal

Nederlanders of Chinezen, wij verstaan allen de taal van vogels niet, specialisten in deze uitgezonderd. Daar zit ik mee, vooral nu vogels uitgebreider zingen. Wat is de tekst van hun zang? Waarom klinken ze zo lieflijk enthousiast en daar moet toch een reden voor zijn? Dat wij sedert de Babyloniërs die een wolkenkrabber wilden bouwen met een spraakverwarring kampen, is nog tot daar aan toe, maar wat hebben wij misdaan om een spraakverwarring te verdienen met dieren in het algemeen en vogels in het bijzonder?

Terwijl mijn achtertuin opgevrolijkt wordt door vogelenzang, tast ik in het duister welke tedere woorden ze met elkaar zijn aan het wisselen. Wat mij zorgen baart is dat ik iets van hen mis. Zou het kunnen zijn dat ze ook tedere woorden tot mij richten? Die ik helaas niet versta, waardoor ze het blijven proberen met tot gevolg de eindeloze refreinen van hun zang? Proberen ze misschien ook de liefde aan mij te bekennen? Alleen al dit idee spijt mij, tot in mijn beenmerg.

Met de groei der jaren verschuift mijn behoefte zich. Van mijn behoefte aan liefde naar die aan begrip. Van beminnen naar beleven. Zielsgraag zou ik de taal van vogels willen begrijpen en op die manier hun lief en leed delen. Inderdaad, toen ik jong was, wilde ik de liefde van een ander krijgen, maar nu ik jong van hart ben, hoop ik ook een schouder onder andermans leed te zetten. De ander hoeft niet een mens te zijn, het kan net zo goed een vogel of een eend zijn. Hoe zou mijn blikveld verruimd worden als ik zonder taalbarrière in de melodieuze vogelenwereld zou kunnen vertoeven? Hoe zou een nieuwe wereld voor mij opengaan als ik toegelaten zou worden tot de flora en fauna van de gevoelstuin van een medemens?

***

Verlof

Op mijn zestiende verliet ik mijn middelbare school in Beijing en ging naar de provincie Sichuan, Zuid-China, om daar verder te leren, aan een academie voor vreemde talen. Als noorderling was ik niet gewend aan het klimaat daar, warm, vochtig en een beetje benauwd. Ik werd gauw moe en slaperig. Geen punt, vond ik. Ik had tijd nodig om te wennen aan de nieuwe omgeving. Menig andere leerling bij mij in de klas zat met hetzelfde maar vond het wel een punt.

De directeur van onze school besloot ons allen naar de dokter te sturen en toen klapte de doos van Pandora open. Het bleek dat wij naast het Sichuans klimaat ook niet waren gewend aan de Sichuanse bacteriën, die in vocht en warmte weelderig gedijden. De helft van onze klas hoefde voorlopig niet naar de les omdat die of hepatitis B onder de leden had gekregen of anti-HAV IgM positief was geworden. Ik viel onder de laatste categorie.

Toen moeder hier lucht van kreeg, was ze in alle staten, hoorde ik achteraf. Ze werkte net zo lang op de zenuwen van mijn vader dat hij geen andere uitweg vond dan aan haar verzoek te voldoen. Via via had hij geregeld dat ik tijdelijk naar huis mocht. Moeder zou mij naar een hoofdstedelijke internist brengen, voor een second opinion. Terwijl ik mijn koffer voor de terugreis inpakte, hoorde ik mijn kamergenoten tegen elkaar fluisteren. Wat een verwend nest, vonden ze mij. Zelfs hepatitis-patiënten bleven in Sichuan voor een reguliere behandeling, terwijl ik met een tikkeltje anti-HAV IgM positief hoognodig naar een specialist in Beijing moest. Die trut wilde alleen maar pronken met haar vader die links en rechts connecties had, mompelden ze.

Hoewel ik het met mijn klasgenoten eens was wat betrof mijn moeders aanstelleritis en mijn vaders geregel, wilde ik dolgraag weer naar Beijing, al was het maar voor een paar weken of een maand, afhankelijk van de diagnose van de internist aldaar. Ik miste de zon. Sichuan stond bekend om zijn mist. De zon was vaker een nevelige, oranje gloed met een kartelrand dan wat anders. Ik moest mijn voorstellingsvermogen aanspreken om de contouren van de zon te raden. Ik miste ook mijn ouders, die mij, toegegeven, verwenden, met lekkernijen en aandacht – soms teveel van het goede, enfin. Thuis was het toch leuker dan in Sichuan, waar ik slechts één mentor had die mij sporadisch een blik toewierp. Begrijpelijk, hoor. Hij moest over een vijftigtal minderjarige leerlingen waken terwijl hij maar één stel ogen had.

Begeleidster

Uiteraard liet de school mij niet alleen reizen. Ik werd begeleid door een lerares die minder geluk had gehad dan mijn klasgenoten en ik. Haar hepatitis was te laat ontdekt en chronisch geworden. Ze was doorverwezen naar een kliniek in Beijing, waar ze vermoedelijk direct na aankomst opgenomen zou worden.


Al was ze een docente, haar status scheen gelijk te zijn aan die van onze schooldirecteur. Want ze mocht op kosten van de werkeenheid reizen in een eersteklascoupé, een soft sleeper dus. Ik was maar een leerling en kreeg een ticket voor een hard seater. Zo had ik zesendertig uur kaarsrecht gezeten. Gelukkig kon ik drie keer per dag mijn benen strekken door helemaal naar de restauratiewagon te lopen. Daar trakteerde de lerares mij op roodgeroosterd varkensvlees, gestoomde karpers, gevulde paprika’s en nog meer lekkers. Voor een leerkracht was ze erg vermogend, vond ik. Of was ze gewoon gul? Trouwens, voor een gulle vrouw keek ze best streng uit de doppen. Tijdens de rit die twee dagen en twee nachten duurde, had ik de spieren van haar overigens fraaie gezicht zich geen enkele keer zien ontspannen. Ze lette op alles en iedereen om zich heen, alsof de trein vol zat met boeven die ze op heterdaad moest betrappen en vangen.

Toen wij in Beijing aankwamen, zag ik het plafond van het Centraal Station draaien. Ik probeerde stabieler op mijn benen te blijven, maar mijn hoofd duizelde en mijn lichaam beefde, in het ritme van de trein waar ik reeds uit was gestapt. Ik schudde mijn lijf en probeerde het gewiebel van de trein uit mijn systeem te wissen, tevergeefs. Met mijn zware bagage in de hand sjokte ik achter de lerares aan en deed hijgend mijn best haar in te halen. Helaas lukte het me niet. Om de paar stappen moest ze stoppen om op mij te wachten. Ongeduld stond op haar gezicht geschreven. Ik vond mezelf een blok aan haar been en zwaaide naar haar.

Mevrouw, zei ik, gaat u maar verder. Mijn ouders zouden mij komen ophalen en ze vinden mij langs dit pad wel. De juf draaide zich naar mij om en stak een vinger in de lucht. Als een kindersmokkelaar mij zou ontvoeren en aan een boer in de bergen zou verkopen, zou ik nooit meer heelhuids thuiskomen, als ik al thuis kon komen, maakte ze mij bang. Ophouden met zielig doen, zei ze tegen mij. Toen zij een jaartje ouder dan ik was, had ze vijf dagen en nachten door een oerwoud gelopen en ze moest het vlees en bloed van slangen en muizen rauw eten en drinken om honger te stillen en dorst te lessen. Ik keek naar haar frêle figuur en delicate gelaatstrekken en geloofde niets van haar broodjeaapverhaal. Dit nam niet weg dat ik mezelf zo goed en zo kwaad als het ging bij elkaar raapte om sneller achter haar aan te strompelen, het liefst zonder al te hevig op mijn benen te beven. O, wat lustte ik de wiebelende trein rauw!  Alhoewel, hoe kon ik zonder de trein in Beijing geraken? Even tanden op elkaar bijten en ik was zo thuis, hield ik me voor.

Ophalen

De wonderen waren de wereld nog niet uit. Ik had de docente zo waarlijk ingehaald! Toegegeven, geen kunst gezien het feit dat ze gestopt was met lopen. Haar normaliter strak gespannen gezicht bloeide als een roze roos op. Merkwaardig, want zelfs toen wij in de restauratiewagon van een gestoomde karper zaten te smullen straalde ze niet zoals nu. Ik volgde haar blik, gooide mijn koffer op de vloer en sprong op en neer als een Maltezer die een worst rook. Want Lans broer was mij komen ophalen!

Hij hoorde mij hem roepen en snelde naar mij toe. Ineens waren mijn benen prima in orde gekomen en ik vloog naar hem toe. Op de academie had ik geleerd om als een volwassene mensen te begroeten, namelijk door met hen handen te schudden. Ik gaf Lans broer een hand, maar hij keek niet naar maar naast mij, in de richting van mijn juf. Nu was haar gezicht geen roze roos meer, maar een rode vlag. Ze glunderde, hield zijn hand vast en liet hem niet meer los. Ik had mezelf wel voor de kop kunnen slaan. Hoe haalde ik het in mijn hoofd dat Lans broer mij zag staan, laat staan mij kwam ophalen?

Geluk bij een ongeluk was dat op dit nippertje mijn ouders waren verschenen. Moeder nam mij van top tot teen op, alsof ik een doos porseleinen servies was die ze moest uitpakken en de inhoud ervan moest controleren. Kijken of er een kop of een schotel tijdens het vervoer gebroken was. Hierna zei ze tegen mijn vader, die inmiddels mijn bagage had overgenomen, dat Sichuan niet voor niets het &Paradijs van rijst en vis& heette. Ze vonden dat ik flink was gegroeid, zeker door de goede voeding bij mij op school.

Weerzien van Lan

Moeder liet er geen gras over groeien en bracht mij de dag na mijn thuiskomst al naar een internist. Een bloedtest wees uit dat mijn anti-HAV IgM als bij toverslag negatief was geworden. Geen idee of het kwam door het kouder en droger klimaat van Beijing of simpelweg omdat er iets niet klopte met dezelfde test in Sichuan. Mijn vader hield zich aan zijn afspraak met mijn school en stuurde hen direct een brief. Ik was gezond verklaard,  schreef hij, en ze konden mij elk moment terugroepen, als ze het nodig achtten. Al vond moeder vader te snel met zijn berichtgeving – met andere dingen was hij zo traag als een slak, ze kon hem niets verwijten. Per slot van rekening was ik in Beijing vanwege mijn ziekte, die inmiddels spontaan was genezen of die ik misschien überhaupt niet had gehad.

Lan liet er evenmin gras over groeien en kwam mij ook de dag na mijn thuiskomst al opzoeken. Gelukkig was ik net terug van het ziekenhuis toen ze mij met een bezoek verblijdde en ik sprong wederom op en neer als een maltezer die een worst rook. In plaats van mij te volgen naar de woonkamer, bleef ze verstijfd in de deuropening staan en keek mij met koeienogen aan. Wat had je in Sichuan gegeten? vroeg ze mij. Ze behandelden ons als baby’s, antwoordde ik, en gaven ons elke ochtend melk te drinken. Voor de lunch hadden wij vaak vis of vlees te eten en voor het avondmaal kregen wij geregeld eieren en nog meer voedzaams voorgeschoteld, zei ik niet zonder trots.

Geen wonder dat ik zo groot was geworden! vertelde ze mij, vreemd genoeg, met het schaamrood op haar kaken. Hoe wist ze dat ik in Beijing was? vroeg ik naar de bekende weg. Want ik wilde uit haar eigen mond horen dat ze het van haar broer had vernomen. Alleen al zijn naam klonk als muziek in mijn oren. Haar broer was ook naar het station gegaan, antwoordde Lan. Hij moest zijn oud-collega ophalen en naar het ziekenhuis brengen.

Pak van mijn hart

Zijn wat? sloeg mijn stem over. Geen wonder dat die twee zo hartelijk tegen elkaar deden, terwijl ik erbij stond! Dat ze zich niet schaamden voor het publieke vertoon van intimiteit, nou ja, van kameraadschap dan. De lerares had tijdens een opdracht de kruisbanden van haar knieën gescheurd en kon haar werk niet meer doen, vertelde Lan. Maar ze had nog wel een diploma voor de Engelse taal en daarom een aanstelling gekregen bij ons op school. En voor wie had ze haar kruisbanden opgeofferd? Voor Lans broer. Om hem te beschermen tegen boeven. Ze was dus een heldin en werd overal met egards behandeld, aldus Lan.

O zo! slaakte ik een zucht van opluchting. Mijn juf was dus niet de vriendin van Lans broer, alleen een partner op het werk geweest. Ik maakte nog kans om zijn hart te winnen, dacht ik bij mezelf. Ik trok Lan de woonkamer in, waste en schilde een appel. Terwijl ik haar ervan zag smikkelen, vroeg ik haar of ik haar mocht weerzien, bij haar thuis. Ze klonk opeens onverbiddelijk, op één voorwaarde, namelijk, ik mocht niet als een dolle hond op en neer springen als ik haar broer daar aantrof. Geen probleem! knikte ik gretig, maar Lan, waarom mocht ik niet springen? Ze meed oogcontact met mij en ging er niet op in. Mijn nieuwsgierigheid rees de wok uit en ik herhaalde de vraag net zo vaak totdat ze bloosde.

Ze mompelde dat ik mijn moeder moest vragen een beha voor mij te kopen. Gauw boog ik mijn rug, kon… kon ze dwars door mijn gewatteerde jas zien dat mijn borsten waren gegroeid? Erger nog, had haar broer soms gezien dat mijn borsten rezen en daalden toen ik in het Centraal Station Beijing als een Maltezer dartelde? Ze dacht hardop, nu snapte ze waarom ze hem gisteren hoorde zeggen dat Lulu een grote meid was geworden. Kortom, zei Lan, ik mocht niet huppelen, moest langzaam lopen en vervolgens stil zitten als ik bij haar op visite kwam.  

Toen moeder van haar universiteit thuiskwam, informeerde ik bij haar hoe een beha in zijn werk ging. Of ik wel mocht huppelen en rennen als ik zoiets zou dragen. Ze keek mij indringend aan maar zei verder niets. De dag daarna ging ze vroeg de deur uit en kwam terug met iets wits, bobbeligs en stijfs. Ik voelde dat ding al in mijn vlees snijden. Moest ik voortaan hiermee mijn bovenlijf insnoeren en kastijden? Alhoewel, ik dacht aan Lans broer en vond troost in de gedachte dat als ik dat marteltuig zou dragen, ik wel mocht springen zodra ik hem weerzag.

Sneu

De volgende ochtend raffelde ik het ontbijt af en vroeg moeder of ik naar Lan mocht. Wij hadden veel om bij te kletsen, over onze oude school en klasgenoten, jokte ik een beetje. Moeder zei dat ik net hersteld was van anti-HAV IgM positief en beter het bed kon houden, maar vader was coulanter. Hij vermoedde dat vandaag of morgen een brief van mijn academie in de bus zou vallen. Ik zou waarschijnlijk verzocht worden om de eerste de beste trein te nemen en de les in Sichuan te hervatten. Laat het kind lekker spelen nu het nog kon, haalde vader moeder over de streep.

Ik schoot de deur uit en snelde naar Lans huis. Helaas trof ik daar haar broer niet aan. Hij was kippensoep, appels en peren gaan brengen naar de lerares in de kliniek, vertelde Lan mij. Ik keek blijkbaar zo sneu uit mijn doppen dat Lan zich gepikeerd voelde. Was onze vriendschap niets meer waard nu ik verkikkerd was op haar broer? merkte ze op.  

Wie was verkikkerd?! haastte ik me te zeggen. Op wie? Ze wierp mij een veelbetekenende blik toe en gaf mij te verstaan dat ik een lafaard was. Als zij iemand leuk zou vinden, zou ze het niet ontkennen, niet voor zichzelf, niet voor haar boezemvriendin, voor wie dan ook niet. Ik trok nogmaals aan haar arm en verzocht haar met klem niet aan haar broer door te laten schemeren wat ik voor hem voelde. Hij zou mij uitlachen, zei ik, want ik was niet zo knap als de lerares en ik had mijn leven niet op het spel gezet om zijn leven te redden. Eerlijk was eerlijk, dacht ik stiekem, zelfs als de lerares niet lachte en nors keek, was ze nog een plaatje. Dit had ik niet willen inzien maar dit zag Lans broer beslist wel.

