Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbij gaat, 15, Lulu Wang

Lulu met Sara.

Uit het asiel


Drie weken geleden sneeuwde het. Toen ik met Boemeltje in de Haagse duinen wandelde, pendelde mijn blik tussen het witte pad onder mijn voeten en zwarte sterren in de sneeuw, afgedrukt door de pootstappen van mijn hond. Uit zijn zwaaiende staart maakte ik op dat hij last had van de kou noch de vocht. Integendeel. Zo vroeg in de ochtend met zijn bazin in de ontwakende natuur te wandelen en het fris ruikende, wit bepoederde rijk alleen te hebben. Wat wilde hij nog meer, nietwaar? Ik riep zijn naam en hij draaide zich om. Inderdaad, twee kogelronde, zielsgelukkige maltezerogen, zag ik.

Ik deed het vaak, tijdens onze wandeling zijn naam roepen. Dan prentte ik zijn blijde blik in mijn hoofd en verfoeide de camera. Want als ik een foto van Boemeltje maakte, las ik altijd verdriet in zijn ogen. Wie zei dat de camera niet loog? Die loog terwijl ik erbij stond.

Toen Boemeltje een puppy was, belde een bewoner dichtbij het Kralingse Bos in Rotterdam het dierenasiel op. Hij had sinds een maand een vuilwit hondje zien zwerven. Sommige joggers schopten tegen zijn buik omdat hij blafte en beet. Sommige kinderen trokken aan zijn staart omdat hij achter hen aan zat en om voedsel bedelde. Hoe lang Boemeltje sindsdien in het asiel had gezeten, wist ik niet. In ieder geval, toen ik hem via via adopteerde, was hij al zeven, schatte de dierenarts in.

Hoewel Boemeltje bij mij niets te kort kwam, vooral aan liefde en aandacht niet – ik werkte thuis en was de hele dag binnen zijn blafbereik, scheen hij zijn verre verleden niet te kunnen vergeten, tenminste, als ik de foto’s van zijn trieste blik moest geloven. Enfin, sinds ik de camera voor leugenaar had uitgemaakt, was ik er heilig van overtuigd dat hij een blijde hond was. Daarmee was wat mij betrof de kous af.


Op mijn handpalm


Terwijl ik de zwarte sterren op het besneeuwde pad bekeek, afgedrukt door mijn viervoeter, vroeg ik me af hoe het bestond dat de sneeuw zo snel smolt, want Boemeltje liep op zijn korte pootjes heel hard, anders kon hij mij niet bijbenen. Ik riep weer zijn naam. Braaf kwam hij naast mij zitten. Ik tilde een van zijn voorpoten op. Er kleefden slechts een paar korrels sneeuw aan de haren tussen zijn tenen, in schril contrast met de hoeveelheid sneeuw die hij al rennend weg had laten gaan. Waar was de rest van de sneeuw gebleven? Het kon niet anders zijn dan dat hij door Boemels warme voeten was ontdooid.

Ik benijdde de hond. Bij elke stap kwam de huid van zijn voeten in aanraking met de sneeuw. De huid van de mijne kon dat niet, omdat ik schoenen droeg. Ik bukte en wilde een handvol schone sneeuw scheppen, maar op het laatste nippertje aarzelde ik. Was het niet erg genoeg dat de hondenpoten en mijn schoenen het maagdelijk witte wonder der natuur vervroegd beëindigden? Het stond in de sterren dat de sneeuw pas heen zou gaan als de zon of de warmte hem teveel werd. Waarom moest ik fataal ingrijpen in het sowieso kort beschoren leven van de Haagse sneeuw? Kon ik hem niet met mijn ogen strelen in plaats van met mijn vingers?

Desondanks kon ik de drang niet de baas om alsnog de ongerepte schoonheid in mijn hand te voelen. Tja, de geest is gewillig maar het vlees is zwak. Daar stond ik, in de verstilde duinen omhuld in ochtendschemer, met frêle vlokken op mijn handpalm, die zienderogen slonken, instortten – ik hoorde hen als het ware de laatste zucht slaken – om tot niets meer dan een paar druppels water te degenereren. De verrukking die ik ervoer om de prille pracht vast te houden, verdierf even vlug als die was verschenen.

