Verbinding is heilig, een Chinees sprookje

Schrijfster Lulu Wang.(Den Haag 10-08-10)Foto:Frank Jansen

Er was eens een jongeman die lag te slapen. Plotseling zwaaide zijn deur open en hij spitste zijn oren. Het was buiten windstil. Hoe kwam het dat zijn deur open was gewaaid? Hij had voordat hij naar bed ging toch de deur echt op slot gedaan. Hier hield zijn verbazing niet mee op, want een straal wit licht verdreef de nachtelijke duisternis om hem heen. Hij fladderde met zijn neusvleugels: waar kwam de geur van jasmijn vandaan? Hij wreef zijn slaapdronken ogen open en schrok zich een hoedje.

Een beeldschone jonge vrouw streek met haar lichtgevende vingers zijn laken glad en ging op de rand van zijn bed zitten. Droomde hij of voltrok zich een wonder recht onder zijn neus? Hij dacht meteen aan een gezegde: Er is geen regen zonder wolken; er is geen huwelijk zonder een koppelaarster. Geen jonge vrouw zou zonder begeleiding van een bemiddelaarster of van haar familie op een man afkomen. Ze zou hem al helemaal niet in het holst van de nacht in zijn slaapkamer opzoeken!

Een en ander wees erop dat hij hier niet te maken had met een wonder maar met een ramp. Want dit onweerstaanbare wezentje was geen mens maar een spook. Alleen spoken die zich in de kille ondergrond eenzaam voelden, slopen ’s nachts naar de mensenwereld toe, op zoek naar warmte. En als ze voldoende warmte in zich hadden opgenomen, konden ze als mensen herboren worden.

Geen sprake van!, duwde de jongeman het mooie spook weg. Van hem moest ze ophoepelen, nu meteen! Maar op het moment dat zijn hand in aanraking kwam met haar arm, wist hij niet meer zo zeker of spoken stuk voor stuk bloedlink waren. Want ook haar arm gaf licht en die voelde zo warm, zacht en glad aan dat hij erin moest knijpen om die vast te kunnen pakken. Hij liet het zich welgevallen toen ze naast hem kwam liggen en de zaak van de regen en wolken met hem bedreef.

Nadat hij drie keer in Boeddha’s jasmijntuin had vertoefd en de zalige plek met zijn liefdesstortregen had begoten, veranderde hij van gedachten. Spook of niet, ze had hem tot de gelukkigste man op aarde gemaakt. Voordat hij voldaan indommelde, nam ze afscheid van hem. Hij vond het maar niks: kon ze niet bij hem blijven slapen, alsjeblieft? Ze gaf hem een aandenken: een zijden zakdoek. Morgenavond kwam ze weer, stelde ze hem gerust. Op voorwaarde, zei ze, dat hij de zakdoek goed bewaarde, want dat was haar enige verbinding met de warme mensenwereld.

De volgende ochtend stond de jongeman fluitend op en begroette zelfs de sprinkhanen in de rozenstruiken. Zijn hele familie, inclusief de keukenmeiden, verbleekten als hij langskwam. Iedereen vroeg wat er loos was, want hij zag er lijkbleek uit en was ineens zo mager geworden als een boomblad. Daar geloofde hij geen barst van, diende hij hen van repliek. Hij zei er uiteraard niet bij dat hij nog nooit zo lekker in zijn vel had gezeten als nu, want anders zouden ze doorvragen.

Na het middageten nam zijn vader hem apart en fluisterde: hij kende het, de verleiding van een mooi spook, per slot van rekening was pa ook jong geweest en hij moest destijds ook zijn liefdesregen ergens kwijt. Maar, stak zijn vader een vinger in de lucht, de jongen moest er nu mee kappen, nog voordat zijn warmte door het spook werd opgezogen. De jongeman knikte ja maar dacht er het zijne van. Warempel, amper een uur later begon hij als een rietje te rillen. Hij kon niet eens zijn armen optillen. Zijn kracht sijpelde als water tussen zijn vingers. Een dienstmeisje zag het en waarschuwde zijn vader. Gauw nodigde zijn pa een monnik uit om de jongen te redden.