Lan leidde mij naar haar eigen kamertje, trok een lade open en liet haar recente huiswerk voor tekenen en schilderen zien, waar ze een 9 voor had gekregen. Ze was ook verliefd, nam ze mij in vertrouwen, maar dan op een kunstzinniger iemand dan haar broer, namelijk haar leraar tekenen en schilderen. Ze ging naar de keuken, pakte een bezem beet, hield hem hoog in de lucht en keek vastberaden straal vooruit. Precies zoals een fotomodel afgebeeld op de posters, die overal geplakt waren, op boomstammen, lantaarnpalen, huismuren, bussen en bakfietsen. Op de posters droeg dat strijdlustige model een mosgroene legeruniform en zwaaide met een penseel ter grootte van een hooivork, waarmee ze politiek correcte slogans op boomstammen, huismuren enzovoorts kalligrafeerde. Het speciale van deze leraar was dat hij eerst een persoon met erbij passende gebaren en gelaatsuitdrukkingen nabootste en dan pas de hele klas het figuur liet schetsen, richtte Lan haar gezicht verzaligd ten hemel terwij ze met hem dweepte.

Leraarskleren

Nee toch, schoot mij iets te binnen, die leraar kende ik nog van vroeger! Hij had een blik als een röntgenapparaat en kon dwars door mijn winterjas mijn ribben tellen. Ik kreeg koude rillingen telkens als hij naar mij loerde. Was Lan op hém verkikkerd?! Ik begreep het echter wel, want hij kon inderdaad veinzen lief en aardig te zijn. Ik duwde Lan zowat van haar stoel af en verhief mijn stem, hij was een wolf in leraarskleren! Stttt, gauw bedekte ze mijn mond. O wee als haar ouders erachter zouden komen dat ze een groot mens leuk vond. En als haar broer dit zou weten, zou hij de leraar dubbelvouwen, plat trappen en in de vuilnisbak douwen.

Ik debatteerde met mezelf. Zou ik Lan wel of niet vertellen over de röntgenogen van die griezel? Als ik het zou doen, zou ze mij geheid verkeerd begrijpen. Alsof ik haar het geluk niet gunde. Als ik het zou laten, zou ik met lede ogen haar in zeven sloten tegelijk zien lopen. Ik zat net te dubben wat wijsheid was toen ze zelf een ‘oplossing’ aandroeg. De druiven waren zuur, klonk ze verontwaardigd. Een paar leerlingen hadden de leraar bij de schooldirectie aangegeven, als aanrander. Je reinste onzin, riep ze. Die meiden waren stinkjaloers omdat hij Lan liefhad, en niet hen.

Wathad? Liefhad? Ik kreeg het benauwd en schudde Lan door elkaar. Mijd die leraar als hepatitis B! Nu keek ze even sneu als toen ik hoorde dat haar broer niet thuis was. Hoe kon ze hem mijden? klonk ze opeens huilerig. Hij was inmiddels ontslagen en nergens meer te bekennen. Toch hield ze van hem, keek Lan mij boos aan, alsof ik hun liefde een strobreed in de weg had gelegd, al had ik het dolgraag willen doen. Haar gevoelens voor hem bleven, als de zon overdag en de maan ’s nachts, hoeveel aantijgingen die tros zure druiven ook naar het hoofd van haar idool slingerde.

Ik slaakte wederom een diepe zucht. Ditmaal omwille van Lan. Als het aan mij lag, mocht dat stel röntgenstralen voorgoed doven en uit Lans buurt verdwijnen. Nu er een pak van mijn hart was en ik Lans broer toch niet te zien kreeg, zei ik dat ik er vandoor moest. Moeder wachtte thuis op mij, jokte ik wederom een beetje. Du moment dat deze woorden over mijn lippen rolden, voelde ik me rot. Sinds wanneer verwaterde onze jarenlange vriendschap en ik als een audodidact leerde liegen alleen maar omdat wij ons hart hadden toevertrouwd aan een man die of onbereikbaar was of onbetrouwbaar?

Begeleider

De dag van de waarheid kwam. De brief van de academie viel, zoals vader had zien aankomen, een dag later in de bus. Ingesloten was een enkeltje hard seater. Moeder  werkte net zo lang op de zenuwen van vader dat hij niets anders kon dan op zijn werk een interlokaal telefoontje naar mijn school te plegen. Of het tegen de regels zou zijn als wij zelf zouden bijbetalen om het ticket te upgraden naar een hard sleeper. Moeder had er van tevoren een argument voor bedacht, dat mijn vader kon aanvoeren om mijn school te overtuigen. Ik was pas hersteld van anti-HAV IgM positief en kon de lange reis beter iets minder vermoeiend afleggen.

Toen moeder haar zin had gekregen en vader op het punt stond mijn kaartje in te ruilen, kwam ze met een tweede vraag. Of vader naar een collega zou zoeken die binnenkort ook naar Sichuan zou gaan. Ze kon mij toch niet in mijn eentje achtenveertig uur laten reizen? Hoewel vader vond dat moeder een ster was in het zien van een spook op elke straathoek, was hij het ditmaal wel met haar eens. Alleen, waar vond hij iemand die toevallig een dezer dagen naar Sichuan moest, die ook nog te vertrouwen was? Hij belde opnieuw interlokaal naar mijn academie. Zodra hij een begeleider voor mij vond, zou mijn terugreis aanvangen, luidde zijn belofte.

Moeder maakte zich geen zorgen. Ten eerste omdat vader in Sichuan had gewerkt en heel wat oud-collega’s kende die daar waren gebleven en regelmatig tussen Sichuan en Beijing pendelden. Ten tweede omdat ze heimelijk hoopte dat vader zo een twee drie niemand kon vinden, want dan had ze een smoes om mij langer bij zich te houden. Hoe ik dit wist? Normaal gesproken, als moeder iets wilde, moest ze het al gisteren hebben, maar nu? Dagen gingen voorbij en ze had geen enkele keer bij vader geïnformeerd hoe het met mijn begeleider vorderde.

Beijing kende maar twee seizoenen. Winter en zomer. De overgang van vrieskou naar bloedheet was zo abrupt dat er geen tijd voor lente overbleef. Ik had mijn gewatteerde jas nog niet uitgetrokken of ik moest mijn dunne blouses uit de kast halen. Precies een week nadat de school mij had opgedragen me in Sichuan te melden, kwam vader thuis met goed en slecht nieuws. Er ging een jonge collega van hem naar Sichuan, morgen wel te verstaan, maar de tijd was te kort om voor mij een hard sleeper te boeken. Ik moest dus de treinreis alsnog rechtop zittend afleggen. Moeder durfde er geen nee tegen zeggen, want ik had al lang genoeg op een begeleider gewacht. Deze kans moest ik met beide handen aangrijpen, punt uit.

Vader vertelde ons dat die jonge collega Gang heette, zoon van een hoge piet. Niet zo’n big shot als Lans vader met een bodyguard en al maar twee rangen hoger dan mijn vader. Gang was sinds vier jaar verbonden aan dezelfde werkeenheid als mijn vader en hij moest regelmatig naar Sichuan op werkbezoek. Met andere woorden, mijn vader kende Gang en zijn familie voldoende om mij aan hem over te laten. Had ik mijn vader een jaar geleden zo horen praten, zou ik hem voor een snob hebben uitgemaakt. Waarom moest hij het over rangen en standen hebben terwijl het simpelweg om een medereiziger ging? Maar sinds ik op de academie zat, merkte ik aan menig detail verschillen tussen mensen, die keurig en discreet in groepen waren verdeeld. Zo had ik geleerd om aan de voorzieningen die eenieder was toebedeeld af te lezen tot welke rang die behoorde. Vader was geen snob maar realistisch. Wilde ik me in de grotemensenwereld handhaven, diende ik ook statusbewust te zijn.

De volgende ochtend was ik vroeg uit de veren. Al zou mijn trein pas in de namiddag vertrekken, ik wilde ruim van tevoren gepikt en gedreven klaar staan. Moeder gaf mij haar eigen nieuwe blouse cadeau, die ik mocht aantrekken en vertelde me dat een net meisje zich langzaam diende te bewegen. Met andere woorden, ook al had ik een beha aan, ik mocht niet meer springen en dartelen. Vader legde een nieuw schrift in mijn koffer. Ik dichtte toch graag? Waarom hield ik geen dagboek bij? En, voegde hij eraan toe, vergeet niet eens per week naar huis te schrijven, afgesproken? Tranen welden uit mijn ogen. Ik kreeg spijt dat ik een half jaar geleden per se naar Sichuan wilde om zo hoognodig Engels te leren. Destijds wilde ik het doen om Sheng te ontlopen en te vergeten. Nu ontliep ik ook mijn ouders, die mij op dat moment van afscheid dierbaarder leken dan ik ooit had bevroed.

Bij de ingang van het Centraal Station Beijing liep vader regelrecht naar een jongeman die links en rechts stond te kijken. Begroet oom Chen, beval vader mij. De jonge meneer bloosde maar zei verder niets. Moeder stapte naar voren en zei tegen vader, laat Lulu Gang gewoon bij zijn voornaam noemen. Dat was waar ook, krabde vader aan zijn hoofd. Gang was begin twintig en verschilde maar vijf, zes jaartjes met ons kind. Gang bloosde weer, bleef zwijgen maar oogde zichtbaar opgelucht. Vervolgens knikte hij tegen mijn ouders, alsof hij hen verzekerde dat hij mij veilig en al naar mijn school zou brengen. Terwijl mijn ouders hem bij voorbaat voor de goede zorg dankten, stak hij zijn hand uit, nam mijn zware koffer over en schudde zijn hoofd. Moeder begreep hem meteen en beaamde, juist, het was nergens voor nodig om met zijn drieën het kind naar het perron te begeleiden. Wij gaan maar, zei ze tegen vader en ze lieten mij moederziel alleen achter, weliswaar met een vreemde meneer aan mijn zij, maar toch.

Hard seat


Voordat wij in de trein stapten, stak Gang zijn hand nogmaals uit. Gek genoeg, ik begreep hem ook. Wilde hij mijn kaartje zien? Hij knikte en liep met mij mee naar mijn treinstel. Hij legde mijn koffer op het rek boven mijn hoofd, schreef op een briefje het nummer van zijn coupé –  een hard sleeper, zag ik, legde het briefje in mijn hand en ging weg. Ik zag zijn rug en miste Lans broer, die een stuk langer en gespierder was. Wat moest een man met een slank figuur en fijne gelaatstrekken? Zo leek Gang op een ‘slagroomjongen’ uit klassieke Chinese romans zoals Droom van de rode kamer ;. Als er een lentebries opstak, zou hij als een rozenblaadje weg worden gewaaid. Ja, ik overdreef, niet een beetje ook, maar wees eerlijk, hoe kon Gang met zijn dunne armen en smalle taille boeven vangen en hen geboeid en al bij het politiebureau afleveren, hè?

Witte rijst met kippenvlees en sperziebonen! Ik werd wakker door het roepen van een conducteur die aan een voedselkar duwde. Etenstijd. Ik tastte in mijn tasje voor de portemonnee, stond op en wilde net een portie halen of ik zag in de verte een zwaaiende vinger van Gang. Hij liep ongeduldig achter de conducteur met haar slakkengang aan, want iedereen had trek en moest wat kopen,en dus een file van hier tot ginder. Ik zette mij braaf neer en wachtte totdat de conducteur met haar karretje voorbijging.

Eenmaal bij mij aangekomen, haalde Gang mijn koffer van het bagagerek en gebaarde mij deze open te maken. Vervolgens wees hij naar mijn pyjama, handdoek en tandenborstel. Ditmaal snapte ik hem niet. Toen zei hij de eerste woorden sinds onze ontmoeting. Neem de spullen mee, boog hij naar mijn hoogte en fluisterde, want direct na het avondeten kon ik bij hem in de hard sleeper terecht. Waar ging hij dan slapen? riep ik. Hij keek om zich heen en nam mij vlug bij de medepassagiers vandaan. Onderweg naar de restaurantiewagon gaf hij mij zijn kaartje en vroeg naar het mijne. Nu vatte ik het. Hij zou de nacht op mijn zitplaats doorbrengen en als de conducteurs ’s nachts onze kaartjes kwamen controleren, kon ik het zijne en hij het mijne tonen. Ik wilde tegenstribbelen, maar hij gebaarde mij stil te zijn.

Anders dan mijn lerares, trakteerde Gang mij niet op geroosterd varkensvlees of gebakken karper, maar op een bord mierzoete rijstepap. Ik had spijt dat ik daarnet en plein public riep waar hij dan ging slapen? Daarom zocht ik zijn oor op en fluisterde erin, zag hij mij soms voor een baby aan? Wie at nou pap als hoofdmaal? Hij klopte op zijn rechterzij. Ahá, zei ik, hij zag mij voor een hepatitis patiënt aan. Daar had hij een punt, knikte ik. Volgens de traditionele Chinese geneeskunde kon men met een leveraandoening zo min mogelijk dierlijk vet in het het dieet hebben en iets meer suiker dan normaal.

Ik lepelde de pap op en moest heimelijk lachen. Tegen de tijd dat ik op het Centraal Station Chengdu, de hoofdstad van Sichuan, uitstapte, had ik het diploma voor de doventaal gehaald. Voor de zoveelste keer miste ik Lans broer. Hoewel hij even zuinig met woorden omsprong als Gang, hij liet mij zelden gissen naar zijn bedoeling, want hij had sowieso weinig tegen mij te zeggen. Gang daarentegen scheen met een buikvol woorden te zitten, die hij aan mij kwijt wilde. Toch was ik eerder gefascineerd door Lans broer die niets met mij te maken wilde hebben dan door Gang die van alles aan mij wilde vertellen, weliswaar stilzwijgend, mits ik er oren naar had. Had ik soms een schroefje in mijn bovenkamer los, waardoor ik aan zelfkastijding deed? Werkelijk, sinds ik met een beha mijn bovenlijf insnoerde, aanvaardde ik pijn als een noodzakelijk kwaad, nee, sterker nog, als het toegangsbewijs voor plezier.  

Hard sleeper

Ik werd midden in de nacht wakker, kroop uit eigenlijk Gangs bed en tastte slaapdronken mijn weg naar mijn oorspronkelijke zitplaats. Toen ik mijn treinstel binnentrad, stond Gang direct op. Zo te zien was hij de hele tijd wakker gebleven. Hij keek mij geërgerd aan met als onderliggende tekst, wie had mij toegestaan om hier te komen? In het holst van de nacht? Ik zei dat ik genoeg had gerust en dat hij nu aan de beurt was. Hij sloot zijn ogen en liet mij doodleuk voor hem staan, blijkbaar in de hoop dat ik zoetjes aan met hangende pootjes af zou druipen. Door schade en schande wijs geworden durfde ik niet meer in de aanwezigheid van de medepassagiers tegen hem te zeggen dat wij van plaats terug moesten ruilen en ik droop, precies zoals Gang het had gewild, terug naar mijn, pardon, zijn hard sleeper.

Ik kon de slaap niet meer vatten en telde de minuten totdat het eerste straaltje ochtendgloed via een raampje mijn coupé binnendrong. Holder de bolder ging ik naar Gang en hijgde als een os toen ik hem bereikte. Al oogde hij vermoeid en bleker dan de avond daarvoor, hij verkeerde in een prima stemming. Hij gebaarde mij rustig op adem te komen en toen het zover was, stond hij op en nam mij mee voor ontbijt in de treinrestauratie.

Ik zei dat ik alleen mijn bord pap op wilde eten als hij beloofde naar zijn bed te gaan en een gat in de dag te slapen. Hij knikte en oogde nog vrolijker dan daarnet. Ik zag in de weerspiegeling van een raampje mijn twee rode wangen. Zo zag ik er best gezond uit, voor een hepatitis verdachte. Nu snapte ik waarom hij zo blij was. Ik was flink uitgerust en hij was niet voor niets opgebleven. Ik vroeg om een tweede portie pap en wachtte niet totdat hij mij met zijn blik om tekst en uitleg vroeg. Zo kon ik de lunch overslaan en hoefde hem niet te storen, zei ik. Dan kon hij aan één stuk rusten, tot aan het avondmaal – men voelde toch geen honger als men sliep? Hij lachte toen hij dit hoorde. Dat was de eerste keer dat ik hem zo vrolijk zag. Hierdoor leek hij sprekend op een slagroomjongen, met zijn roze lippen en bleke wangen.

Riksja

De twee dagen en nachten in de trein vlogen voorbij. Toen ik in het Centraal Station Chengdu uitstapte, draaide het plafond niet boven mijn hoofd noch trilden mijn benen. Gang liet mij binnen het station wachten en ging zelf naar buiten om te informeren naar mijn streekbus. Hij kwam terug met de mededeling dat de eerste bus naar het adres van mijn school pas morgenochtend om zeven uur reed. De euforie die ik ervoer toen ik zo fris als een hoentje uit de trein stapte, verdampte, maar ik maande mezelf niet te klagen). Ik kon toch niet alles naar wens hebben? Én een voorspoedige treinreis én een directe aansluiting met mijn bus?