***

Dierentuin


Vanaf mijn veertiende kreeg ik per maand tien cent zakgeld van mijn moeder. Als ik er een ijsje van groene bonen mee kocht, hield ik twee cent over. Als ik er een ijsje van witte chocolade mee haalde, was ik voor de rest van de maand blut. Uiteraard kocht ik geen van beide en mestte met mijn vaste inkomen het spaarvarkentje vet. Waar legde ik de centen voor opzij? Busritten.

Op mijn veertiende mocht ik van moeder al in mijn eentje met de bus reizen. Vanaf de universiteitscampus waar wij woonden naar de Dierentuin van Beijing kostte het een uur en tien cent. Elke twee maanden ging ik met de bus erheen. Als ik er aankwam, stond ik voor de ingang van de zoo en bewonderde rijen families met kinderen die entreekaarten aanschaften. Dat was dan mijn bezoek aan de dierentuin. Een kaart zou mij namelijk tien cent lichter maken, iets wat zou betekenen dat ik de bus twee maanden niet kon nemen. Mij niet gezien.

Juist, ik hield van in de bus zitten. Door het raam verwonderde ik me over achteruit rijdende huizen, fietsen, auto’s, paarden en wagens en teruglopende voorgangers, lantaarnpalen en bomen. Dan was ik het geluk zelve. De medepassagiers kenden namelijk mij en mijn heropgevoede moeder niet. Ik was in hun ogen net als andere meisjes met politiek correcte ouders. Evenmin stoorden ze zich aan mijn politiek incorrecte uiterlijk. Integendeel. Opa’s en oma’s, ooms en tantes keken mij aan alsof ze respectievelijk ook zo’n kleindochter of dochter wilden hebben.

Andere omgeving


Op een dag ging ik voor de zoveelste keer met de bus naar de dierentuin. Toen ik op het punt stond uit te stappen, tikte een tante op mijn schouder. Nee toch! Mijn roze plastic portemonnee met blauwe vergeet-me-nietjes erop afgebeeld lag in haar hand! Nadat ik een buskaartje had gekocht, had ik de beurs niet diep genoeg in mijn broekzak gestoken en toen ik mijn zitplaats verliet, viel hij uit mijn zak, aldus de tante. Gauw dankte ik haar voor mijn redding. Zonder haar zou ik niet weten hoe ik de rit naar huis moest betalen.

De tante zei hoofd schuddend tegen de oom die naast haar stond – ze hoorden zeker bij elkaar – dat ze het niet achter mij had gezocht. Zo een mooi meisje had alleen maar tien cent in haar beurs, vertelde ze hem en wierp mij een medelijdende blik toe. Dat was de eerste keer dat ik merkte dat, anders dan mijn klasgenoten, grote mensen mijn uiterlijk niet politiek verkeerd vonden. Helemaal niet verkeerd zelfs.

Als ik op straat liep, floten en knipoogden jongens naar mij. Anders dan sommige van mijn klasgenoten, sloegen of zweepten ze mij niet. Sterker nog, aan hun gezichtsuitdrukking te beoordelen, wilden ze alleen maar vriendelijk tegen mij zijn. Meer dan vriendelijk, als ik op mijn gevoel af mocht gaan.

Op de maan


Toen ik vijftien was, vroeg ik moeder om opslag, het liefst met tien cent, nou ja, met vijf cent ook goed. Ze weigerde. Haar excuus luidde, als ik iets echt nodig had, zou ze het voor mij aanschaffen. Met andere woorden, waarom zou een meisje van mijn leeftijd zoveel geld op zak hebben? Een en ander leidde ertoe dat ik alleen maar één keer per vier maanden de bus kon nemen. Ik wilde namelijk verder reizen. Helemaal naar het centrum, waar de Verboden Stad was. De rit daarheen kostte het dubbele van die naar de zoo. Toch had ik het er voor over. Hoe verder ik van mijn vertrouwde omgeving kon, hoe beter. Het liefst zou ik naar de maan willen reizen, waar niemand mij en mijn moeder kende, waar moeders vakkennis en mijn uiterlijk geen politieke lading hadden.