De geestelijke vroeg of het spook een voorwerp achter had gelaten. De jongeman zei nee, maar de monnik zou geen monnik zijn als hij niet door de leugen heen kon prikken. Als hij dat ding niet inleverde, haalde hij de avond niet, althans niet levend, waarschuwde de geestelijke hem. De jongen werd bang en gaf de zakdoek af. De monnik vroeg om een lucifer en brandhout: de zakdoek moest direct worden verbrand. De jongeman viel op zijn knieën: dat was de enige verbinding die zijn geliefde met onze wereld had.

Daarom juist, reageerde de monnik. Als de zakdoek in de as was gelegd, kon het spook niet meer terugkeren. Want dat doekje was zeg maar de landingsbaan van dat enge mens. De jongeman kon zich met geen mogelijkheid voorstellen dat zo’n hemels meisje een aanslag op zijn leven was. Hij smeekte en smeekte de monnik om genade.

Nu was het welletjes, brulde de vader. Hij riep een bediende tot zich en trof voorbereidingen om een vuur te maken. De jongeman werd zo verdrietig dat hij flauw viel. Het gezicht van zijn begeleidster gisternacht naar Boeddha’s jasmijntuin verscheen voor zijn geestesoog. Het speet haar verschrikkelijk, snikte ze, dat ze hem deze last had bezorgd, maar ze hield zielsveel van hem. Of hij haar wat tijd gunde. Ze zou op een andere manier warmte zien te verzamelen. Zodra ze daar klaar mee was, zou ze naar hem toekomen, als een volwaardig mens. Hij sloeg zich op de borst en zijn hart brak in duizend stukjes. Beloofd, zei hij tegen haar, zo lang hij leefde, zou er niets met de zakdoek gebeuren.

Uit alle macht probeerde de jongeman zijn ogen te openen en terug te keren naar zijn volle bewustzijn. Toen hij de duizend stukjes waar zijn hart in veranderd was weer bij elkaar had geraapt, was de zakdoek al opgeslokt door de vlammentong van het vuur. De moeder en de zes zussen van de jongeman kwamen hem met honingzoete woorden tot bedaren brengen. Ze lieten de duurste geisha’s uit de hoofdstad overkomen om met hem de zaak van de regen en wolken te bedrijven, maar hij hoorde alleen de stem van zijn hartendief, die, hoe mooi ze ook was, tot de spoken behoorde. Sindsdien at en dronk hij niet meer. Na een week deed hij wat hij haar beloofd had: hij zou leven en sterven met de zakdoek, in dit geval dat laatste. Op zijn begrafenis sneeuwde het. De vlokken waren niet stervormig, maar vierkant. Net mini zakdoekjes.

Dus, als je om welke reden dan ook niet met je geliefde man/vrouw onder één dak kunt leven, knip de band tussen jullie niet door. Blijf met hem/haar in contact, al wonen jullie apart. Schrijf hem/haar minstens eens per jaar een brief of een e-mail, What’s-Uppen mag uiteraard ook. Wie weet komt er nog een dag dat er een aardverschuiving plaatsvindt en kijk je de volgende ochtend uit het raam. Hé, het huis van je droomman/-vrouw is dankzij dat natuurgeweld op je erf terechtgekomen.

Zelfs als een aardverschuiving eeuwig op zich laat wachten, zo lang je geen einde maakt aan jullie relatie, blijft je hartendeur voor hem of haar open. Hij/zij kan alsnog in het holst van de nacht naar je kamer sluipen en poedelnaakt naast je komen liggen. Als jullie de band wel hebben doorgeknipt, verandert de aard van zijn/haar bezoek. Dan kun je op hem/haar schieten – hij/zij is een inbreker én aanrander.

Ik heb sterk het vermoeden dat er veel spoken in de wereld ronddwarrelen, op zoek naar menselijke warmte. Dankzij hun volharding en hun streven naar een huwelijksverbintenis met een echte mens, is het klimaat veranderd. De aardbol is door hun rotsvaste geloof ontroerd en een paar graden warmer geworden.

© Lulu Wang
Den Haag 18 september 2009.

 
Fotograaf: F. T. Chien.