Gang zag mijn hangend hoofd en zei dat het gasthuis van zijn werkeenheid waar wij vannacht zouden verblijven in hartje Chengdu lag. Zodra wij ons in het hotel hadden geïnstalleerd, zou hij mij rondleiden in de Smulstraat. Daar zou hij voor mij een portie Sichuanse specialiteit bestellen, wantansoep met varkensgehakt, koriander, lente-uitjes en sesamzaadjes. Mijn mond overstroomde toen ik aan vlees dacht, vooral na twee dagen en zes maaltijden niets dan gezonde pap en gestoomde groente te hebben doorgeslikt. Gretig dribbelde ik achter Gang aan, in de richting van het gasthuis onder de rook van de Smulstraat.

Du moment dat ik een stap buiten het station zette, werd ik bij wijze van spreken gewikkeld in een wollen deken. O moedertje, wat was het heet! En vochtig! En drukkend! Door die ene week in Beijing was ik haast vergeten hoe erg het met het Sichuans weer gesteld kon zijn. Ik hapte naar lucht terwijl ik een zweetdouche onder mijn kleren kreeg. Gang zag mij zuchten, vertraagde zijn voetstappen en liet mij op de stoep staan. Zelf stak hij de straat over en riep naar een van de riksja jongens, die allen met een handdoek om hun hals en een strohoed op hun hoofd de een nog luider dan de ander schreeuwdend klanten stonden te werven. Zoiets had ik alleen in speelfilms over de Qing-dynastie gezien en was allang uit het straatbeeld van Beijing verwijderd, maar wij zaten nu in Sichuan…

Gang zette mijn koffer in de riksja, vertelde de jongen – eigenlijk een opa, een graatmagere – de naam van ons gasthuis en betaalde hem vooraf. Ik sprong uit de wagen. Geen sprake van, gaf ik Gang te kennen, hij ging mee of wij liepen beiden naar ons hotel! De riksja opa veegde met zijn handdoek dikke zweetdruppels af die gutsten uit zijn kruin met erop welgeteld drie grijze haartjes en wachtte totdat wij het eens zouden worden.

Wijzend naar het bankje in de riksja zei Gang, daar konden toch geen twee mensen en hun grote koffers in? Toen de opa dit hoorde, snoerde hij zijn stoffen broekriem vaster dan het al was en kwam tussenbeide. Maakt u zich geen zorgen, meneer en juffrouwtje, lachte hij ons vriendelijk toe. Onze bagage en wijzelf pasten er allemaal in, daar had hij ervaring mee, aldus de grijsaard. Hierna tilde hij Gangs zware koffer op, legde die op mijn bankje, tegen mijn rechterbeen aan, en nodigde Gang ook te komen zitten. Mijn ogen werden nat en ik deed mijn best om de tranen binnen de perken te houden. Nog een jaartje dan werd ik een volwassene en Gang was in de kracht van zijn leven, maar wij lieten een bejaarde ons en onze bagage voorttrekken,  onder de schroeiende zon en in de drukkende lucht. Gang zag mijn rode oogkassen, wreef in zijn handen en wist zich duidelijk geen raad. De opa zag de kans schoon om op zijn zadel te klimmen, waarna hij ijverig op de pedalen begon te trappen.

Ik voelde frisse lucht langs mijn wangen glijden en de randen van onze koffers tegen mijn rechterbeen stoten. De opa scheen sneller te been dan Gang en ik. Met een flinke vaart fietste hij op de door de zon kleverig gebakken asfaltweg en blauwe aderen kronkelden als regenwormen op zijn bruine armen en kuiten. Opeens stopte hij en bood ons zijn excuses aan. Door de haast was hij vergeten de stoffen zonwering voor ons open te trekken. Zo reden Gang en ik, met onze bagage tussen ons in opgestapeld en met een koel dakje boven ons hoofd naar onze plaats van bestemming.

Ik deelde een kamer met een tante in een lange groene jurk met gele strepen. Ze was op doorreis en zou morgenvroeg haar man die iets buiten Chengdu werkte, opzoeken. Dit vertelde ze in ruil voor informatie over mij. Ik zei dat ik ook op doorreis was en zou morgenvroeg met de streekbus naar mijn middelbare school gaan. De meisjes van tegenwoordig, schudde ze haar hoofd, veels te vroegrijp. Zo jong maar al voorzien van een blik die mannen uit de tent lokte. Wie was de sierlijke jonge heer die mij hierheen had gebracht? ondervroeg ze mij. Ik nam een handdoek en sloot mij af in de badkamer. Dit was een hotelkamer, geen verhoorkamer, wilde ik het op die manier aan haar laten merken.

Stad van vermaak en vertier

Tegen zessen was de avond al gedaald. Chengdu bevond zich in een bassin. De bergen eromheen namen het zonlicht minstens een uur eerder weg dan in Beijing, had ik de indruk. Na een douche, ditmaal met water, voelde ik me kiplekker. Gang klopte op mijn deur en ik volgde hem op de voet, het gasthuis uit en de stad in. Al was de zon achter de bergen verborgen, de madeliefjes op de bermen hingen nog steeds hun kopjes en de cicaden in de bamboebossen slaakten nog steeds zuchten uit wegens de hete lucht die laag bleef hangen.

Gang liet mij nogmaals op de stoep staan, zocht een riksja jongen uit die niet zo bejaard oogde als die van vanmiddag, stapte eerst zelf in de wagen, stak zijn hand uit en wilde mij er ook in helpen. Ik keek de andere kant op en mokte binnensmonds. Dat wij vanmiddag ons door een oude opa voort lieten trekken, was al erg genoeg maar viel enigszins te vergoelijken. Wij hadden net een lange reis achter de rug en moesten veel bagage met ons meeslepen. Nu wij niets bij ons hadden en nu ik nota bene de Smulstraat kon ruiken, moesten wij ons voor dit kippeneindje weer laten voorttrekken? Hoewel deze riksja jongen niet zo’n grijsaard was als die van vanmiddag, hij was minstens twintig jaar ouder dan Gang en nog meer jaar ouder dan ik. Ik moest wederom aan Lans broer denken. Als hij hier was, zou hij niet alleen onze bagage eigenhandig en te voet naar het gasthuis sjouwen maar ook aan alle riksja’s die hij tegenkwam, duwen als die bergop moesten. Gang zag mij treuzelen, was al bezig uit de wagen te stappen toen de riksja man diep voor ons boog en ons vriendelijk toelachte. Te vriendelijk, vond ik. Opeens had ik met hem te doen. Hij probeerde ons als klanten te behouden om straks thuis brood op de plank te krijgen. Gauw ging ik op het bankje in de riksja zitten, voelde de wagen subiet optrekken en hoorde de bestuurder uit volle borst zingen.

Nu ondervond ik aan den lijve wat de spreuk betekende, Chengdu is een stad van vermaak en vertier. Echt waar. Niemand bleef thuis en iedereen was op de been. Sommigen stonden voor de kraampjes straatvoedsel van talloze soorten en smaken te proeven, anderen zaten gehurkt op de stoep theedrinkend te schaken of theedrinkend naar schaken te kijken. Zonder elleboogwerk kwam men geen stap vooruit, maar er werd niet gehaast of geruzied. De Chengdunezen schenen het duwen en trekken, voordringen en tegen elkaar botsen te ondervinden als een onmisbaar deel van hun avondplezier. Een en ander hield in dat onze riksja man moest zigzaggen langs de spleten in de even vlug zich vormende als dichtslibbende mensenlava. Telkens als hij een voetganger ontweek, schommelde onze wagen. Omdat er geen bagage meer tussen Gang en mij torende, stootten onze armen tegen elkaar aan zodra de riksja een plotselinge beweging maakte.

Scherpe bochten


In het begin had ik het niet door, maar na een poosje schrok ik me lam. Waar kwamen de elektrische schokken vandaan die zich van mijn arm als een olievlek naar de rest van mijn lichaam verspreidden? Ik kneep in mijn dij en verfoeide mijn malle zelf. Ik zat op een bankje, niet op een elektrische stoel. Dus waar sloeg de netspanning nou op? Voordat ik mezelf tot orde riep, zigzagde onze wagen opnieuw en ik voelde nog meer schokken. Toen ik klein was, vertelde moeder mij dat als ik een vinger in het stopcontact zou steken, ik dood zou gaan. Maar de elektrische schokken die nu door mij heen sjeesden voelden niet dodelijk aan. Integendeel. Ik werd een ongekend genot gewaar. Iets nats en warms plakte aan mijn arm. Logisch, dacht ik. Ik had een blouse met korte mouwen aan en zweette van top tot teen. Wacht, trilde ik soms haast onbeheerst omdat mijn rechterarm per ongeluk de linkerarm van Gang aanraakte telkens als onze riksja een scherpe bocht maakte? Ik schoof mezelf zo ver mogelijk van Gang vandaan, maar het hielp van geen meter, gezien de beperkte ruimte binnen het wagentje. Sterker nog, als de riksja een uit het niets opduikende voetganger moest ontlopen, kantelde onze wagen zo steil dat niet alleen onze rechterarm maar ook onze rechterbeen tegen elkaar stootten.

Vanaf welk moment wist ik niet, maar hoe verder onze rit vorderde hoe minder ik Gangs nabijheid schuwde. De gekke gewaarwording die mij aanvankelijk in de war bracht werd met elke schommeling van de riksja aangenamer om sluipenderwijs verslavend te worden. Ik wou dat Gangs arm en been ook tegen de mijne kwamen als de riksja geen plotselinge manoeuvres maakten. Al durfde ik Gang niet aan te kijken, ik wilde zielsgraag weten of hij hetzelfde had. Anders waarom probeerde hij niet verder van mij op te schuiven? Bovendien, hoe langer wij in de wagen zaten, hoe dichter zijn linkerbeen tegen mijn rechterbeen aanstond. Was de wagen te smal of ons gevoel te scherp?

De Smulstraat stelde niets voor. Of leek het zo? Zwijgend liepen Gang en ik langs de kraampjes. Hij noch ik dacht aan eten, scheen het. Ik wilde zo snel mogelijk terug naar het gasthuis, zei ik, en te voet graag. Nadat hij mij naar de deur van mijn hotelkamer had gebracht, keken wij twee verschillende kanten op terwijl wij elkaar goede nacht wensten.

De volgende ochtend zette hij mij samen met mijn bagage op de bus en ik hield mijn poot stijf  toen hij aanstalten maakte ook een kaartje te kopen om mij helemaal naar de school te brengen. Nee, zei ik, de bus stopte voor in de ingang van mijn school en ik wilde niet door mijn klasgenoten uitgemaakt worden voor een klein kind dat een babysitter nodig had.

Voordat de bus mijn bestemming bereikte zag ik al mijn mentor bij de halte posten. Hij tilde mijn koffer op en keek mij raar aan, alsof hij mij niet kende. Hierna zei hij dat ik de blouse uit moest trekken en de schooluniform aan moest doen voordat ik mijn klasgenoten in de slaapzaal ging begroeten. Wij zaten op school, klonk hij misprijzend, niet op een feestje. Ik keek naar de nieuwe blouse die ik net van moeder cadeau had gekregen en miste thuis. Nog meer miste ik Lans broer. Als hij mij naar Chengdu zou begeleiden, zou hij alles met de hand en te voet hebben gedaan en niets van een riksja willen weten. Dan zou hij, mij immers als lucht beschouwend, mij niet in de war hebben gebracht met vreemde maar verslavende trillingen door mijn lijf.  

Naar de universiteit

Sinds de invoering van de openstellingspolitiek waren universiteiten na een decennium heropend. Mijn moeder mocht weer colleges geven. Eenieder die het staatsexamen had gehaald mocht hoger onderwijs genieten, ongeacht of zijn ouders of de ouders van zijn ouders in politiek correcte klassen waren ingedeeld. Dankzij mijn studie op de academie kwam ik met hoge cijfers door het staatsexamen heen en ik was toegelaten tot de Universiteit van Beijing, de beste in China.

Lan had het examen niet gehaald en was geëmigreerd naar volgens zeggen, althans toen, het land van melk en honing, de Verenigde Staten dus. Haar broer liep tegenwoordig met een stok omdat zijn bekken was verbrijzeld tijdens het uitvoeren van een opdracht. Hij verliet zijn werkeenheid en ging in het vastgoed zitten, dat in China booming business was aan het worden. Geen idee waarom hij toch niet met mijn lerares was getrouwd. Zijn echtgenote scheen een beeldschone danseres te zijn. Ze hadden een zoontje gekregen en woonden in een huis groter dan dat van zijn vader. Dat was alles wat ik over hem had gehoord. Sinds Lans vertrek naar Amerika kon ik moeilijk alsnog bij hen thuis over de vloer komen en wist ik verder weinig over die familie.

Op het terras

Het was zomervakantie. Mijn eerste sinds mijn universitaire studie. Ik zat thuis vader te helpen. Wij moesten de boekenplanken en de metalen steunen ervoor van een muur in onze zitkamer verwijderen. Zo zouden wij een plek vrij maken voor een nieuwe kast die de dag daarna bezorgd zou worden. De bel ging. Moeder deed de deur open en leidde een ongenode gast binnen. Ik legde mijn schroevendraaier op de vloer en keek met de mond vol tanden naar Gang. Stond hij niet voor mijn neus, dan zou ik me niet hebben gerealiseerd dat ik deze man ooit was tegengekomen. Na onze ontmoeting had ik een bewogen leven achter de rug. Eerst op de academie keihard leren en onderwijl gelijk Lan, hopeloos verliefd op een leraar worden en dan allerlei cursussen volgen ter voorbereiding op het staatsexamen en onderwijl vlinders in de buik krijgen zodra een lange, gespierde en sterke jongen voorbij fietste. Moeder liet vader het werk staken. Zo kon ik Gang in de zitkamer ontvangen. Ik stapte over de kriskras liggende planken op de vloer en zei dat vader beter door kon gaan met de klus en dat Gang en ik net zo goed op het terras konden zitten.

Eenmaal op het terras gezeten, kreeg ik spijt. O moedertje, wat was het heet! En vochtig! En drukkend! De vlijtige liesjes in de bloembak klapten dicht voor de zon, die als een vuurbal aan de hemel hing en mensen en vegetatie in vuur en vlam zette. Gang schoof zijn stoel verderop en gebaarde mij ook te zitten in de smalle strook schaduw die het terras rijk was. De zon, de hitte, de benauwende lucht en Gang die naast mij zat. Dit alles bracht mijn herinneringen aan onze reis naar Sichuan tot leven. Had hij soms een dag in hetzelfde seizoen en met hetzelfde weer als destijds uitgekozen om mij onaangekondigd op te zoeken? Kwam hij mij soms opzoeken omdat hij onze reis naar Sichuan evenmin was vergeten? Uiteraard durfde ik het niet aan hem te vragen. Zijn zwijgen werkte namelijk besmettelijk. Een babbelkous als ik was, klapte ik dicht nu hij vlak bij mij zat. Ik friemelde aan mijn jurk, keek naar links en rechts en wist niet waar ik mijn handen en voeten moest laten. O ja, stond ik op, lustte hij een glaasje fris?

Ik wachtte niet op zijn antwoord en ging naar de keuken. Onderweg passeerde ik de zitkamer waar mijn vader zat te timmeren en mijn moeder zat tegen mij te knipogen. Haar kennende ontdekte ze weer een spook op een straathoek. Nou, een spook, een huwelijksaanzoeker dan. Sinds mijn achttiende verjaardag, zodra ze een homo sapiens van het mannelijk ras binnen een straal van vijftig kilometer in mijn buurt signaleerde, vatte ze hem op als mijn vriendje. Dan was ze blij en tegelijk op van de zenuwen. Aan de ene kant hoopte ze dat ik een geschikte huwelijkspartner zou vinden, aan de andere kant vreesde ze dat ik boven of onder mijn stand zou trouwen. Tussen neus en lippen door had ze het met een stijgende frequentie over de rangen en standen van de ouders van mijn jeugdvrienden en -vriendinnen, allen mijn potentiële huwelijkskandidaten of rivalen, in haar ogen dan.