Juist, op mijn vijftiende ving mijn nieuwsgierigheid naar de maan en de sterren aan. Onze onderbuurvrouw gaf colleges in biofysica. Dat wilde zeggen, ze deed het voordat de universiteit de kraan van het onderwijs wegens de ideologische turbulentie dicht had gedraaid. Die tante was getrouwd met een astronoom die heel ver werkte. Elke dag moest hij vier uur fietsen naar en vanaf een sterrenwacht midden in de wildernis buiten Beijing. Logisch. Het observatorium van waaruit hij naar sterren keek kon zich moeilijk bevinden in de drukke stad met oogverblindende straatlichten en oorverdovende verkeersgeluiden, of wel soms? Van die oom leende ik stapels van het populair wetenschappelijk tijdschrift De astronoom en ik verslond ze. Ik zocht erin naar bewijzen dat ET’s op Mars of Jupiter woonden. Ik wou dat ik ook een ET was en daar woonde.

Verre reizen


Het idee dat sommige sterren miljoenen lichtjaren van de aarde waren verwijderd fascineerde mij. Zo raakte ik ook geïnteresseerd in de ruimtevaart. Als ik ermee naar een andere planeet en een ander tijdperk zou reizen, zou ik het stigma kwijtraken wegens mijn uiterlijk en mijn moeder, hoopte ik. Ik vroeg de onderbuurman hoe ik een astronaut kon worden. Hij zei dat ik gespierd, gezond en geleerd moest zijn en dat ik een jongen moest zijn. Misschien jaren later kon een vrouw ook een astronaut worden, maar nu nog niet. Daar ging mijn droom om met de ruimtevaart lichtjaren ver van huis en haard te zijn!

Ik zat niet bij de pakken neer en vroeg moeder hoe ik naar Europa kon reizen. Hoezo opeens? keek ze mij ondervragend aan. Vanwege het schilderij over picknick door die Fransman, wist ze wel? antwoordde ik. Met erop twee warm aangeklede mannen en een nog niet aangeklede vrouw. Ze hadden brood, melk, wijn, boter, vleeswaren en fruit op het grasveld uitgestald die voldoende waren om een weeshuis te voeden. Bovendien, de mannen sloegen de vrouw niet, al droeg ze Eva’s kostuum. Daar in Europa mocht men eruit zien zoals men wilde en er was geen haan die ernaar kraaide, motiveerde ik mijn reis naar Frankrijk.

Lulu, stak moeder een vinger in de lucht, het gezegde luidde, Monniken van een ander klooster zingen Boedhistische liedjes mooier. Het gras is elders groener. Altijd hetzelfde liedje, zuchtte ze. Ik was frêle en bleek en leek dus niet op boeren en arbeiders, die in de turbulente jaren waren uitgeroepen tot aanjagers van de massabewegingen. Mijn uiterlijk was om die reden ‘politiek incorrect’, legde ze mij uit. In Europa was het niet anders, maakte ze mij wijs. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren blauwe ogen en blond haar politiek correct. Een Joods uiterlijk was reden genoeg om iemand te vergassen. Alles was een tijdsverschijnsel, aldus moeder, en ging vroeg of laat voorbij. In het Paviljoen van pioenrozen en andere klassieke Chinese romans stonden een fragiel figuur en een bleke huid te boek als schoonheidsidealen, zei moeder. Ik liet mijn hoofd sneu hangen. Daar ging mijn droom van een Europareis!

Weervrouw


Wacht, dacht ik bij mezelf, moeder kon, door de geschiedenisboeken die ze had gelezen, gelijk hebben over het buitenland maar niet over buitenaardse wezens. Daar wist ze nog minder van af dan ik. Ze las niet eens het blad Astronoom, laat staan andere boeken op dat vakgebied. Ik besloot door te gaan met het vergaren van kennis over astronomie. Het ging zo ver dat ik de bus nam om boekhandels in de stadskern te bezoeken. Toen viel het mij op dat niet alleen mijn moeder en mijn uiterlijk politiek waren geladen maar ook vakliteratuur over de maan en de sterren. Men kon de vindbare titels erover op één hand tellen. De rest van de publicaties waren verbrand of lagen in de schuur stof te vangen omdat hun inhoud niet bij de tijdgeest paste.

Geen man overboord, zei ik tegen mezelf. Ik kon weliswaar weinig over de maan en de sterren lezen, maar er waren nog regenboog en wolken, toch? Zo ging ik me in meteorologie verdiepen. De weersvoorspelling was van alle tijden. Immers, ook in de turbulente jaren moest men eten. Hoe konden boeren granen verbouwen zonder te weten wanneer de zon scheen en wanneer het regende? En wanneer er gezaaid moest worden en wanneer geoogst?

