Overburen /我的荷兰贵族邻居,verhaal geschreven en voorgedragen door Lulu Wang/欧洲生活故事, 王露露作家写作与朗诵

Overburen



Toen ik nog op het rooster van bekendheid lag te sissen en te sudderen, werd ik eens door een TV programma geïnterviewd. Ze vroegen mij of Nederland niet beter een republiek kon worden. Ik dacht direct aan mijn land van herkomst. In 1911 werd Henry Puyi, de laatste Chinese keizer, de Verboden Stad uitgebonjourd. Sindsdien konden wij, zeg maar het gepeupel het voorheen fabelachtige paleis bezichtigen. Niks aan, vond ik. Zonder zijn oorspronkelijke inzittenden stelde die plaats met al zijn pracht en praal weinig voor. Net een walnoot waarvan de inhoud uitgehold was. Hoewel wij voorheen zelfs het lege omhulsel van de noot niet van binnen konden bewonderen, dat het bestond met alles erop en eraan, was iets dat tenminste ons voorstellingsvermogen prikkelde. En dat was wel heel wat waard, leek mij. Daarom zei ik tegen de interviewer, elk land moet zijn eigen beleid vormen en ik als Chinese respecteer de keuze van het Nederlandse volk, wat die ook moge zijn.

Toen ik de uitzending terugzag, was het gesprek met mij weggeknipt. Later kreeg ik pas door dat de bedoeling van het interview, gezien het vooruitstrevende standpunt van de uitzender, was dat ik zou roepen, het werd tijd dat wij een president krijgen. Misschien gingen ze ervan uit dat ik me als auteur van de rebelse roman Het lelietheater achter de republikeinen zou scharen. Nou, ze zaten er naast.

Ik ben tuk op geschiedenis. Het liefst was ik honderden jaren geleden geboren, toen men nog met paard en wagen reisde en toen de kastelen, net als de Chinese Verboden Stad, bewoond werden door de adel en hun gevolg. Wat een romantische gedachte, zou je het uitproesten, maar daarvoor ben ik schrijver. Ik metsel graag met mijn woorden als rotsblokken een luchtkasteel, dat op een bergtop staat. Een burcht die als een arend het dal overkijkt en paraat staat om elk groepje terug te dringen, dat het in zijn hoofd zou halen om, gewapend met hooiharken en vlastouwen, de vesting aan te vallen.

***

De wens is de vader van de gedachte en ook van de realiteit, dunkt mij. Amper een jaar na dat interview hoorde ik van mijn naaste buren dat een adellijke familie naar de overkant van onze straat zou verhuizen. Ze vertelden mij ook hoe ze heetten. Joh, dacht ik, wat klonk die als een intercity, van Amsterdam naar Utrecht bijvoorbeeld. De meneer droeg de naam Van Hier tot Daar en de mevrouw van Ginds tot Ginder – dat wil zeggen, voordat ze trouwde. Mijn hart sloeg een slag over. Eindelijk trokken er in levende lijve een baron en barones mijn al jaren leegstaande luchtkasteel in.

Uiteraard was ik discreet genoeg om niet zomaar contact met deze nieuwe buren te zoeken.
Alleen al het idee dat ze bij mij in de buurt zaten, was wat mij betrof voldoende. Als een liefhebber van science fictions genoot ik van het gegeven dat er naast de wereld waar ik in vertoefde talloze parallelle universums bestonden. Als ik ooit genoeg kreeg van het gedoe hier, kon ik via een wormgat naar een ander heelal kruipen en daar als god in Frankrijk leven. Vandaar dat ik de familie Van Hier tot Daar slechts van een afstand beluisterde. Inderdaad, mijn eerste indrukken van hen verkreeg ik door naar de vrouw des huizes te luisteren.

’s Zomers, als de ramen van mijn voorkamer open stonden, hoorde ik af en toe de barones haar gasten uitzwaaien. Een zilveren belletje van een stem was het, vrolijk en hartelijk. Niet zomaar daaag en tot gauw weer, maar een heel verhaal. Hoewel ik niet kon verstaan wat haar afscheidstekst exact was, voelde ik aan dat ze bruiste van enthousiasme, iets wat in het huidige tijdperk dun gezaaid is.

Heel soms hoorde ik haar ook voorbij fietsen, correctie, haar al fietsende de buren begroeten. Wederom die blijde stem. Net een zonnestraal die elkeen die op haar pad kwam, voorzag van licht en warmte. Dat was, naast vandaag de dag dun gezaaid, ook niet het gangbare beeld van de kasteelvrouwen die ik uit Engelse klassiekers, zoals The Wuthering Heights en Jane Eyre, had begrepen. In die romans zijn de dames, hoewel deftig gekleed met korset en al, overwegend bleekjes en melancholisch. Een verschil van dag en nacht met deze barones.