Bijzettafel

Toen ik naar het terras terugkeerde, zocht ik naar een plekje om Gangs glaasje fris neer te zetten. Het tafeltje stond midden in de zon en men kon op het glazen tafelblad een eitje bakken. Ik bukte en trok het meubelstuk naar de schaduw. Toen ik weer rechtop stond en mij omdraaide, schrok ik me lam. Gangs ogen zonden laserstralen uit, die op mijn rug brandden. Ik keek achterom. Bleven er soms houtsnippers van de boekenplanken aan mijn jurk plakken? Niets vond ik daar, maar Gangs twee laserstralen intensiveerden, zodanig dat zijn gezicht ook mee gloeide. Snel zette ik me op de stoel neer om van de schrik, nou ja, verbazing, af te komen.

Minuten tikten voorbij. Gang zei geen woord tegen mij noch ik tegen hem, en wij keken overal heen behalve naar elkaar. Ik gebaarde hem dat als hij het glas niet meteen leeg zou drinken, de inhoud ervan het kookpunt zou naderen. Eindelijk keek hij mij aan, afwachtend. Ahá, zei ik, wilde hij dat ik het glas door zou geven aan hem? Ik stond op, pakte het van de bijzettafel op en bood het hem aan. Wederom zonden zijn ogen laserstralen uit, die in mijn rug schroeiden.

Ik recapituleerde de afgelopen minuten en vond een overeenkomst tussen zijn twee laser uitzendingen. Beiden namen plaats toen ik aan de bijzettafel kwam. Oei! Ik trok de verkreukelde onderkant van mijn jurk glad. Had hij mij soms gezien toen ik bukte? De sluizen van mijn herinneringen gingen open en de vreemde en verslavende gewaarwordingen van een destijds ongekend genot spoelden mij zowat omver. Ditmaal raceten er geen elektrische schokken door mijn lichaam, maar het bloed gierde door mijn aderen, op naar mijn hoofd. Ik kreeg het nog warmer dan de zon het bij mij klaar had gespeeld en mijn lijf trilde, heviger dan toentertijd in de riksja. Anders dan de vorige keer, durfde ik nu wel naar Gang te kijken, naar de rode konen op zijn gezicht en naar de laservonken in zijn ogen.

Geen idee waar vandaan maar ik haalde voldoende moed om hem op de man af te vragen waarom hij naar mij toe was gekomen en waarom nu pas, bijna twee jaar na onze gezamenlijke reis. Hij zei dat hij definitief naar Beijing was teruggeplaatst. Nu hoefde hij niet meer negen maanden per jaar tussen Beijing en Sichuan te pendelen. Ik had nog meer vragen voor hem maar hij stond op. Hij had dingen te regelen en moest er vandoor, volgens hem.

Moeder bracht Gang naar de voordeur. Onderweg drukte ze hem op het hart dat hij voortaan vaker bij ons langs moest komen, want haar Lulu had heel wat van hem te leren, vooral op het gebied van de omgang met anderen. Ik was haar enige kind, had nooit iets met broers of zussen hoeven te delen en wist niet hoe ik rekening met een ander moest houden. Gang knikte noch schudde zijn hoofd en sloot de deur geruisloos achter zich.

Zodra Gangs voetstappen in het trappenhuis uitdoofden, kibbelde moeder met vader.  Zij zag in Gang een geschikte huwelijkskandidaat voor mij, maar vader bracht haar terug naar de realiteit. Gangs vader was inmiddels drie rangen hoger dan mijn vader. Nou en? klonk moeder niet onder de indruk. Haar dochter zat op de beste universiteit van China. Gang zou daarentegen geen kans meer maken op het halen van het staatsexamen. Ik stak mijn vingers in de oren en vluchtte mijn eigen kamer in.

Vader had, zoals gewoonlijk, gelijk. Dat was de laatste keer dat Gang mij kwam opzoeken. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien noch iets van of over hem gehoord.

***

Station

In de tientallen jaren na Gang had ik meerdere mannen ontmoet en met sommige van hen had ik een liefdesrelatie gehad. Maar het gebeurde altijd zoals het bij Lans broer ging. Mijn hoofd sloeg eerst op hol en dan deed mijn lichaam er pas aan mee. Gang was de eerste en tot nu toe de enige uitzondering. Toen ik met hem naar Sichuan reisde, bleven mijn hoofd en hart achter bij Lans broer, maar mijn lijf reageerde als een ongeleid projectiel op de elektrische signalen vanuit Gangs stille zendmast.

Sinds mijn achttiende had ik me ervoor behoed om me hals over kop in een verkering te storten, maar dit had geen relatie die op den duur op was, kunnen redden. Dat niet alleen, door mijn blik te richten op de eindbestemming van een verkering – een lang en gelukkig leven samen met een ideale partner, die veelal achteraf gezien toch een doodlopende weg was, miste ik tussenstations met een adembenemend uitzicht. Gang was zo’n tussenstation, afgezien van de vraag wat exact een eindstation inhield.

***

Begrijpen

Een paar dagen geleden, toen ik ’s ochtends vroeg de vogels in mijn achtertuin zoetgevooisd met elkaar hoorde praten, en toen ik in het donker tastte wat ze, al elkaar het hof makende, precies tegen elkaar zeiden, moest ik ineens aan Gang denken. Men zei dat de liefde het hoogste goed van het leven was, maar na veel liefdes en het verdriet ervan kreeg ik er twijfels over. Meermalen vroeg ik me af waarom ik elektrische schokken van Gang ontving, terwijl ik van Lans broer dagdroomde. Zonder Gang te begrijpen, kon ik zijn liefde, hoe overweldigend ook, niet plaatsen, laat staan aanvaarden. Begrip leek mij derhalve een hoger goed dan de liefde.

De oranje ochtendgloed scheen door mijn zandgele gordijnen, maar ik wilde gelijk de vogels mijn nest, pardon, mijn bed uit. Ik hield mijn ogen gesloten en fantaseerde dat ik Gang zomaar tegen het lijf liep, in de Haagse duinen of de Smulstraat te Chengdu. Een voordeel van het voorstellingsvermogen was dat het de beperkingen van tijd en plaats moeiteloos ophief. Ik stelde me voor dat het eerste dat ik aan Gang zou vragen als ik hem zou zien, was of hij hetzelfde voelde als ik voelde toen wij opgepropt in de riksja zaten. Daarna zou ik hem vragen of hij had gezien wat ik dacht dat hij had gezien toen ik bukte om de bijzettafel te verplaatsen en om zijn glaasje fris van de tafel op te pakken. Tenslotte zou ik hem vragen waarom hij mij na de ene keer nooit meer had opgezocht. Meteen daarop zou ik hem vertellen dat ik eigenlijk het antwoord op die vragen wist. Toen al en nu nog meer.

Ik zou mijn rechterarm naast zijn linkerarm leggen en tegen hem zeggen dat ik zijn verwarring deelde. Net als hij, kon ik er met mijn verstand niet bij dat de ongekende verrukkingen die mij in de schoot vielen uitgerekend afkomstig waren van een gewone medereiziger. Gang was een collega van mijn vader en ik was een leerling op school. Wij hadden voor en na de reis niets met elkaar te maken. Noch hadden wij iets met elkaar gemeen, behalve dat wij jong waren en dat het bloed in onze aderen zo makkelijk warm liep als het Sichuans weer. Vermoedelijk net als zijn ouders, vond mijn vader het geen goed idee dat ik verkering met iemand zou hebben wiens familie een standsverschil met de mijne had. Desondanks trilde mijn lichaam, net als het zijne, toen onze armen en benen elkaar toevallig aanraakten en desalniettemin fladderden de vleugels van ons hart.

Ik zou mijn rechterbeen naast zijn linkerbeen leggen en tegen hem zeggen dat ik zijn tweestrijd begreep. Hij kon beter trouwen met een dochter van, gelijk zijn vader, een hoge piet en ze kon beter niet op een van China’s beste universiteiten zitten, waardoor ze omgeven zou worden door jongeren met een schitterend carrière voor de boeg, terwijl hij, weliswaar voorzien van een goede baan, een voorspelbare toekomst had.

Ik zou zijn hand vasthouden en tegen hem zeggen dat hoewel ik me niet bezig hield met de rangen en standen van onze ouders en zijn tweestrijd begreep, ik zijn innerlijke strijd niet deelde. Mijn tweestrijd kwam uit een andere hoek. Ik kon me namelijk niet indenken dat ik op een man zou vallen die zich door een riksja opa of oom liet voorttrekken. Oei, ik zou in zijn ogen kijken en hem iets vragen waar ik geen antwoord op wist. Wilde hij die avond per riksja naar de Smulstraat gaan omdat hij tijdens onze vorige riksja rit had genoten van het samen met mij op klein bankje zitten, maar niet omdat hij als een rijkeluiszoon te verwend was om naar de Smulstraat te lopen?

Beleven

Juist, ik had veel met Gang te praten als ik hem weer zou zien… Ik vreesde alleen dat als hij werkelijk voor mijn ogen zou staan, ik net als vroeger en net als hij, dicht zou klappen. Ik zou puur en alleen de elektrische schokken zich van mijn arm naar de rest van mijn lichaam voelen verspreidden en de laserstralen uit zijn ogen op mijn rug voelen branden, terwijl ik, met een jurk aan, bukte om een glaasje fris voor hem van de bijzettafel op te pakken.

Luisterend naar de vogelenzang uit de bomen in mijn achtertuin in Den Haag, realiseerde ik me ineens dat het ritme en de melodie ervan mij genoeg genot schonken om mij verder druk te maken over de onverstaanbare tekst ervan. Gang had mij genoeg verrukkingen gegeven om mijn hoofd verder te breken over waarom hij dit wel en dat niet deed. Het enige wat ik nog tegen hem wilde zeggen was dat ik hem dankte. Voor die reis, voor de riksja ritten, voor het half uurtje op mijn terras.

Met andere woorden, in navolging van de liefde, leek mij het begrip evenmin het hoogste goed van het leven. Wat er voor mij overbleef was het leven zelf. Het moment beleven zonder te begrijpen waar de vreugde op sloeg en waar die toe leidde.

Toen Gang en ik jong waren, hadden wij een heel leven voor ons liggen. Geen wonder dat wij wikten en wogen voordat wij aan een relatie begonnen. Nu wij een  aardig eind van de levensreis achter de rug hadden, hoefden wij ons minder zorgen te maken over de weg die ons restte. Het moment werd derhalve belangrijker dan de toekomst. En misschien daarom speelde voor mij de liefde met als doel een relatie en het begrip met als doel het inzicht in de ander een minder bepalende ofwel belemmerende rol. Misschien daarom plukte ik de dag en greep het moment aan, zonder verwachtingen noch het ermee verbonden gevoel van angst en onzekerheid.  

Herinneren en hebben

Luisterend naar de vogelenzang uit de bomen in mijn achtertuin aan de Haagse duinen, realiseerde ik me vervolgens dat zelfs het beleven van het moment niet het hoogste goed was. Wie zei dat de vogels zongen om elkaar het hof te maken? Misschien zongen ze om gezamenlijke herinneringen op te halen aan hun vroegere even toevallige als vluchtige ontmoetingen. Alleen de twee vogels wisten waar hun liedjes over gingen. Alleen Gang en ik wisten wat er door ons heen ging toen wij even toevallig als vluchtig van elkaar tot diep in ons wezen genoten. Vogels zetten hun dierbare herinneringen om in muziek. Ik zette de mijne om in tekst. Daarmee vereeuwigde ik onze verrukkingen als mijn liefdesverklaring, met een terugwerkende kracht, aan Gang.

Waar hij nu ook woonde en werkte – ik nam aan dat hij nog leefde, in China of Amerika, in Beijing of Sichuan, of hij het Nederlands verstond of niet, ik voelde aan mijn water dat hij deze tekst zou lezen en koesteren, net als ik het aan mijn water voelde dat er ook elektrische schokken door zijn leden raasden. Immers, zonder twee tegenpolen kon er geen elektrische spanning ontstaan. Er was een elektrische verbinding tussen Gang en mij geweest, zij het slechts voor een moment. En dat moment, met wie hij ook was getrouwd, misschien gescheiden en weer getrouwd en met wie ik ook een relatie had, behoorde enkel en alleen tot Gang en mij.  


Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbij gaat, 14, Lulu Wang

Lulu en haar vrienden wensen iedereen het allerbeste toe in dit gloednieuwe jaar!

Sneeuw

Een week geleden sneeuwde het. Toen ik mijn ochtendwandeling in de Haagse duinen maakte, figureerde ik als het ware in een zwart-witfilm die ook nog een stomme was. Behalve de grijze hemel en de boomstammen die zo donkerbruin waren dat ze zwart leken, was alles wit. Behalve de golven die in de verte gonsden, was het ongewoon stil. Raven vlogen van tak tot tak, maar ik hoorde ze niet kraaien, zelfs één keertje niet; waar ik liep, verbrijzelden mijn schoenen de harde korst van de zachte sneeuw, maar ik hoorde de korst niet kraken, zelfs zachtjes niet; een wervelwind deed de sneeuw oplaaien en liet zodoende brede, witte vegen in het grijze luchtruim achter, maar ik hoor de wind niet gieren, zelfs met mijn oren gespitst niet.

De poreuze sneeuw nam alle geluiden op en bewaarde ze in zijn cellen. Als ik er een microfoontje in zou steken en het aan luidsprekers zou koppelen, zou ik alle geluiden terug kunnen horen. Het kraaien van de raven, het verbrijzelen van de ijskorst en het gieren van de wind.

Spreuk

Een dag later trok ik sneeuwlaarzen aan. Zo hoefden mijn joggingschoenen niet meer nat te worden, anders zouden mijn voeten weer een uur lang in ijskoud water zwemmen. Een voorzorgsmaatregel die overbodig bleek te zijn. Het was gedaan met de zwart-witfilm. De film met alles erop en eraan was hervat, met kleuren, klanken en al.

Ik had goed opgelet. De dag daarvoor was er geen straaltje zon te bekennen. De uitdrukking als sneeuw voor de zon verdwijnen klopte niet helemaal. Wat wel zo was dat het de dag daarvoor minder koud was. Moest de uitdrukking niet luiden als sneeuw voor de zon of de warmte verdwijnen? Daarmee was nog niet alles gezegd. De grond onder mijn voeten veerde een beetje, vanwege het water dat hem deed uitdijen. Juist, de sneeuw was niet verdwenen maar van vaste tot vloeibare stof overgegaan. Moest de uitdrukking niet luiden als sneeuw voor de zon of warmte in iets anders veranderen? Of de zegswijze er mooier op werd, was een tweede, toegegeven.

Moeder Natuur tovert zo snel met sneeuwen en smelten dat wij haast niets van de overgang van de ene vaste tot de andere vloeibare stof merken. Zouden wij daarom menen dat de sneeuw kan verdwijnen?

Het Leven is ook een tovenaar. Het laat liefde en haat zo geruisloos in elkaar overvloeien dat wij menen dat ze twee gescheiden zaken zijn, terwijl ze uit hetzelfde H2O bestaan. Zo kan haat bevroren liefde zijn en liefde ontdooide haat. De zon of de warmte die de haat doet smelten kan tederheid of gewoon het verstrekken van de tijd zijn, hun combinatie is ook een optie.

***

Klas

Toen ik vijftien was, hoefde ik alleen maar uit te kijken voor kwajongens als ik op straat liep. Toen ik zestien was, zat ik in een klas met een flink aantal kwajongens. Elke minuut van mijn schoolleven was ik dus blootgesteld aan hun pesterij. Lan was ingedeeld in een andere klas, waar kwajongens niet de boventoon voerden. Ik had de meester een paar keer gevraagd of hij mij alstublieft naar Lans klas over zou plaatsen. Telkens kreeg ik te horen dat het niet goed voor mij zou zijn. Had hij geen betere smoes kunnen verzinnen? Maar zijn woord was wet.

Tijdens de les ging het nog wel, maar zodra de bel voor de pauze ging, brak de hel los. Meisjes giechelden en kwajongens brulden van het lachen als ze mij van de zitplaats zagen opstaan. Dan rende ik naar Lan, die in het lokaal naast het mijne zat. Gauw draaide ik me om en liet haar mijn rug controleren. Ervaring leerde mij dat een van de pestkoppen die achter mij zat tijdens de les stiekem een of andere streek had uitgehaald. Bijvoorbeeld, hij had zijn vulpen heen en weer geschud, waardoor de achterkant van mijn jas inktvlekken had gekregen. De ene dag waren het zwarte vlekken en de andere dag blauwe. Variatie moest er zijn, anders zouden mijn overige klasgenoten het niet meer lollig vinden. Of iemand had een papiertje op mijn rug geplakt, waar vuilbekkerij op stond, niet zelden met taalfouten erin.