Om naar boekhandels in het centrum te gaan moest ik twee keer overstappen. Het laatste stukje naar de binnenstad was een crime. De bus barstte zowat uit zijn voegen omdat iedereen die kant op scheen te willen. Het grapje ging dat wij als mensen de bus instapten en zo plat als kleurenfoto’s de bus uitrolden. Veel scheelde het in de werkelijkheid niet.

Een keer kreeg ik van moeder voor het ontbijt een gekookt ei. Ik had het niet opgegeten doch bewaard voor de rit naar de stad, als een soort snoep. Ik wilde namelijk geen cent besteden aan een lolly of een koekje, terwijl ze daar in het centrum in groten getale naar mij lagen te lonken, vanuit etalages waar de winkelstraten van wemelden. Toen ik echter uit de bus stapte, tastte ik in mijn broekzak. Joh, het gekookt ei was een omelet geworden! Noem de bus gerust een strijkbout, eerlijk waar.

Kaart kopen


Op een dag zweefde ik in de bus naar het centrum, met mijn voeten grosso modo tien centimeter boven de vloer bungelend. Ik had geduwd en getrokken en er alles aan gedaan om met beide benen op de grond te staan, maar muurvast geklemd tussen een busvol ooms en tantes die ook tegen wil en dank met de rijdende bus meedeinden, lukte het mij niet. Wijselijk gaf ik de vruchteloze pogingen op. Als het voertuig plotseling remde, kon ik niet op mijn gezicht of achterwerk vallen, hoogstens op de rug of de buik van een van de ooms en tantes die mij het overeind blijven onmogelijk maakten. Ik kon dus rekenen op een zachte landing. Een geruststellend vooruitzicht, vond ik.

Naarmate ik dichterbij mijn bestemming kwam, begon ik me zorgen te maken. Ik zweefde midden in de bus, maar de conducteur zat helemaal vooraan, naast de busdeur. Hoe moest ik een spleet in de mensenmuren zien te bewerkstelligen om een kaartje bij hem te kopen? Als ik voor een zwartrijder zou worden aangezien en vervolgens bij de lurven gepakt, zou moeder mij niet meer toestaan om alleen de bus te nemen. Ik smeekte de ooms en tantes rondom mij een stapje op te schuiven, maar ze wierpen mij een vernietigende blik toe met als onderliggende tekst: zag ik niet hoe ze erbij stonden? Als kleurenfoto’s op elkaar geplakt? Hoe haalde ik het in mijn hoofd om me naar de voordeur te manoeuvreren?

Ik zag het al voor me, door zowel de conducteur als medepassagiers aangeklaagd worden voor het niet kopen van een kaart en de schuld aan de overvolle bus geven. Ik verhief mijn stem, meneer de conducteur, eentje naar de Wangfustraat alstublieft! Hier is een briefje van tien cent! Een eeuwigheid ging voorbij – naar mijn gevoel dan – en nog hoorde ik hem niet reageren. Ik keek naar de mensenhaag en begreep het al. Hij kon mij horen maar niet zien, omdat ik klein was en die lui om mij heen waren groot. Een oom naast mij stak zijn hand uit en toonde zich bereid het geld aan de conducteur door te geven. Ik had niet één dank-u-wel tegen hem gezegd, maar een stuk of tien, totdat een tante die naast hem stond mij een mondsnoerende blik toewierp. Wat een kleine grote aansteller! hoorde ik haar denken.

Wisselgeld

Gelukkig wilde praktisch iedereen bij de halte Wangfustraat uitstappen. Ik was als een drol uit de bus geperst. Toen ik op het trottoir belandde, kroop ik op vier ledematen pijlsnel uit de menigte die ook struikelend wegsnelde. Pijlsnel omdat ik reeds een schoenzool op mijn rug had gevoeld. De persoon in kwestie bedoelde geen kwaad, daar was ik van overtuigd. Maar het nam niet weg dat hij op mij had gelopen. Vandaar dat ik als een haas de mensenmassa wilde verlaten en uitwijken naar een minder drukke plek.