Van mijn buren hoorde ik zo nu en dan verhalen over haar. Zo merkte ik dat ze wel degelijk overeenkomsten vertoonde met de hoofdrollen van de Engelse meesterwerken. Ook zij fêteerde vaak in zalen mensen, maar dan bejaarden en hulpbehoevenden. Ze schreef boeken, organiseerde tentoonstellingen, regisseerde toneelstukken en ontwierp spelletjes over de Nederlandse canon, volgens zeggen krachtig bijgestaan door haar echtgenoot. Hierdoor kwamen de oude gewoontes en tradities tot leven, iets wat mijn fantasie voedde. Ik was nu eenmaal nieuwsgierig naar al wat voorbij en zeker interessanter was. Hoewel men haar tegenwoordig niet meer als een noblesse op een voetstuk plaatste, voelde de barones zich alnog oblige om de taken die haar voorouders op zich hadden genomen voort te zetten. Een cultureel erfgoed dat de tijd en de trend rustig naast zich legde.

Een van de weinige keren dat ik contact met haar had was bijvoorbeeld toen mijn pink bekneld raakte tussen de bagagedrager van mijn fiets en een doos vol boodschappen. Au, krijste ik als een speenvarken in het slachthuis. Ik heb ijszakken thuis, wil je ze lenen? hoorde ik iemand achter mij zeggen. In het begin legde ik geen verband tussen die stem en mij. Toen de persoon die vraag driemaal herhaalde, draaide ik me toch maar om en zag de barones van haar fiets afstappen en mij aankijken, bezorgd en vriendelijk. Opeens vergat ik de pijn en voelde me zelfs kiplekker. Ik dankte haar en liep met veren onder mijn voetzolen naar huis.

Van de baron hoorde ik haast nooit iets via mijn geopende ramen. Hij scheen zuinig met woorden te zijn en ik zag hem zelden met mensen bij ons op straat praten. Geen man overboord. Ik knoopte wel een gesprek met hem aan, via een legitieme aanleiding.

Dat was nadat ik een openingstoespraak had gehouden voor een tentoonstelling op de Hoge Veluwe. Daarop ontmoette ik de voorzichter van een stichting voor het behoud van dit natuurgebied. Hij heette eveneens Van Hier tot Daar. Ik vroeg hem of hij misschien familie was van mijn overbuurman. Wij zijn volle neven, straalde hij direct. Na de toespraak reed een Veluwenaar mij naar het Centraal Station Zwolle. Onderweg wees hij naar een kasteel omgeven door bosjes en sloten. Dat bleek het kasteel te zijn van de voorouders van die voorzitter en dus ook van mijn buurman. Voorts vertelde de Veluwenaar mij over het conflict tussen die familie en de geestelijken, beide machtigen toentertijd. Eentje dat escaleerde tot een vuurgevecht, langdurig ook.

Steeds probeerden de soldaten van de geestelijken het kasteel te bestormen maar dat ging niet, vanwege het sterke leger, de hoge torens en de dikke muren van de burcht. Ten einde raad pasten de geestelijken een truc toe. Ze sleepten koeien die overleden waren aan een besmettelijke ziekte naar de kasteelwallen en katapulteerden ze met een werktuig over de muren heen, naar hartje vesting. De koeien plonsden in de vijver, gingen gisten en vervuilden de waterbron. Leden van de familie werden de een na de ander erg ziek. Toen moesten ze de poort openen en zich overgeven, want dan konden de besmette familieleden schoon water krijgen en gered worden. Sindsdien ging het met de familie bergaf.

Terwijk de Veluwenaar dit relaas deed, hield ik wijselijk mijn mond. Dat trucje klonk mij bekend in de oren. Daarmee drongen de Mongolen Europa binnen en bracht elke troep aldaar, hoe zogenoemd onverslaanbaar ook, op de knieën. Vandaar de uitdrukking “het Gele gevaar”. Mijn luchtkasteel, de baron en barones, dit echte kasteel en de Mongolen – een nomadische stam van mijn Chinese voorouders. Dit alles met een surrealistisch verband ertussen. Hier durfde ik niet eens van te dromen.

Na mijn bezoek aan de Hoge Veluwe stapte ik op mijn buurman af de eerste de beste keer dat ik hem op straat zag. Ja, zei ik, ik heb onlangs het kasteel van je familie gezien. Hij bleef even stil en vroeg, welk? Ik stond met de mond vol tanden. Maar natuurlijk, realiseerde ik me, daar hadden ze meerdere van en hij wist niet welk ik bedoelde. Zijn reactie fungeerde als een wormgat. Zo kon ik een blik werpen op een parallelle wereld, waarin kastelen genummerd waren om beter beheerd te worden. Dit boeiende gesprek en de buitengewone impact ervan zouden mij nog jaren heugen, achteraf geconstateerd.