Schoolbord

Ook voordat de schooldag begon, waren mijn zenuwen strak gespannen. Ik zorgde ervoor elke ochtend als eerste het leslokaal te bereiken. Dan controleerde ik het schoolbord. De kans bestond dat daar ook obsceniteiten over mij op stonden. Bij voorbeeld, ‘Lulu is een vuile hoer’. Werkelijk, ik wist niet eens waar een baby vandaan kwam! In die turbulente jaren was schoonheid naast politiek incorrect – die zou de strijdlust van het volk de wind uit de zeilen nemen – ook hoerig. In Frankrijk gold het Les belles femmes sont infidèles, in China was het destijds een graadje of tien erger.

Als ik dergelijke scheldwoorden op het bord aantrof, veegde ik ze haastje-repje weg. Daarna ging ik braaf op mijn plaats zitten en wachtte tot de klas volliep. Ik durfde geen vin te roeren, want de reacties van de kwajongens waren zo onvoorspelbaar als aardbevingen in Japan. Iedere kleine beweging kon hen aanzetten om mij te bespugen of de vuilnisbak over mij te legen.

Een stap verder

Op zich was het voor mij vol te houden, temeer omdat ik had leren berusten in mijn lot. Het probleem was alleen dat de kwajongens dit langzamerhand in de gaten kregen. De streken die ze dan bedachten werden hoe langer hoe wreder.

Op een dag haalde een kwajongen in de pauze iets bruins en wiebeligs uit zijn schooltas en zwaaide er voor mijn gezicht mee. Ik sloot mijn ogen en hoopte dat hij er zoetjes aan genoeg van zou krijgen en ermee op zou houden. Opeens voelden mijn wangen iets kouds, stijfs en wolligs en ik opende onmiddelijk mijn ogen. Een dode muis! Ik ging zowat van mijn stokje, maar ik durfde het niet uit te gillen. Ik was geboren met een politiek incorrect uiterlijk en mijn moeder was een heropgevoede intellectueel. Een erfzonde waar ik voor moest boeten.

Hoe gek het ook klonk, ik haatte de pestkoppen niet. Ik gaf hen niet eens de schuld. Zij hielpen mij mijn zonde af te kopen. Wat had ik nog te klagen? Tot op een dag iets in mij knakte.

Zonder pardon

De bel voor de pauze ging. Snel rende ik het leslokaal uit, op zoek naar Lan in de kamer naast de mijne, zodat ze de achterkant van mijn jas kon bekijken. Ineens hoorde ik een snerpend geluid. Direct daarop sneed iets in mijn rug. Ik draaide mij om en zag een kwajongen met een grijns op zijn gezicht voorzien van een loopneus. Ik keek omhoog en goede genade! Hij hield een leren zweep in de hand en genoot van het juichen om hem heen. Jongens klapten in de handen en meisjes bedekten met de hand hun mond, grosso modo half uit afgrijzen en half uit leedvermaak, maar als het een kwart uit afgrijzen en driekwart uit leedvermaak was, zou het me evenmin verbazen. Nu krijg wat je wat je toekomt! zeiden hun blikken tegen mij.

De pestkop nam een stap terug, boog zijn benen en zwaaide nog harder met de zweep. Alles wees erop dat hij zich klaarmaakte om mij weer te slaan. Ditmaal op mijn gezicht. De omstanders applaudisseerden nog hartstochtelijker. Ik wilde vluchten, maar mijn onderstel was loodzwaar geworden. Ten einde raad smeekte ik hem met mijn ogen om genade. Toen hij mijn blik ontmoette, trilde zijn arm even. Hij begon te aarzelen, maar toen hij de klasgenoten om hem heen hoorde, knarste hij zijn tanden en opeens, voelde ik als het ware een mes in mijn gezicht.

Lan

Gauw beschermde ik met beide armen mijn hoofd en barstte in huilen uit, voor het eerst in de aanwezigheid van een pestkop en zijn bewonderaars. Het kon mij niets meer schelen of hij mij door het vertoon van verdriet en verontwaardiging nog erger zou straffen. Het kon mij zelfs niet meer schelen of ik zou sterven aan een brandende pijn, die als een lopend vuur van mijn gezicht naar de rest van mijn lichaam reisde, vooral naar mijn brein. Ik was dit leven moe.

Terwijl mijn klasgenoten dubbel lagen van het lachen, sleepte ik mezelf op loodzware benen naar het damestoilet. Ik liet mijn vingers voorzichtig over mijn gezicht gaan en voelde een richel rijzen, die met de minuut hoger, dikker en langer werd. Toen mijn tranen er overheen rolden, veranderde de brandende pijn in een prikkende. Ik keek in de spiegel boven een wastafel en werd de wanhoop zelve. Al vond ik mijn uiterlijk een vloek, ik vreesde met grote vreze dat ik van de bloedstrepen littekens over zou houden. Ik zakte op mijn knieën en bad tot Boeddha om redding.

Lan stormde het toilet binnen. Zo te zien had het nieuws over de ‘heldendaad’ van de kwajongen haar klas bereikt. Ze zag mij en barstte ook in snikken uit. Ik krabbelde gauw van de grond op. Niets aan de hand, ging ik haar troosten. Ik zou snel beter worden. Bovendien, probeerde ik haar en vooral mezelf te overtuigen, deze keer zou de meester mij eindelijk naar jouw klas overplaatsen. Reken er maar op!

Van de meester moest ik als een haas naar de dokter. Daarna mocht ik de lessen overslaan en direct naar huis. Rust maar goed uit, drukte hij mij op het hart. Lan was niet gezweept en mocht van haar meester mij niet vergezellen naar het ziekenhuis. Ik kreeg van de arts een reprimande dat ik voortaan uit moest kijken als ik onder een boom liep en een zalfje, dat net als mijn tranen, prikte.

Toen moeder van haar faculteit thuiskwam en mijn verse wond zag, legde ik haar uit dat een dikke boomtak op mijn hoofd was gevallen. Moeder lag te pas en te onpas onder vuur, vanwege haar kennis en wetenschap, die wederom politiek incorrect waren. Ik wilde haar niet nog meer belasten met zorgen over mij. Daarom zweeg ik categorisch over wat er op school dagelijks met mij gebeurde, de ene keer verdraaglijker dan de andere keer.

Bureaugenoot

De dag daarna ging ik fluitend naar school. Met witte zalf op mijn gezicht, dat grotendeels bedekt lag onder een sjaal om mijn hoofd. Ik was er heilig van overtuigd dat de meester tegen mij zou zeggen, Lulu, ga naar het leslokaal hiernaast. Daar zit je veilig. Inderdaad, het eerste wat de leraar deed toen hij de kamer binnentrad was mij apart nemen. Mijn hart sloeg een slag over en ik vergat al mijn pijn en droefenis. Lulu, zei hij tegen mij, vanaf vandaag zit Sheng naast je.

Ik zag zwart voor ogen. Daar ging mijn laatste straaltje valse hoop. Sheng was degene die mij de dag daarvoor met een zweep bewerkte, die vroeger met een dode muis voor mijn ogen zwaaide en die de vuilnisbak over mij heen kieperde. Vond de meester soms dat ik nog niet voldoende was toegetakeld? Of was hij ook een pestkop, maar dan in grote-mensenformaat? Ik durfde geen nee tegen hem te zeggen en knikte mijn hoofd. Per slot van rekening was hij de enige in de klas die, als het water mij tot de lippen kwam, het min of meer voor mij opnam. Als hij mijn ongenoegen over zijn besluit zou merken, zou hij mij voortaan als een baksteen laten vallen, was mijn vermoeden.

Ik hield mijn lippen strak en mijn adem oppervlakkig toen Sheng triomfantelijk naast mij plaats kwam nemen. De hele les zat ik zo, net een blok hout. Van wat de leraar Chinese grammatica en literatuur vertelde had ik geen woord verstaan. De hele tijd dacht ik aan één ding. Sheng was geen kwajongen of pestkop meer, maar een wreedaard. Voor het eerst in mijn leven haatte ik een klasgenoot, die vanaf nu mijn bureaugenoot was.

Grens

Ik piekerde en piekerde, als een rat in een tredmolen, maar ik kwam er niet uit. Wat bezielde Sheng toch? Voelde hij zich zo geroepen om mij vanwege mijn politiek incorrecte gezicht en moeder te tuchtigen? Hij nam niet eens de moeite om de twee rijen snot van zijn smoel te vegen noch zijn jas te wassen die zo stijf als een harnas was vanwege etensresten en overig vuil gebonden door zijn zweet, maar hij bespaarde tijd noch moeite om mij tot de rand van de afgrond te drijven.

Du moment dat ik de dag daarvoor en plein public in snikken uitbarstte kwam in mij een omslag. Nu Sheng zelfs mijn gezicht durfde open te krassen, had ik niets meer te verliezen. Of ik huilde of niet, of ik gilde of niet, of ik mijn droefenis en boosheid liet zien of niet, mij afranselen deden Sheng en de zijnen toch, dat gespuis in spe.

In de pauze ging ik naar het schoolbord en leende een stuk krijt van de meester. Daarmee trok ik een witte vertikale streep op het bureau dat Sheng en ik deelden. De linkerhelft was van hem en de rechterhelft van mij. Als hij het in zijn kop haalde om met zijn voorpoot de grens over te steken, zou ik als een speenvarken krijsen, was ik voornemens. Naar medelijden van mijn klasgenoten en genade van Sheng kon ik fluiten. Dus waarom zou ik het verdriet en de pijn voor mezelf houden? Die zou ik moord en brand schreeuwend evenredig over de klas verdelen.

Voortzetten

Al stond Sheng bekend als huiswerk-weigeraar – hij begreep niets van alle vakken behalve gymnastiek, met name het onderdeel granaatwerpen – hij was niet van gisteren. Nu hij van mij niet met zijn hand over de grens mocht, kwam hij met een alternatief. Terwijl de leraar Engels de verbuiging van ongewone werkwoorden zoals ‘read’ en ‘set’ uitlegde, stootte hij met zijn elleboog tegen de mijne. Ik kon hem niet openlijk halt toeroepen, anders zou ik de les verstoren. Daarom schoof ik mijn stoel steeds verder van hem vandaan, totdat ik bijna midden op het gangpad tussen onze rij tafels en die naast ons zat.

In de pauze ging ik weer naar het schoolbord voor een stuk krijt. Ik trok een witte lijn ook op de vloer onder onze stoelen. Beschikte ik over bakstenen, dan had ik een Grote Muur tussen ons gemetseld. Sheng zag mij als een bezetene bezig en grijnsde. Hij wiebelde met zijn benen en humde een liedje. Hij zong zo vals dat ik spijt kreeg dat ik oren had.

Onze stille strijd duurde voort. Dagen en weken gingen voorbij en nog lukte het Sheng om nieuwe trucjes uit te vinden opdat hij de grens ‘terecht’ kon negeren. Zo leunde hij tijdens de les met zijn hoofd op mijn schouder, nadat ik hem te kennen had gegeven dat hij zijn elleboog thuis moest houden. Of krabbelde hij een vies Engels woord – fout gespeld, vermeld ik ten overvloede – op mijn notitieblok, nadat ik zijn vingers ervan weg had geduwd.

Extra les

Moeder had er druk mee. Maandag bracht ze mij naar oom Liu, die mij vioolles gaf. Dinsdag ging ze met mij mee naar tante Shen, die mij extra les in Engels gaf. Slechts woensdag had ze vrij, want oom Zhang die mij leerde dichten woonde in hetzelfde flatgebouw als wij, alleen een verdieping hoger. Ik ging daar zelf wel heen. Donderdag zat moeder met mij bij oom Zhao, die mij een extra portie aardrijkskunde voorschotelde. Vrijdag gaf ze mij zelf les, in Europese geschiedenis, een vak dat op school was afgeschaft. De leerboeken ervan waren namelijk verouderd, nog niet herschreven volgens het nieuwe gedachtegoed van het turbulente tijdperk waarin wij leefden.

Deze ooms en tantes waren moeders collega’s op de universiteit. Ze schaamden zich niet voor elkaar. Ze waren allen heropgevoed. De ene in een lichting eerder en de andere in een lichting later. Wie moest op wie neerkijken, nietwaar? Integendeel. Ze hielpen elkaars kinderen, in de hoop dat wanneer de turbulentie erop zat, hun tweede generatie met de kennis en wetenschappen die ze privé hadden verworven een streep op andere kinderen voor hadden en dus een betere toekomst. Ze konden wel eens gelijk hebben, moest ik toegeven. Op school leerden wij eerder politiek correcte slogans te lezen, schrijven en uit te roepen dan wat anders. Zaterdag werd ik evenmin met rust gelaten. Ik moest thuis kalligrafie oefenen.

Fransman

Alleen zondag mocht ik buiten spelen. Moeder maakte boterhammen klaar. Deze namen wij in een mand mee om ze op te eten onder de stokoude dennenbomen van een klooster niet ver van ons vandaan. Picknicken, heette het, romantisch, volgens haar. Ik vond er niets aan, maar ze liet mij een lijvig boek zien, waar een schilderij door een Fransman in stond. Hun picknick zag er inderdaad sprookjesachtig uit. Alleen waren de heren al warm aangekleed en de dames nog niet aangekleed.

Het punt was alleen dat moeder en ik onder bomen zaten die behangen waren met strijdvaardige slogans zoals ‘Sla de hondenhersenen in van revisionisten die en die’. De ramen en deuren van het klooster waren door politiek correctelingen dichtgetimmerd. De monniken waren naar wist ik waar verdreven. De boterhammen die wij naar binnen werkten waren belegd met slechts een stukje gepekelde koolrabi. Geen kruimel romantiek te proeven, als het aan mij lag.

Nou ja, op zondag hoefde ik niet naar ooms en tantes noch feitelijkheden in mijn hoofd te stampen. Dat was wel leuk. Ik maakte nog meer leuke dingen mee, daar onder de oude bomen in het stilgelegde klooster. Moeder vertelde mij dingen die niet in mijn schoolboeken stonden. Zo zei ze tegen mij dat ik niet raar op moest kijken van de turbulentie die er heerste. Ook Europa met zijn mooie schilderijen kreeg er om de zoveel tijd mee aan de stok. Zo had die binnen een halve eeuw twee stuks turbulentie achter elkaar gehad, waar ook de rest van de wereld in was gerold. Vandaar de naam ‘wereldoorlog’. Op deze manier leerden volwassenen van hun fouten en de vrede op waarde te schatten, net als kinderen die door vallen en opstaan leerden lopen. Moeder had het ook over de Tachtigjarige Oorlog. Toen ik dat voor het eerst hoorde, snapte ik het niet. Hoe konden landen vijandigheid jegens elkaar acht decennia lang warm houden?

Ontdekken

Weken later, dankzij mijn onvermoeibare stille strijd met Shen, kreeg ik daar begrip voor. Want alles wende, ook rancune. Ik raakte er zo gewend aan dat het mijn tweede natuur werd. Als Sheng zong, vond ik hem vals zingen. Als hij lachte, vond ik hem grijnzen. Als hij zijn hand optilde, bedekte ik mijn hoofd. Als hij in de pauze van zijn stoel opstond, rende ik voor mijn leven. Als hij iets uit zijn tas haalde, sloot ik mijn ogen – hij wilde mij zeker weer met een dode muis de stuipen op het lijf jagen. Door het automatisme hoefde ik niet meer na te denken, wel een opluchting.

Dankzij die gewenning ontspanden mijn zenuwen zich trapsgewijs. Ik kon erdoor weer normaal zien en horen. Het viel mij op dat Sheng naar school kwam enkel en alleen voor de pauzes. Tijdens de les trok hij aan de losse draadjes van de mouwen van zijn versleten trui, waardoor zijn mouwen zienderogen korter werden. Of rolde hij zijn leren zweep op en uit. Hij herhaalde de handeling totdat hij er moe van werd. Dan vouwde hij zijn armen op, legde ze op zijn deel van de tafel, verborg er zijn hoofd in en snurkte, net een volgevreten varken dat lag uit te buiken. Had hij soms de klok ingeslikt? Want vlak voor de bel voor de pauze werd hij steevast vanzelf wakker. Dan droogde hij de kwijl op zijn mondhoeken af, streek zijn trui vol gaten glad en draaide met zijn nek. Zodoende schudde hij zijn spieren los en bereidde zich voor om zijn titel ‘vechtersbaas van de klas’ voor de zoveelste keer te verdedigen.