De passagier daar! Hier is je wisselgeld! Ik hoorde de conducteur tegen iemand zeggen die blijkbaar zijn kleingeld nog niet had gekregen. Gelukkig had ik gepast betaald, dacht ik bij mezelf, anders moest ik ook een weg door de mensenzee zien te banen om een paar centen in ontvangst te nemen. Het meisje met de twee vlechten daar, je wisselgeld! herhaalde de conducteur.

Iemand stootte tegen mijn elleboog. Ik keek opzij, hé, was het niet de tante die me daarnet de mond had gesnoerd? Was ik soms doof? snauwde ze naar mij. De conducteur kreeg een schorre stem van het schreeuwen. Ik keek op, naar het raampje naast de voordeur van de bus. Waarachtig, de conducteur staarde mij zonder met zijn ogen te knipperen aan. Spring omhoog en vang je wisselgeld op! beval hij mij. Ik stond versteend op het trottoir. Nog nooit had ik een persoon zonder blikken of blozen zien liegen, terwijl iedereen naar ons stond te staren! Ik wilde hem net uitleggen dat hij zich had vergist of hij begon tegen mij te knipogen.

De bus trok brommend op. Ik rende achter de bus aan en probeerde het briefje van tien cent aan hem terug te geven, maar hij bleef zijn hoofd schudden alsof hij tegen mij wilde zeggen, neem het toch van mij aan, dommie! Ineens viel het kwartje. Ik holde nog harder achter de bus aan en trachtte zijn gezicht duidelijker te zien. Het ging niet, want de bus loste als rook in de verte op. Aan de contouren van zijn gezicht dat ik slechts vaag had gezien merkte ik dat hij jonger moest zijn dan de meeste conducteurs die ik tegenkwam, begin twintig, niet ouder.

In een mum van tijd


Ik dwaalde door de Wangfustraat. Lollies en koekjes lonkten niet meer naar mij. Boeken over meteorologie evenmin. Het enige waar ik aan dacht was de blik van die jonge meneer. Voor het eerst in mijn leven ontmoette ik een man die mij zo aankeek. Ik voelde aan mijn water dat hij mij leuk vond. Dit liet hij mij op een vreemde manier weten. Nou ja, vreemd. Had hij een andere keuze? Daar bij de bushalte, voor de ogen van tientallen zo niet een honderdtal uitstappende passagiers kon hij moeilijk openlijk toegeven dat hij iets voor mij voelde, nietwaar? Wat had een conducteur te zoeken bij een klant die netjes had betaald? Door te doen alsof hij wisselgeld aan haar terug moest geven. Al duurde ons oogcontact alleen maar een fractie van een seconde, ik wist wat hij bedoelde. Naar de manier waarop hij tegen mij knikte te beoordelen, wist hij dat ik het wist.

De hele Wangfustraat van bijna twee kilometer had ik uitgelopen, zonder links en rechts naar snoepgoed of boeken om te kijken, met enkel en alleen de ogen van die jonge conducteur in mijn achterhoofd. Normaliter raakte ik uitgeput als ik de helft van de afstand had afgelegd, vooral in het centrum met een drukte van jewelste. Op die dag voelde ik echter geen vermoeidheid, honger of dorst. Wederom voor het eerst in mijn leven ondervond ik aan den lijve wat een roes was. Daar verkeerde ik in, tot dagen, nee, tot weken daarna.

Bootje op zee


Meermalen, vooral in het holst van de nacht, haalde ik de blik van die jonge meneer uit mijn herinneringen tevoorschijn en ik werd subiet een bootje op een stormachtige zee, geslingerd tussen hemelomhelzende golven van gelukzaligheid en droefenis. Droefenis die gek genoeg weinig verschilde van gelukzaligheid. Beiden waren zoet. Zo zoet dat ik gedurende een paar weken niets anders proefde, of ik een flauw smakend gestoomd broodje at of vlijmscherpe sambal. Beide waren tegelijkertijd bitter. Zo bitter dat ik blijkbaar zwaar moest boeten voor dit ongekende geluk.

Ik deed mijn best om in de schoenen van die jonge conducteur te staan, maar het lukte van geen kant. Steeds stelde ik mezelf de vraag, waarom toonde hij zijn affectie voor mij terwijl hij mij direct daarop liet gaan, zonder mij zijn naam en contactgegevens te vertellen? Er reden dagelijks honderden bussen naar en vanaf het centrum. Ik kreeg van moeder maar dertig cent per seizoen en kon slechts drie keer per jaar naar de stad. Hoe kon ik alle bussen nemen om te achterhalen in welke hij werkte?