Omdat hij en ik beiden graag jogden, zag ik hem geregeld op straat. Overwegend op een christelijke tijd, behalve een keertje. Ik kwam eens met de laatste bus in het holst van de nacht thuis, na een lezing elders in het land. En wie trof ik in de donkerte aan? De baron. Hij liep op straat langzaam, verzonken in gepeins. Toch hoorde hij mijn voetstappen naderen en hij begroette mij. Hij las verbazing in mijn blik en probeerde te glimlachen. Ik laat mezelf uit, zei hij. Dat was waar, bij ons in de wijk ging men alleen de straat op voor het laatste rondje met de hond. Met zijn uitspraak probeerde de baron, op een subtiele en geestige manier, die wandeling zo laat in zijn eentje buiten uit te leggen. Ik wist wat hij bedoelde en uit zijn gezichtsuitdrukking, onder de straatlamp toch wel vaagjes zichtbaar, maakte ik op dat hij wist dat ik het wist.

Anders dan de barones – een zonnetje in mensengedaante, althans naar mijn mening, was de baron een stil water met diepe wervelende gronden. Daarop voer het schip van zijn vrouw druk bezig met velerlei activiteiten veilig en wel. Wat dit echtpaar, twee uitersten qua karakter, gemeen had was dat ze beiden op een lijvig geschiedenisboek leken. Pakkend en vuistdik. Ik moest er ruim de tijd voor nemen en er aandachtig in lezen. Om de paar hoofdstukken moest ik het boek opzij leggen, er rustig over nadenken en de leesstof nakauwen, op zoek naar diepere betekenissen en mogelijke implicaties verholen in ogenschijnlijk eenvoudige gebeurtenissen.

De spaarzame dialogen die ik met hen had gevoerd deden onze parallelle werelden elkaar overlappen, met verfrissende inzichten en gewaarwordingen tot gevolg. En dat maakte het bestaan hier op aarde, ondanks de beproevingen die niemand, jong of oud, arm of rijk, overslaan, de moeite waard. En zelfs voor degene wiens lekkere leven van een leien dakje ging golden dergelijke fascinerende ervaringen ongetwijfeld ook als kers op de slagroomtaart.

***

Bij nader inzien is dat waarschijnlijk de reden waarom ik destijds tegen de TV interviewer zei, elk land moet voor zichzelf uitmaken of het koningshuis voor hen wenselijk is. Alhoewel de adeldom niet meer van deze tijd is, zijn uitstraling blijft. Net als de winterse zon, werpt het gedachtengoed van de oude kaste een haast niet merkbaar maar wezenlijk licht op onze moderne samenleving. Dit onderbouwt en verrijkt onze huidige beschaving en begeleidt, samen met de tastbare en verkiesbare krachten onze maatschappij in een evenwichtige, duurzame richting. Net als de diepe wortels die essentieel zijn voor een hoge boom, is de bijdrage van het adellijke geestesgoed onmisbaar voor de Nederlandse cultuur, al zijn we ons er niet altijd van bewust.

Door mijn romantische geaardheid en mijn voorliefde voor luchtkastelen ben ik me wel degelijk bewust van de invloed ofwel de nagloed van de adeldom. Zo kan ik de kleine details in het doen en laten van de naburige baron en barones in het oog krijgen en in mijn hart sluiten. Gelukkig zijn er meer mensen als ik. Anders zou geschiedenisles niet meer op school gegeven worden, want de meeste leerlingen zien het nut van dit voor hen saaie en taaie vak niet. Gisteren gaat nooit voorbij – dit klinkt in het hier en nu door, bij tijd en wijle luid en duidelijk, en terecht ook. En veelal doorstond slechts het mooie en waardevolle van het verleden de scherpe tanden des tijds. Mijn overburen intrigeren mij omdat ze het fraaie van de adeldom over- en in stand houden.

Ahá, nu besef ik, tientallen jaren na dato, waarom ik de hele tijd zo discreet ben geweest om geen contact met mijn buren te zoeken. Een Chinees gezegde luidt, Afstand schept schoonheid. Voor mij, een romanticus, is het leven wonderbaarlijk juist omdat ik meestal niet het naadje van de kous hoef te weten.

Lulu Wang
Den Haag, 2 maart 2025

Bestel een gesigneerd exemplaar van Lulu’s nieuwe dichtbundel Lentelokroep, € 22,95