Twee jongens in de clinch

Op een dag hoorde ik in de pauze Sheng met een andere kwajongen ruzie maken. Ze hadden nauwelijks twee scheldwoorden met elkaar uitgewisseld of ze gingen op de vuist. Toen de andere jongen het onderspit dreigde te delven, pakte hij een los draadje van Shengs trui beet en trok ermee de gang in, het leslokaal uit en het schoolplein op. Sheng volgde hem op de voet. Hij moest wel, want hij had de trui nog aan. Onderweg maakte hij luidkeels de hele familie en aangetrouwde van de andere jongen uit – afhankelijk van hun geslacht – voor hoeren of hoerenlopers.

Totdat Sheng door de bel was gered. Hoe graag ze de strijd ook tot het bittere einde wilden voeren, als ze niet op tijd naar het leslokaal terug zouden keren, zou de meester hun ouders op het matje roepen. Dan was ons onderwijsgebouw te klein. Ik had een keertje Sheng door zijn vader zien tuchten. Alle hoeken van het gebouw had Sheng gezien, met een bloedneus plus een bultenhoofd. Zo hardvochtig als hij was, in de vuistenregen van zijn vader kon hij zijn tranen niet binnenboord houden.

Vastknopen

Tijdens de les die erop volgde scheurde ik een blaadje van mijn notitieblok af. Daarop schreef ik, ‘Ik weet hoe de losse draden vastgeknoopt kunnen worden’. Dit papiertje schoof ik over de grens naar Shengs deel van de tafel. Geen idee wat mij bezielde, maar ik kon niet aanzien dat hij tijdens de volgende pauze weer vanwege zijn trui zou worden gepest. Ik vond die andere jongen laf. In plaats van een eerlijke krachtmeting aan te gaan, maakte hij misbruik van Shengs armoede. Die geniepigerd. Sheng kennende zou hij, zodra de bel ging, op de andere jongen afstormen. Het zou een barbaarse wraakactie worden. Zonder meer. Om dit te voorkomen was ik bereid om voor het eerst in mijn schoolleven iets te doen wat niet mocht.

Sheng had de zin op mijn briefje zeker tien keer herlezen. Toch wilde hij niet geloven wat ik hem had aangeboden. Tijd verstreek. Er was maar een kwartier over voordat de pauze begon. Ten einde raad nam ik een pen en stootte er zijn rechterarm mee. Toen pas viel bij hem het kwartje. Hij reikte mij eerst zijn rechtermouw aan, onder de tafel, wel te verstaan. Ik keek straal vooruit, alsof ik naar de leraar zat te luisteren, maar ondertussen knoopte ik, eveneens onder de tafel, op het gevoel af de draden aan elkaar. Toen het was gedaan, repareerde ik zijn linkermouw. Zo maakte ik Sheng klaar voor de volgende confrontatie, die hij – wedden? – niet kon laten.

De bel ging. Ik zag die andere jongen holderdebolder de kamer verlaten, zeer verstandig. Want als Sheng iemand een lesje wilde leren, kon men straks de betrokken persoon met een bezem en blik van de vloer vegen. Een minuut voorbij. Twee minuten. Sheng maakte nog steeds geen aanstalten om op te staan en tot actie te komen. Ik keek opzij en zag hem wezenloos voor zich uitstaren. Ditmaal vond ik hém laf. Wat mankeerde hem toch? Moest hij die andere jongen niet gaar meppen opdat hij Sheng excuses aanbood?

English

Nu mijn zenuwen trapgewijs ontspanden, hoorde ik weer normaal. Het viel mij op dat Shengs stem twee verschillende volumen kende. Als anderen hem hoorden, kon hij geen woord zonder brullen en vloeken zeggen. Dusdanig dat zodra hij zijn mond opendeed, mijn haren te berge rezen. Als hij echter met mij praatte, boog hij zijn hoofd opdat niemand anders zijn lippen zag bewegen, en hij sprak heel zachtjes. Alleen ik kon hem verstaan. Zo vroeg Sheng mij eens onder vier ogen waarom het woord ‘English’ ‘de Engelse taal’ betekende, terwijl het ‘de Engelse geschiedenis’ inhield.

Ik hoorde het in Tokio donderen. Sinds wanneer wilde Sheng wat leren? Inderdaad, vaak was het zo, als een Chinees ‘English’ uitsprak, het klonk als Yingguo lishi – de Engelse geschiedenis. Veel van mijn klasgenoten gebruikten de klanknabootsing om de even moeilijke als vreemde taal van buiten te leren.

Direct na thuiskomst, pakte ik het leerboek Engels aan. Ik werkte tot diep in de nacht en vertaalde volgens de klank alle Engelse woorden op de eerste twintig bladzijden van het boek in het Chinees. ‘Book’ werd dan buke – bijles geven. ‘Wood’ werd wude – bedekt zijn. ‘Lamp’ werd liangbu – veel licht, hè? ‘Telephone’ werd telefeng – daar word je dolblij van. Enzovoorts.

De ochtend daarna overhandigde ik de lijst aan Sheng. Toen hij met behulp ervan een paar moeilijke Engelse woorden moeiteloos kon uitspreken, hield hij zijn hoofd zo laag mogelijk opdat anderen zijn gezicht niet konden zien en hij lachte. Ik had goed uit de doppen gekeken. Ditmaal grijnsde hij niet, maar hij lachte, echt. Wij spraken af dat ik de komende dagen de Engelse woorden van de rest van het leerboek in kaart zou brengen. Als hij de lijst uit het hoofd zou leren, zou hij misschien een voldoende voor de volgende toets halen. Hij knikte en lachte opnieuw.

Inkopen

De euforie duurde maar een week. Op een blauwe maandag vertelde Sheng mij dat zijn vader niet eens zijn eigen naam kon schrijven. Nu Sheng zijn naam ook in het Engels kon spellen, was hij tevreden. Hoe moest hij verder? vroeg ik hem. Net als hij, praatte ik zachtjes. Anderen hoefden ons gesprek niet te volgen. Hij wilde de komende twee schooljaren uitzitten, vertelde hij. Dan zou hij de eerste in de familie zijn met een diploma voor de middelbare school. Opeens zag ik het voordeel van de turbulente jaren in. Iedereen kon afstuderen, tenzij iemand een ernstig delict had gepleegd of iets had gezegd dat niet door de ideologische beugel kon.

Herfst eindigde. Winter begon. Het Chinees Nieuwjaar naderde. Winkels werden hoe langer hoe voller. Bomvol. Moeder en ik wisselden elkaar af en stonden om beurten uren in de rij. Dat was hét moment van het jaar om onze voedselbonnen in te ruilen voor een pond vis, een kilo vlees of twee kilo botten voor de soep. Dat was ook een van de spaarzame momenten van het jaar dat wij een mandje appels of peren konden inslaan. Hoe bescheiden ons menu voor de rest van het jaar ook oogde, wij moesten en zouden een uitgebreid Nieuwjaarsdiner op tafel zetten. Niet alleen werd onze tong verwend maar ook ons lijf. Moeder maakte van haar oude rok een nieuwe jas voor mij. Iedereen moest namelijk iets nieuws aantrekken. Alleen zo konden wij op een behoorlijke manier het nieuwe jaar ingaan.

En plein public

Er bleven nog maar vijf daagjes over voordat het Nieuwjaarsfeest werd gevierd. Sheng kwam het leslokaal binnen. Hij keek mij zo voortdurend en indringend aan dat ik hem met mijn ogen vroeg wat er loos was. Hij straalde en drukte met zijn kin naar beneden. Oei! Wie heeft jouw hals en polsen zo bont en blauw geslagen? gilde ik het uit. Sheng keek om zich heen en verbleekte. Hierdoor staken zijn blauwe plekken nog sterker af tegen zijn gele basistint. De klasgenoten die links en rechts, voor en achter ons zaten hoorden mij roepen en keken onze kant op.

Ik heb net een knokpartij met je opa’s, ooms, broers en neven gewonnen! verhief Sheng zijn stem. Hij pakte mijn pennenetui van de tafel op en smeet ermee naar mijn hoofd. Ik zag rode, blauwe, gele, bruine en paarse penselen de doos ontsnappen en ik voelde ze mijn gezicht zijdelings raken om vervolgens langs de voorkant van mijn jas vloerwaarts te glijden. Ik stamp je kop tot puree als je nog één onzin uitkraamt over mijn blauwe… wat zei je daar? Wonden? Alleen jij kan zoiets verzinnen, jij vuile, smerige, verwaande, verwende, schreeuwlelijke afgelikte boterham!

Had ik zijn door razernij vervormde gezicht en gebalde vuisten niet gezien, had ik gedacht dat ik midden in een nachtmerrie zat. De mensenmuur om ons heen werd steeds dikker en het juichen van de klasgenoten werd steeds meer oorverdovend. Ineens drong het tot mij door wat ik verkeerd had gedaan. In mijn schrik en bezorgdheid had ik onze onuitgesproken afspraak geschonden, namelijk, wij moesten onze gesprekken onder ons houden.

Had ik Sheng zachtjes gevraagd met wie hij zo vroeg in de ochtend weer overhoop had gelegen met die kneuzingen als gevolg, zou hij mij op een normale manier de ware toedracht kunnen toelichten. Hij stond immers bekend om zijn harde knokkels en scheldkanonnades. Daarmee had hij tot nu toe zijn titel als vechtersbaas van de klas kunnen verdedigen. Nu de klasgenoten merkten dat hij ook normaal kon praten, zonder brullen of vloeken, nota bene met een meisje voorzien van een politiek incorrect uiterlijk en van een heropgevoede moeder, ging hij als een gieter af. Ik viel als een zak aardappelen op mijn stoel neer, liet mijn hoofd als een natte dweil hangen en hoorde zijn vloeken en tieren aan, iets wat ik maanden had gemist, als kiespijn weliswaar.

Overjas

De dag daarna wachtte en wachtte ik. De leraar Chinese grammatica en literatuur had onderwijl het schoolbord volgeschreven met slogans zoals ‘Wij moeten elke dag de klassenstrijd voeren, anders zien revisionisten de kans schoon om ons volksbestuur te ontbinden’, maar Sheng was nog niet verschenen. Ik zat aan een halflege tafel en wou dat ik gisteren ongedaan kon maken.

Gelukkig kwam Sheng de dag daarna wel opdagen. Ik was op van de zenuwen en dubde. Zou ik berouw tonen? Of zou hij er juist door herinnerd worden aan zijn afgang en nogmaals uit zijn slof schieten? Minuten tikten voorbij, maar hij kwam nog niet op zijn stoel zitten. Ik keek omhoog. Daar stond hij, zo trots als een pauw, gekleed in een spiksplinternieuwe gewatteerde mosgroene overjas.

Vader

Ik kon er niets aan doen. Tranen rolden uit mijn ogen en vertroebelden mijn zicht. Plotseling moest ik aan vader denken. Op de foto die ik dagelijks begroette, had hij precies dezelfde jas aan. Andere gezinnen waren compleet als ze op de oudejaarsavond gezellig aan tafel zaten. Moeder en ik moesten echter naar het postkantoor hollen, vlak voordat de klok twaalf uur sloeg. Daar betaalden wij een fortuin om een interlokaal telefoontje te plegen. Dat was de enige keer in het jaar dat ik vaders stem hoorde en dus zeker wist dat ik een vader had.

Nou ja, als het aan moeder lag, was vader elke dag bij ons. Iedere keer dat ik naar ooms en tantes voor een extra les ging, moest ik van moeder vader danken. Met haar maandloon zou ze nooit het kapitaal bij elkaar kunnen sparen om mijn lesgeld te betalen. Daar hadden wij vader voor. Maandelijks stuurde hij ons geld, niet een beetje ook. Als vader naar Beijing terug zou keren en bij ons zou komen wonen, konden wij elke dag vis of vlees eten, schatte ik.

Trouwens, de ooms en tantes wilden niet voor de lessen worden betaald, maar moeder stond erop. Omdat ze weinig voedselbonnen had om tegen normale prijs inkoop te doen, schafte ze op de zwarte markt tegen een hoge prijs levensmiddelen aan, eieren, vis, vlees, botten voor de soep, fruit, chocolade en wijn bijvoorbeeld. Deze gaf ze mij vaak mee als ik naar mijn privé leraren en leraressen ging.

Appels

Terwijl ik in gedachten verzonk en vader miste, zag Sheng mij huilen. Eindelijk stond hij niet meer voor mij maar kwam naast mij zitten. Hij krabde aan zijn hoofd en tastte in zijn tas. Uit voorzorgsmaatregel verliet ik mijn stoel. Ging hij weer een dode muis uit zijn tas halen? Om mij te laten boeten voor mijn fout gisteren? Rustig, gebood hij mij met een blik, blijf gewoon zitten. Boontje komt om zijn loontje. Ik moest Sheng wel gehoorzamen en zijn straf aanvaarden, wat die ook moge zijn, luidde mijn geweten.

Toen ik weer op mijn plaats zat, stopte Sheng een grote zak appels in mijn handen. Ik had ze niet geteld, maar het waren er zeker een dozijn. Het zweet brak mij uit, nota bene hartje winter. Had hij gisternacht een winkel beroofd? De dag daarvoor had hij een peperdure overjas aan en nu gaf mij een dozijn appels. Alleen zieken, zwakken en misselijken kregen dit kostbaar fruit als cadeau wanneer ze in het hospitaal lagen en bezoek van hun gulle familie kregen.

Door schade en schande wijs geworden probeerde ik mijn stem zo laag mogelijk te houden. Waar had hij de appels ge… gevonden? fluisterde ik. De trots op zijn gezicht verdween als sneeuw voor de zon. Hij griste een appel uit de zak, gooide hem op de vloer en trapte hem met de schoenen tot moes. Welke ongunstige ster hing aan de hemel? Dat ik vlak voor het Chinees Nieuwjaar fout op fout stapelde? Ik had geen woorden voor mijn domme zelf.

Koopkracht

Volgens zeggen hadden vissen een geheugen dat maar zeven minuten duurde. Sheng was misschien een zeebaars, een mensenhaai kon ook, in zijn vorige leven. Want de dag daarna was hij weer de oude. Liedjes hummend stapte hij het leslokaal binnen en scheen al mijn wangedrag te hebben vergeven en vergeten. Hij bekeek zijn nieuwe overjas van voor, en, zich omdraaiend, van achter. In de lesruimte met zestig leerlingen konden wij alleen al met onze adem de lucht op temperatuur brengen. Van de warmte werd Shengs voorhoofd rood, maar hij trok zijn overjas niet uit. Ik zag zijn blijde gezicht, maar ik kon niet blij voor hem zijn.

Ik wist dat zijn ouders boeren waren. Hun inkomen was maar de helft van dat van mijn moeder. Daarmee moesten ze zes kinderen en twee opa’s en twee oma’s te eten en drinken geven. Zelfs mijn moeder kon zich niet veroorloven om een fatsoenlijk Nieuwjaarsdiner te organiseren en tegelijkertijd nieuwe kleren, schoenen en haarbandjes voor mij kopen. Waar had Sheng de middelen vandaan gehaald voor de overjas en de appels? Eerlijk waar. Ik wilde liever niets lekkers proeven en Sheng in zijn kapotte kleren rond zien lopen dan te vrezen dat hij op een gegeven moment door de politie werd opgepakt en naar de tuchtschool gestuurd.

Weer zover

Op de laatste dag voor het Chinees Nieuwjaar hadden wij slechts in de voormiddag school. De meester liet ons een liedje zingen met als tekst een bekende dichtregel. Vuurwerk kondigt knallend de komst van de lente aan en het vertrek van de winter en het ging maar door. Sheng deed niet mee aan het koor. Hij draaide op de stoel om zijn as en scheen zich mateloos te verheugen op het ophouden van de les. Ik nam mij voor om me geen zorgen meer over hem te maken. Alleen zo kon ik voorkomen weer iets verkeerd of hardop te zeggen.

Toen de bel ten langen leste ging, gebaarde Sheng mij te blijven zitten. Geluk stond op zijn gezicht te lezen en dit beschouwde ik als een teken dat hij een zeebaars was geweest met een kortlopend geheugen, vooral over mijn fouten. Hij wachtte totdat de kamer bijna leegliep en tastte weer in zijn schooltas. Adem diep, zei ik tegen mezelf, en geen paniek. Uit de tas haalde hij een naar eigen zeggen nieuwjaarscadeau voor mij uit, verpakt in oude kranten. Lekker! zei hij en straalde. Ik werd door zijn vreugde aangestoken, opende snel het pakje en hemel nog aan toe! Ik stuiterde zowat van vloer tot zolder en hetzelfde traject terug en schreeuwde de leraar die al in de gang op weg naar zijn kantoor was, terug in het leslokaal.