Reflex


In de jaren die erop volgden, vooral sinds ik de huwbare leeftijd bereikte, had ik velerlei ontmoetingen gekend. Sommigen lang en anderen kort. Maar geen enkele duurde zo kort als die met die jonge conducteur. Ik had ook velerlei liefdesrelaties gekend. Maar geen enkele minnaar had mijn hart zo lang in zijn greep gehouden als die jonge meneer. Nou, jong, hij moest inmiddels grijze haren hebben gekregen, als hij nog leefde, aangezien wij elkaar haast een halve eeuw geleden tegen het lijf liepen. Veel dingen konden ondertussen zijn gebeurd, incluis de dood die ons zou kunnen scheiden. Eén ding, echter, bleef.

Als hartzeer mij voor de zoveelste keer ten deel viel en ik zag het niet meer zitten, dook steevast de blik van die jonge conducteur voor mijn geestesoog op. Een reflex die niet anders uitgelegd kon worden dan als een teken van mijn verbondenheid met die conducteur en de zijne met mij. Dan voelde ik weer de gelukzalige droefenis van toen, die met jaren zijn bitterheid had verloren en zoeter dan zoet was geworden.

***

Sneeuw in hand


Drie weken geleden, toen ik met Boemeltje in de wit bepoederde Haagse duinen wandelde en frêle sneeuwvlokken op mijn handpalm zag smelten, dacht ik opeens aan die inmiddels niet meer jonge conducteur. Ik nam hem niet meer kwalijk dat hij mij verliet direct nadat hij mij het eerste en derhalve het meest onvergetelijke moment van mijn liefdesbestaan had bezorgd.

Net als ik, die de drang niet te baas kon om het maagdelijk witte wonder der natuur in mijn hand te voelen, kon die conducteur het onmogelijk laten om al was het maar één woord met mij te wisselen, alhoewel hij er zich van bewust was dat wij elkaar waarschijnlijk nooit meer zouden weerzien en dat wij vrijwel geen kans maakten om een relatie met elkaar op te bouwen.

Ik was als het ware de sneeuwvlokken die op de handpalm van de conducteur zienderogen slonken, instortten om tot niets anders dan een paar druppels water te degeneren. Desondanks vond hij het de moeite waard om mij vast te houden en mij ogenblikkelijk weer vaarwel te zeggen. Desondanks, achteraf bekeken, vond ik het de moeite waard om voor een fractie van een seconde de warmte van zijn hand te voelen en meteen in het niets op te lossen. Als ik toch moest smelten, deed ik het graag op zijn handpalm.

Momentum


Het feit dat ik na al de jaren en na al de relaties nog steeds troost in zijn blik vond, liet mij beseffen dat de eeuwigheid niet zozeer in de lengte der dagen of lichamelijkheid verankerd lag, maar in een oogopslag. In een flits die intens genoeg was om het geluk van een mensenleven in zich te dragen.

Hier in de sneeuwwitte duinen langs de Haagse kust tilde ik Boemeltje op en fluisterde in zijn flapoor. Wees blij, mijn liefje, dat je door je eerste baas in de steek was gelaten. Hoe zou je anders mijn onverdeelde affectie en aandacht kunnen opeisen, iets waar je als puppy in het Kralingse Bos tevergeefs naar had gesnakt?

Hoe zou ik me zonder het gemis van die conducteur anders kunnen realiseren dat de eeuwigheid van het gelukzalige moment ook in het feit lag dat het telkens terugkeerde, net als de sneeuw in Zuid-Holland? Zodra het winter werd en de kou en duisternis mij teveel werden en de warmte en het zonlicht mij te schaars, dacht ik aan die busrit toen ik vijftien was.

 

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

 

Op hoop van zon en al het moois dat nooit voorbij gaat, 14, Lulu Wang

Lulu en haar vrienden wensen iedereen het allerbeste toe in dit gloednieuwe jaar!