Weer iets wolligs en wiebeligs rolde uit de oude kranten, ditmaal besmeurd met roodbruin, gestold bloed. De meester liet Sheng het ‘cadeau’ weer inpakken en mee naar huis nemen. Daar scheen ze niet van gediend te zijn, legde hij Sheng uit. Ga maar met je familie feest vieren, troostte hij de pestkop in plaats van mij het slachtoffer. Vervolgens keek hij mij vies aan, zo vies als een onderwijzer zich kon permitteren.

Nummer twee

Toen Sheng genoeg had gevloekt en gedaan en de kamer uit was gestormd – ik hoorde hem ook in de gang vuilbekken, schudde de leraar zijn hoofd. Lulu, zuchtte hij, wanneer leer je je klasgenoten kennen? Ik beet op mijn onderlip en haatte de meester. Hij was geen pestkop in grote mensen formaat meer, maar Wreedaard nummer twee. Nummer één had mij zojuist wederom de kast op gejaagd met een dode muis. Of was het een ander ongedierte? Door mijn teleurstelling en daaraan gekoppelde gekwetstheid had ik die harige griezel niet herkend.

Na al de knopen die ik onder de tafel, tegen de schoolregels in, voor Shengs trui vast had gemaakt, na al de Engelse woorden die ik voor hem in Chinese klanken om had gezet en na al onze verbale en non-verbale gesprekken, pestte Sheng mij toch. Nu besefte ik pas dat de angst en het beven, de pijn en het verdriet, kortom de haat jegens Sheng, nog altijd in mij sluimerden en mij nooit echt hadden verlaten. Ik was teleurgesteld in hem en als ik me niet vergiste, was hij het ook in mij.

Vakantiereis

Toen ik thuiskwam, wachtte mij een tweede verrassing. Lan stond bij mij op de stoep en vroeg waar ik was gebleven. Ik zweeg over Wreedaard nummer een en twee en vroeg op mijn beurt waarom ze niet thuis zat voor het Nieuwjaarsdiner. Ze klonk sneu toen ze zei dat ze mij vier weken moest missen.

Het bleek dat Lans vader direct na het Chinees Nieuwjaar deel zou nemen aan een conferentie, in de stad Kunming, de Provincie Yunnan, Zuid-China. Hij mocht daar al een week vóór de conferentie aankomen en daarna een week langer blijven. Zijn vrouw en kind gingen mee . Lans leraar had haar een week extra verlof gegeven.

Wat moesten haar moeder en zij daar terwijl haar vader vergaderde? vroeg ik. Toeristische bezienswaardigheden bezoeken, reizen heette het, aldus Lan. Ze vond het erg dat ze het plezier niet met mij kon delen. Hoe kwam ze erbij? zei ik. Als ze terugkwam, zou ze mij in geuren en kleuren over de couleur locale vertellen, afgesproken? Haar gezicht klaarde een beetje op. Ze zouden in een traditioneel huis van de etnische groep Dai logeren, ging ze door, met zicht op een meer omringd door gebergte. Het scheen daar paradijselijk te zijn, als ze haar vaders woorden moest geloven.

Dat was de eerste keer dat ik van een vakantiereis hoorde. Bij nader inzien best logisch. Met een hoge militaire piet als vader maakte Lan heel wat mee dat boven de pet van ons gewone lui ging. Lan beloofde rozenkoekjes en lindensnoepjes voor mij mee te brengen. Want de bomen in Kunming stonden om beurten in bloei, het hele jaar door. De plaatselijke bevolking aten bloemen en bladeren alsof ze groente en fruit waren.

Veilig

Denk niet aan mij en geniet met volle teugen, drukte ik Lan op het hart. Ze dacht hardop, gelukkig hoef je niet meer bang te zijn dat als je alleen van school naar huis gaat, kwajongens stenen naar je gooien, en in dat opzicht zijn wij sinds maanden onder de pannen. Gretig knikte ik, wist ze toevallig waarom? Mijn hart trok wederom samen. Ditmaal omdat ik Lans broer Yang miste. Hij had haar en mij meermalen bevolen om Kungfu-les te volgen. Nu was het niet meer nodig. In deze gedachte vond ik mijn schrale troost.

Ik knipperde geheimzinnig met mijn ogen. Was het Lan niet opgevallen dat ik als een mager speenvarken kon krijsen? Mijn schelle stem ging bij mensen, inclusief kwajongens, door merg en been. Daarmee haalde ik van mijlen ver reddende engelen naar ons toe. Lan riep, nu je het zegt! Ik glunderde, dat was dan ónze manier van zelfverdediging. Werkte even goed als Kungfu!

Lan voegde eraan toe, je hoeft ook niet meer een half uur eerder dan anderen naar je leslokaal te gaan, toch? Daar staan allang geen vieze woorden meer over je op. Ik beaamde. Gewoon keihard gillen, vatte ik de sleutel tot mijn succes samen. Werkelijk waar, daar konden de dikste pestkoppen niet tegen.

Iets schoot me te binnen. Wees eerlijk, keek ik Lan aan. Ging ze stiekem haar broer Yang opzoeken, zonder mij? Ze schudde haar hoofd. Niemand wist waar hij uithing. Er moest een wonder gebeuren als ze hem in Zuid-China zomaar op straat tegen zou komen. Toen ik dit hoorde, was ik gerustgesteld.

Besluit van de meester

De eerste ochtend na de Nieuwjaarsvakantie keek ik zonder met mijn ogen te knipperen naar de deurpost. Sheng kwam niet. De dag daarna evenmin. Op de derde dag nam de meester mij naar de gang en zei doodleuk dat vanaf nu Jie naast mij zat. Waar zou Sheng dan zitten, als… als hij terug zou komen? Dat legde hij mij later wel uit, poeierde de leraar mij af, want de les zou over een paar tellen beginnen. Een onheilzaam voorgevoel nam bezit van mij en ik wankelde op mijn benen. De bel voor de les ging. De leraar zag mij daar wankelen en zuchtte. Hij betrad het leslokaal en schreef ‘Lente’ op het schoolbord. Iedereen moest er een opstel over schrijven, behalve ik.

De meester vroeg mij mee te gaan naar zijn kantoor. Eenmaal daar keek hij mij in plaats van vies teleurgesteld aan. Gisteren was Shengs vader hier geweest, vertelde hij mij. Een oude koetsier in hun dorp stierf een baan vrij. Sheng kreeg dat werk omdat hij sinds maanden bij zijn vader, die ook een paard en wagen stuurde, in de leer was geweest. Kreeg hij nog zijn diploma voor het middelbaar onderwijs? vroeg ik gehaast. De leraar schudde zijn hoofd, Shengs familie had eerder behoefte aan brood op de plank dan een certificaat op de muur.

De lijnen op het gezicht van de meester verzachtten zich. Hij had in de gaten dat ik graag dichtte, klonk hij ineens anders, maar waar ging het in de literatuur om? Ik weigerde zijn vraag te beantwoorden. Wij zaten in een gesprek over Shengs school, niet in een quiz om een mand eieren. Hoe meer ik aan mijn voormalige bureaugenoot dacht, op hoe hogere toeren het plafond boven mijn hoofd draaide. De meester kon het niet laten, dacht ik bij mezelf. Hij had weer een pestkop naast mij geplaatst, ook nog eens niet de eerste de beste. Jie was degene die aan een los draadje van Shengs trui trok en hem op het schoolplein als een ezel rondom een molensteen leidde. Die lafaard! Die geniepigerd! Met Jie naast mij zitten, kwam ik van de regen in de drup.

Ivoor

Wenxue – literatuur – betekende letterlijk ‘de kennis over letteren’. In feite ging het in de literatuur om mensenkennis, de leraar kletste maar door over dingen die niet mijn prioriteiten waren, mijn laatste zorgen evenmin. Hij tikte met zijn vinger op het bureau. Volgens hem probeerde ik niet eens de jongen te begrijpen die maanden naast je had gezeten. Hoe dacht ik ooit de nodige mensenkennis te vergaren? Hij kon mij nu al vertellen, luidde zijn vonnis, dat ondanks mijn extra lessen door moeders collega’s, indien ik zo doorging, ik als leerling én als mens geen meter vooruit zou komen.

Ik liet ’s meesters woorden het ene oor in en het andere oor uit en bleef me verbazen. Hoe bestond het dat hij van alle pestkoppen die de klas rijk was uitgerekend Jie had gekozen om mij het leven zuur te maken? Ik wilde terug naar de klas, zei ik, en het opstel over de lente schrijven. Geen minuut langer wilde ik zijn ‘goede raad’ aanhoren. Uit de bek van een hond komen geen ivoren slagtanden tevoorschijn. Uit de mond van een wrede leraar kon geen welgemeend advies komen.

Nieuwe bureaugenoot

Na de pauze kwam Jie warempel met zijn hebben en houden onder de arm op de stoel naast mij zitten. Hij fluisterde tegen mij, vuile hoer, opschuiven! Vervolgens trok hij met een stuk krijt een witte vertikale streep op ons bureau. O wee als je het in je hoofd haalt de grens over te steken! ging hij tekeer tegen mij, op een niet voor derden bestemde lage toon. Ik geloofde mijn oren niet. Moest ik dit niet tegen hém zeggen? Hij was niet zo naïef als Sheng, gaf hij mij te kennen. Al zou ik poeslief tegen hem doen, hij zou er nog niet in trappen. Wees maar gerust, zei hij tegen mij. Mijn deel van het bureau zou hij nooit en te nimmer aanraken. Waar hoorde een hoer thuis? In een hoerenkast. Waar ik zat was dus een bordeel. Wie wilde daar gezien worden? Einde zelfintroductie, aldus hem.

Gedurende de vier dagen sinds Jie het bureau met mij deelde, had hij mij geen enkele keer Lulu genoemd. Ik heette gewoon vuile hoer, had hij voor mij uitgemaakt. Ik hoorde hem de benaming zo consequent hanteren dat het mij begon te dagen. Oei, zou hij degene zijn die een paar maanden geleden met een ondoorgrondelijke regelmaat ‘Lulu is een vuile tak’ op het schoolbord schreef? Ik scheurde een blaadje van mijn notitieblok af en schreef er die zin op. Dit papiertje schoof ik naar zijn deel van de tafel. Als hij dit niet onmiddellijk zou lezen, zou ik per omgaande tot de laatste snik toe op mijn handen lopen.

Schrijfwijze

Helemaal mee eens, zei Jie zachtjes maar zielsgelukkig tegen mij, nota bene tijdens de les. Dat ben jij, een vieze, vuile, smerige hoer! Aan zijn hemelse gezichtsuitdrukking te beoordelen, als men hem zou vragen wat zijn grootste wens was, zou hij antwoorden het blijven herhalen van die obscene zin, schatte ik in. Ik pakte een rode pen, streepte ‘tak’ door en schreef ernaast het juiste woord. Ik fluisterde terug, ‘hoer’ schrijf je met het radicaal ‘vrouw’ aan de linkerkant. Als je het radicaal ‘boom’ gebruikt, krijg je het woord ‘tak’. Dat zou niet je bedoeling zijn, of wel soms? Een tip, als je mij verrot wilt schelden, doe het goed, zonder taalfout.

Ik zag Jie blozen, tot achter zijn oren. Hiermee gaf ik het startschot voor onze stille strijd. O, wat miste ik Sheng! Met hem kon ik tenminste open kaart spelen, maar tegen Jie moest ik geslepen zijn. Daar zou ik me in verdiepen en bekwamen, besloot ik.

Woord verklaren

Niets bleek minder waar. Jie was een open boek, volgeschreven met aanklachten tegen mij maar wel overzichtelijk. In de dagen die erop volgden, had ik tijdens de pauzes tussen lessen geen stap verzet. Jie evenmin. Wij bleven op de stoel zitten en wisselden met elkaar in even venijnige als klare taal van gedachten, met als enige onderwerp Sheng. Het begon met mijn vraag naar de bekende weg (Jie kon mij moeilijk een goede fee noemen, nam ik aan), waarom noemde hij mij een vuile hoer? Het eindigde als een donderslag bij heldere hemel. Om een lang verhaal kort te maken, het ging zo.

Een hoer zag alleen maar één ding, geld, legde Jie mij uit. Mensen waren voor haar melkvee en hun gevoelens koeienvlaai. Hoeveel een man ook om haar gaf en voor haar over had, haar hart was niet warm te krijgen, want het was uit steen gehouwen. Ik had ook een hart van steen en was dus ook een hoer. Einde Jie’s diagnose.

Ik vroeg Jie om zijn mening te onderbouwen. Hij keek mij aan alsof ik zijn hele familie plus aangetrouwde had uitgeroeid. Na alles wat ik Sheng had aangedaan, moest ik nog bewijzen horen voor zijn aanklachten? Doe maar alsof je van de prins geen kwaad weet, wierp hij mij een blik van verachting. Hij had Sheng zo voor mij gewaarschuwd, maar die geloofde eerder mij dan Jie zijn beste vriend – ze waren nota bene samen opgegroeid! Trouwens, ging hij verder, tegen een harteloos mens als ik, moest hij keihard de waarheid zeggen. Dat was het enige dat hij nog voor Sheng kon doen. Voorts zei hij recht in mijn gezicht wat ik allemaal op mijn geweten had.

Zin op het schoolbord en inktvlekken

Maanden geleden, direct nadat Sheng naast mij kwam te zitten, ging hij naar Jie’s huis. Ze woonden in hetzelfde dorp, een kwartier lopen vanaf onze school. Van Sheng moest Jie maar eens ophouden met het schrijven van die onzin over mij op het schoolbord. Jie wilde het best doen, een vriendendienst, weet je wel? Maar op één voorwaarde, Sheng moest niet opeens denken dat ik geen hoer was, alleen maar omdat hij een bureau met mij deelde. Sheng draaide zich om en ging weg. Toch geen manier van doen tegen een vriend van wie hij iets gedaan wilde krijgen? vond Jie.

Een paar dagen later vroeg Sheng Jie om een tweede vriendendienst. Of hij niet meer met zijn vulpen tegen mijn jas wilde schudden. Ook dit had Jie voor Sheng over. Alleen wilde Jie er iets over kwijt. Sheng moest oppassen dat ik niet te kleinzerig werd. Destijds gaf ik niet eens een kik toen Sheng mij zweepte. Wat waren een rijtje inktvlekken op mijn jas vergeleken met die bloedstriemen op mijn gezicht? Toen Sheng dit hoorde, draaide hij zich weer om en wilde er vandoor gaan. Deze keer blokkeerde Jie echter de deur en waarschuwde Sheng eenmaal, je krijgt toch niet een zwak voor die hoer?

Al kibbelden Sheng en Jie over mij – nergens anders hadden ze van kinds af aan grote meningsverschillen over, ze bleven dikke vrienden totdat Sheng Jie om een derde vriendendienst vroeg. Dagen had Sheng, direct na school, in struiken gehurkt gezeten. Eindelijk had hij uitgevogeld welke groep jongeren Lan en mij met stenen belaagde als wij van school naar huis gingen. Sheng wilde die lui ermee confronteren, maar daar had hij hulp bij nodig. Jie weigerde dienst. Die jongens gebruikten namelijk niet hun vuisten maar een kettingslot. Bovendien, ze mikten enkel en alleen op het hoofd. Jie had geen gaatje in zijn hoofd en wilde er vooral geen grote krijgen.

Losse draadjes van Shengs trui

Sheng zocht verder naar versterking. Toen Jie hoorde dat Sheng zich aan wilde sluiten bij de Vleermuizen, waarschuwde hij Sheng voor een tweede maal. Leden van deze bende gebruikten geen kettingsloten maar dolken en hakmessen. Wie tegen de groeirichting van hun haren streek kreeg een van zijn ledematen afgemonteerd. Jie snelde naar Sheng. Bijna alle Vleermuizen hadden of in de gevangenis gezeten of zaten daar nog in, vertelde hij Sheng wat iedereen al wist. Sheng wilde toch niet omwille twee hoeren (volgens Jie viel Lan onder mijn categorie) in een tuchtschool terecht komen?!

Sheng noemde Jie een lafaard en Jie noemde Sheng een idioot. Ze waren beiden niet van woorden maar van daden. Al snel lagen ze met elkaar in de clinch. Jie dreigde de vechtpartij te verliezen, pakte een los draadje van Shengs trui en liet hem op het schoolplein rondjes draaien. Onderwijl riep Jie dat voor een hoer een man slechts een ezel was. Hij kon zwoegen tot hij erbij neerviel, maar haar molensteen zou hij nooit kunnen verlaten.