Sneeuw

Een week geleden sneeuwde het. Toen ik mijn ochtendwandeling in de Haagse duinen maakte, figureerde ik als het ware in een zwart-witfilm die ook nog een stomme was. Behalve de grijze hemel en de boomstammen die zo donkerbruin waren dat ze zwart leken, was alles wit. Behalve de golven die in de verte gonsden, was het ongewoon stil. Raven vlogen van tak tot tak, maar ik hoorde ze niet kraaien, zelfs één keertje niet; waar ik liep, verbrijzelden mijn schoenen de harde korst van de zachte sneeuw, maar ik hoorde de korst niet kraken, zelfs zachtjes niet; een wervelwind deed de sneeuw oplaaien en liet zodoende brede, witte vegen in het grijze luchtruim achter, maar ik hoor de wind niet gieren, zelfs met mijn oren gespitst niet.

De poreuze sneeuw nam alle geluiden op en bewaarde ze in zijn cellen. Als ik er een microfoontje in zou steken en het aan luidsprekers zou koppelen, zou ik alle geluiden terug kunnen horen. Het kraaien van de raven, het verbrijzelen van de ijskorst en het gieren van de wind.

Spreuk

Een dag later trok ik sneeuwlaarzen aan. Zo hoefden mijn joggingschoenen niet meer nat te worden, anders zouden mijn voeten weer een uur lang in ijskoud water zwemmen. Een voorzorgsmaatregel die overbodig bleek te zijn. Het was gedaan met de zwart-witfilm. De film met alles erop en eraan was hervat, met kleuren, klanken en al.

Ik had goed opgelet. De dag daarvoor was er geen straaltje zon te bekennen. De uitdrukking als sneeuw voor de zon verdwijnen klopte niet helemaal. Wat wel zo was dat het de dag daarvoor minder koud was. Moest de uitdrukking niet luiden als sneeuw voor de zon of de warmte verdwijnen? Daarmee was nog niet alles gezegd. De grond onder mijn voeten veerde een beetje, vanwege het water dat hem deed uitdijen. Juist, de sneeuw was niet verdwenen maar van vaste tot vloeibare stof overgegaan. Moest de uitdrukking niet luiden als sneeuw voor de zon of warmte in iets anders veranderen? Of de zegswijze er mooier op werd, was een tweede, toegegeven.

Moeder Natuur tovert zo snel met sneeuwen en smelten dat wij haast niets van de overgang van de ene vaste tot de andere vloeibare stof merken. Zouden wij daarom menen dat de sneeuw kan verdwijnen?

Het Leven is ook een tovenaar. Het laat liefde en haat zo geruisloos in elkaar overvloeien dat wij menen dat ze twee gescheiden zaken zijn, terwijl ze uit hetzelfde H2O bestaan. Zo kan haat bevroren liefde zijn en liefde ontdooide haat. De zon of de warmte die de haat doet smelten kan tederheid of gewoon het verstrekken van de tijd zijn, hun combinatie is ook een optie.

***

Klas

Toen ik vijftien was, hoefde ik alleen maar uit te kijken voor kwajongens als ik op straat liep. Toen ik zestien was, zat ik in een klas met een flink aantal kwajongens. Elke minuut van mijn schoolleven was ik dus blootgesteld aan hun pesterij. Lan was ingedeeld in een andere klas, waar kwajongens niet de boventoon voerden. Ik had de meester een paar keer gevraagd of hij mij alstublieft naar Lans klas over zou plaatsen. Telkens kreeg ik te horen dat het niet goed voor mij zou zijn. Had hij geen betere smoes kunnen verzinnen? Maar zijn woord was wet.

Tijdens de les ging het nog wel, maar zodra de bel voor de pauze ging, brak de hel los. Meisjes giechelden en kwajongens brulden van het lachen als ze mij van de zitplaats zagen opstaan. Dan rende ik naar Lan, die in het lokaal naast het mijne zat. Gauw draaide ik me om en liet haar mijn rug controleren. Ervaring leerde mij dat een van de pestkoppen die achter mij zat tijdens de les stiekem een of andere streek had uitgehaald. Bijvoorbeeld, hij had zijn vulpen heen en weer geschud, waardoor de achterkant van mijn jas inktvlekken had gekregen. De ene dag waren het zwarte vlekken en de andere dag blauwe. Variatie moest er zijn, anders zouden mijn overige klasgenoten het niet meer lollig vinden. Of iemand had een papiertje op mijn rug geplakt, waar vuilbekkerij op stond, niet zelden met taalfouten erin.