Sheng zette zijn plannen door. Jie kon het niet aanzien en ging naar Shengs vader, aan wie hij alles uit de doeken had gedaan, ook zijn idioterie met betrekking tot mij. Wonder boven wonder kreeg Sheng deze keer geen draaien om de oren. Zijn vader zei dat hij hoe langer hoe meer last van reuma kreeg. Hij kon nog steeds paard en wagen sturen, maar laden en lossen? Dat viel hem te zwaar. Of zoonlief hem ermee wilde helpen. Shengs knokkels waren zo hard als dat zijn hart zacht was. Sindsdien ging hij elke dag na school met zijn vader rijden. Samen vervoerden ze voor hun dorp aardappelen en uien, Chinese kool en wortels. Als sommige van de levensmiddelen kneusden, mocht Sheng ze houden. Hij verzamelde ze en verkocht ze op de zwarte markt.

Overjas, appels, stenen gooien, blauwe plekken en ‘muis’

Met wat Sheng verdiende kocht hij die mosgroene overjas. Maar wat deed jij? verhief Jie zijn stem. Ik keek er niet eens naar, terwijl Sheng in die jas de hele tijd voor mij stond. Ook met wat hij verdiende kocht hij die grote zak appels – Sheng vertelde Jie dat als hij zijn hoofd op mijn schouder leunde, hij bij mij de geur van appelbloesem rook. Maar waarvan verdacht je hem? was Shengs retorische vraag. Van winkeldiefstal. Tevens met wat hij verdiende kocht Sheng sigaretten en alcohol. Deze gaf hij de groep jongeren cadeau die Lan en mij met stenen bekogelden. Die etters beloofden hun actie stil te leggen, tot nader orde. Sheng moest hen dus sigaretten en alcohol blijven geven, anders deden ze het weer.

Nadat zijn vader hun oude schaap had geschoren, kreeg Sheng zijn oma zover dat ze de wol voor hem weefde. Voorts zeurde hij net zolang aan zijn moeders hoofd dat ze een trui voor hem breidde om van er vanaf te zijn. Shengs zus zou de trui voor hem blauw verven, maar ze had verkering en had wat anders aan haar hoofd. Sheng kon niet op haar wachten en ging de trui zelf verven. Om mij hem zo spoedig mogelijk in die nieuwe trui te laten zien, had hij een paar afspoelbeurten overgeslagen.

Maar wat zag je toen hij apetrots voor je ogen stond? vroeg Jie. In plaats van zijn nieuwe trui zag ik zogenaamde wonden op zijn hals en polsen. Al gillende verkondigde ik aan de hele klas dat Sheng weer met slechte jongens had gevochten, met bont en blauwe plekken als gevolg. Dat waren in ’s hemelsnaam de kleuren die de trui afgaf! hield Jie zijn stem nog steeds in toom – anderen hadden niets te maken met wat wij bespraken – maar met zijn verachting voor mij hoger en hoger in het vaandel.

Vlak voor het Chinees nieuwjaar ging het vetste varken van Shengs familie onder het mes. Toen Shengs vader de botten hakte, Shengs oma de poten onthaarde, Shengs moeder de ingewanden waste, Shengs zus een flink deel van het vlees pekelde, en Shengs broertjes en zusjes watertandend op een feestmaal wachtten, wikkelde Sheng stiekem een van de twee oren in oude kranten en bracht het de dag daarna voor mij mee. Rood geroosterd varkensoor was de kroon van het Nieuwjaarsdiner, tenminste volgens Sheng en andere dorpelingen. Maar wat deed jij? sloeg Jie’s stem over. Ik schreeuwde de leraar van de gang naar het leslokaal en beschuldigde Sheng ervan mij weer met een dode muis te pesten, nota bene op de laatste dag voor het Nieuwjaar!

Adres

Ik wilde niet verder naar Jie’s verhaal luisteren. Opeens besefte ik dat het niet Sheng was, niet de meester, ook niet Jie, die ik moest haten, maar mijzelf. Ik vroeg Jie of hij mij zou willen helpen. Wat voor hulp ik ook aan hem zou vragen, perste hij de woorden tussen zijn tanden door, het antwoord was nee. Anders dan Sheng, had hij geen stront in zijn ogen en zou mij nooit een vinger toesteken.

Ik verliet mijn stoel en doolde in de gang rond. Ik moest en zou iemand vinden die wist waar Sheng woonde. Zielsgraag zou ik voor hem willen knielen en hem mijn hartgrondige verontschuldigingen aanbieden. Hij moest mij vooral niet vergeven. Ik zou boeten voor wat ik hem had aangedaan, net zo lang tot ik mezelf niet meer haatte.

Ik wachtte tot na de school en haastte me naar het kantoor van de meester. Helaas was hij al naar huis.

Achter de leraar aan

De dag daarna sneeuwde het. De meester schreef op het bord een bekende dichtregel Dikke sneeuw voorspelt een goede oogst. Wederom tijd voor een opstel. Ik beet op mijn pen en kreeg geen woord op papier. Jie keek over mijn schouder en kuchte. Het moge duidelijk zijn dat hij mijn opstel wilde overschrijven. Nu ik niets op papier had, moest hij straks ook een blanco velletje inleveren. Hier kon ik me niet druk over maken – hij was niet Sheng. Bovendien, ik had iets dringends aan mijn hoofd.

Eindelijk ging de bel. Ik rende achter de leraar aan en volgde hem de gang in. Het liefst zou ik met hem naar zijn kantoor willen, maar hij had een stapel opstellen te corrigeren, zei hij, even geen tijd.

Ik ging naar buiten. Het schoolplein, de wegen, de riooldeksels en de kuilen op het plantsoen hadden zich aan het zicht onttrokken. Alles zag er even egaal en wit uit. Ik voelde me leeg, net als het landschap waarin alle plaatsen en voorwerpen onder het egale wit waren verdwenen. Hoe moest ik verder? Met Shengs vertrek was weliswaar mijn angst voor pesten overgewaaid, maar ook mijn hoop. Hoop op acceptatie door mijn klasgenoten, met Sheng vooraan in de rij.

Blindstaren

Direct na de laatste les zocht ik de meester in zijn kantoor op. Naar zijn verbaasde maar verheugde gezichtsuitdrukking te beoordelen, scheen hij verbaasd te zijn dat ik nu al met hangende pootjes terug kwam. Ik friemelde aan de onderkant van mijn jas en wist niet waar ik moest beginnen. De leraar liet mij op een stoel naast zijn bureau zitten, ging door met het corrigeren van het huiswerk en keurde mij geen blik waardig. Mijn zelfhaat escaleerde. Ook de leraar zag mij niet meer zitten, dacht ik. Gauw gaf ik toe dat ik door angst voor en haat jegens Sheng verblind was en daarom Shengs pogingen tot het met mij goed maken niet had gemerkt, sterker nog, verkeerd had opgevat.

De leraar schudde zijn hoofd. Ik was eerder verblind door zelfmedelijden, zei hij. Turbulentie in de ideologie kwam en ging, net als de eb en vloed van de zee. Intellectuelen zoals mijn moeder werden de ene keer ingezet voor belangrijke zaken en vielen de andere keer in ongenade. Lulu, klonk de leraar ineens wat milder, je moet je niet minderwaardig voelen vanwege je heropgevoede moeder. Wat betreft je uiterlijk, politiek correct of niet, je bent zo geboren en daar moet je het mee doen. Ook schoonheidsideaal is aan ideologische turbulentie onderhevig. Er komt nog een tijd dat de wind uit een andere hoek waait. Maar, zocht hij oogcontact met mij, Shengs familie blijft op de onderste sport van de samenleving, welke wind er ook waaide. In plaats van Sheng te begrijpen en zijn stapjes voorwaarts te waarderen, zwelg je in zelfmedelijden.

Goede raad

Ik kreeg het benauwd en viel de meester in de rede. Zou hij mij Shengs huisadres willen geven? Hij stak een vinger in de lucht, als hij mij een goede raad mocht geven, nee, hij zou het anders formuleren, als ik voor de verandering naar zijn advies wilde luisteren, kon ik beter Sheng met rust laten. Hij had zijn levenskoers en ik de mijne. Ze zouden elkaar, uitzondering daargelaten, niet kruisen. Tranen welden uit mijn ogen. Maar ik wilde Sheng excuses aanbieden, zei ik.

De leraar wees naar buiten. Of ik de sneeuw daar zag. Ik knikte – wie kon daar omheen? Maagdelijk wit, zoals dichters de sneeuw beschreven, mijmerde hij, en gevoelens leken op de sneeuw. Ik vroeg hem wat dat betekende. Hij stond van de stoel op en bracht mij naar de deur. Zoiets moest ik, als ik groot was, zelf zien te begrijpen.

Uiteraard sloeg ik de goede raad van de leraar in de wind. Links en rechts informeerde ik naar Shengs adres, maar Jie zorgde ervoor dat de klasgenoten die met Sheng waren bevriend mij als een besmettelijke ziekte meden.

Bekend geluid

Op een dag ging ik naar school en hoorde de klappen van een zweep. Gauw draaide ik me om en keek naar achter. Sheng zat op een paard en wagen! Naast hem, op een gewatteerd dekentje, dommelde een oude man in. Zeker zijn vader. Achterop de wagen, tussen stapels Chinese kool lag een joekel van een bruine hond, ook in te dutten. Ik rende achter de wagen aan en riep naar Sheng. Hij hield zijn nek stijf en keek niet op of om. Ik kwam adem tekort maar bleef achter hem aan hollen. Sheng!, zei ik, zo luid als ik kon, ik ga me beteren!

Deurgrendel! hoorde ik Sheng brullen. Meteen richtte de bruine joekel zich op, liet mij zijn tanden zien en begon te blaffen. De oude man werd ook wakker, maar voordat hij de kans kreeg zich om te draaien en mij op te merken, zweepte Sheng de paarden zo hard dat ze als een speer vooruit schoten. De stapels Chinese kool trilden, de blaf van de hond werd hakkelig en Shengs vader, nam ik aan, gaf Sheng een draai om de oren.

Weg

Alleen goede feeën zagen mij nog zitten en staken een helpende hand naar mij uit, want een maand later kwam mijn vader, zonder vooraf een brief te schrijven, thuis. Ik smeekte hem mij mee te nemen naar de provincie Sichuan – geen dag langer wilde ik op deze school zitten. Een vreemd verzoek, maar toch geschiedde het.

Mijn ouders maakten zich namelijk zorgen dat ik op school behalve slogans weinig leerde. Via via kregen ze te horen dat een hoog aangeschreven taalacademie in Sichuan nieuwe leerlingen aan het werven was. Alleen moesten de kandidaten door een strenge selectie heen. Dankzij mijn privélessen Engels haalde ik het toelatingsexamen. Zo verliet ik op mijn zestiende huis en haard en keerde pas op mijn achttiende in Beijing terug. Dankzij mijn opleiding op die academie haalde ik ook het staatsexamen en ik zette mijn studie Engelse taal en literatuur voort op de Universiteit van Beijing.

Eb en vloed

Vlak voordat ik van Sichuan naar Beijing terugkwam, was vaders werkeenheid ook weer naar Beijing verhuisd. Toen ik onze nieuwe ruime woning die vader toebedeeld kreeg betrad, vroeg ik hem, bent u soms net als Lans vader, een hoge piet? Mijn ouders keken elkaar aan en wisten niet of ze blij of bedroefd moesten zijn.

Zodra Britse en Amerikaanse gastdocenten naar mijn faculteit kwamen, werd ik samen met een paar andere studenten ingeschakeld om hen naar de Verboden Stad, het Zomerpaleis of de Grote Muur te begeleiden. Niemand legde ons uit waarom altijd wij waren ingezet voor dit werk. Als ik echter de geruchten moest geloven, kwam het doordat de faculteitsdirectie een positieve indruk op internationale vrienden wilde maken door er representatief uitziende studenten als gidsen in te schakelen. Ik hoefde dus niet meer te boeten voor mijn uiterlijk dat in dit nieuwe tijdperk als politiek neutraal werd beschouwd.

Ik had geen zin in het veevoer in de universiteitskantine en ging geregeld naar een restaurant ten zuiden van de campus. Daarom maakte ik het geld dat vader mij maandelijks gaf reeds midden in de maand op. Elk weekend als ik thuiskwam, wachtte moeder totdat vader de andere kant opkeek en stopte mij een paar bankbiljetten in de hand. Zo werd ik de beste klant van dat restaurant. Inderdaad, toen de turbulente jaren voorbij waren, zat moeder tot over haar oren met opdrachten. Haar vakkennis was weer in trek, met goed inkomen als klap op de vuurpijl. Alles veranderde behalve mijn gemis van Sheng.

***

Duinen

Jaren later, een week geleden om precies te zijn, stond ik in de Haagse duinen. Ik voelde de aarde onder mijn voeten veren, vanwege de sneeuw die er de ochtend daarvoor was gevallen en de avond daarna gesmolten, en ik moest voor de zoveelste keer aan Sheng denken.

Mijn leraar op de middelbare school had gelijk. Gevoelens, vooral die van Sheng, leken op de sneeuw en kenden eenrichtingsverkeer. Zodra ze smolten oftewel verdwenen, kwamen ze niet meer terug, althans niet in dezelfde maagdelijk reine kristalvorm.

Shengs pesterij leek ook op de sneeuw, die langzaam maar gestaag wegdooide en overging tot genegenheid vanwege mijn nabijheid en mijn pogingen hem te behagen. Juist, toen ik naast hem zat en losse draadjes van zijn versleten trui aan elkaar knoopte en Engelse woorden volgens klank in het Chinees omzette, dacht ik dat ik hem wilde helpen. Achteraf gezien deed ik het niet uit medeleven maar uit angst. Door mij uit te sloven hoopte ik zijn keiharde houding tegenover mij te ontdooien, iets wat mij was gelukt, meer dan dat.

Twee vormen, één component

Shengs gevoelens voor mij leken niet alleen op de sneeuw maar ook op het water waar de sneeuw in veranderde, die, hoewel verschillend in vorm, beiden uit dezelfde H2O bestonden. Shengs pesterij voordat hij naast mij zat en zijn pogingen daarna om mij te beschermen en een plezier te doen stonden ogenschijnlijk lijnrecht tegenover elkaar, maar daaraan lag dezelfde belangstelling voor mij ten grondslag. Jong en onervaren als hij was, wist hij zich er geen raad mee. Niet alleen omdat mijn moeder een heropgevoede intellectueel was terwijl zijn vader niet eens zijn naam kon schrijven, maar ook omdat hij zich tot mij aangetrokken voelde juist mede door mijn politiek incorrecte uiterlijk. Hij pestte mij om zijn tweestrijd de kop in te drukken. Nadat hij naast mij kwam te zitten, won zijn interesse in mij het van zijn tweestrijd. Op zijn onhandige manier probeerde hij zijn ontluikende genegenheid aan mij kenbaar te maken.

Mijn kijk op Sheng leek wederom op de sneeuw en op het water waar de sneeuw in veranderde. Mijn fixatie op vriendelijkheid en vijandigheid verhinderde mij het verband tussen Shengs pesten en plezieren te zien. Even jong en onervaren als Sheng, brak ik al schreeuwend en beschuldigend zijn ontluikende verliefdheid in de knop, net als de temperatuur in Zuid-Holland, die te hoog was om de sneeuw vast te houden.

IJsbloem

Sinds mijn achttiende had ik veel liefdes gezien en de liefde veelvuldig bedreven, maar als de maan rond was en de nacht lang, sloot ik mijn ogen en zag ik Sheng. Zijn gevoelens verdwenen even snel als ze waren gekomen, gelijk de sneeuw in de Haagse duinen. Door mij te ergeren aan wat Sheng deed in plaats van te begrijpen wat hij ermee bedoelde, had ik de kans gemist om de schoonheid te ontwaren van de eerste liefde die een jongen aan mij schonk.

Hier in de Haagse duinen geweekt in sneeuwwater praatte ik met de zilte wind. Waar Sheng nu ook mocht zijn, ik hoopte dat de ijverige wind van de Noordzee mijn verontschuldigingen en vooral mijn verlate genegenheid voor hem over zou brengen. Genegenheid als de sneeuw op de top van de Alpen. Die nooit smelt en nimmer verdwijnt, ook niet voor de zon, omdat de temperatuur daar voorgoed laag is. Liefde ondergesneeuwd door onmogelijkheden om die te zien, te horen, te voelen en te bedrijven, blijft in bloei. Als een ijsbloem hoog in de Alpen en diep in ons hart.

 

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>