Schoolbord

Ook voordat de schooldag begon, waren mijn zenuwen strak gespannen. Ik zorgde ervoor elke ochtend als eerste het leslokaal te bereiken. Dan controleerde ik het schoolbord. De kans bestond dat daar ook obsceniteiten over mij op stonden. Bij voorbeeld, ‘Lulu is een vuile hoer’. Werkelijk, ik wist niet eens waar een baby vandaan kwam! In die turbulente jaren was schoonheid naast politiek incorrect – die zou de strijdlust van het volk de wind uit de zeilen nemen – ook hoerig. In Frankrijk gold het Les belles femmes sont infidèles, in China was het destijds een graadje of tien erger.

Als ik dergelijke scheldwoorden op het bord aantrof, veegde ik ze haastje-repje weg. Daarna ging ik braaf op mijn plaats zitten en wachtte tot de klas volliep. Ik durfde geen vin te roeren, want de reacties van de kwajongens waren zo onvoorspelbaar als aardbevingen in Japan. Iedere kleine beweging kon hen aanzetten om mij te bespugen of de vuilnisbak over mij te legen.

Een stap verder

Op zich was het voor mij vol te houden, temeer omdat ik had leren berusten in mijn lot. Het probleem was alleen dat de kwajongens dit langzamerhand in de gaten kregen. De streken die ze dan bedachten werden hoe langer hoe wreder.

Op een dag haalde een kwajongen in de pauze iets bruins en wiebeligs uit zijn schooltas en zwaaide er voor mijn gezicht mee. Ik sloot mijn ogen en hoopte dat hij er zoetjes aan genoeg van zou krijgen en ermee op zou houden. Opeens voelden mijn wangen iets kouds, stijfs en wolligs en ik opende onmiddelijk mijn ogen. Een dode muis! Ik ging zowat van mijn stokje, maar ik durfde het niet uit te gillen. Ik was geboren met een politiek incorrect uiterlijk en mijn moeder was een heropgevoede intellectueel. Een erfzonde waar ik voor moest boeten.

Hoe gek het ook klonk, ik haatte de pestkoppen niet. Ik gaf hen niet eens de schuld. Zij hielpen mij mijn zonde af te kopen. Wat had ik nog te klagen? Tot op een dag iets in mij knakte.

Zonder pardon

De bel voor de pauze ging. Snel rende ik het leslokaal uit, op zoek naar Lan in de kamer naast de mijne, zodat ze de achterkant van mijn jas kon bekijken. Ineens hoorde ik een snerpend geluid. Direct daarop sneed iets in mijn rug. Ik draaide mij om en zag een kwajongen met een grijns op zijn gezicht voorzien van een loopneus. Ik keek omhoog en goede genade! Hij hield een leren zweep in de hand en genoot van het juichen om hem heen. Jongens klapten in de handen en meisjes bedekten met de hand hun mond, grosso modo half uit afgrijzen en half uit leedvermaak, maar als het een kwart uit afgrijzen en driekwart uit leedvermaak was, zou het me evenmin verbazen. Nu krijg wat je wat je toekomt! zeiden hun blikken tegen mij.

De pestkop nam een stap terug, boog zijn benen en zwaaide nog harder met de zweep. Alles wees erop dat hij zich klaarmaakte om mij weer te slaan. Ditmaal op mijn gezicht. De omstanders applaudisseerden nog hartstochtelijker. Ik wilde vluchten, maar mijn onderstel was loodzwaar geworden. Ten einde raad smeekte ik hem met mijn ogen om genade. Toen hij mijn blik ontmoette, trilde zijn arm even. Hij begon te aarzelen, maar toen hij de klasgenoten om hem heen hoorde, knarste hij zijn tanden en opeens, voelde ik als het ware een mes in mijn gezicht.

Lan

Gauw beschermde ik met beide armen mijn hoofd en barstte in huilen uit, voor het eerst in de aanwezigheid van een pestkop en zijn bewonderaars. Het kon mij niets meer schelen of hij mij door het vertoon van verdriet en verontwaardiging nog erger zou straffen. Het kon mij zelfs niet meer schelen of ik zou sterven aan een brandende pijn, die als een lopend vuur van mijn gezicht naar de rest van mijn lichaam reisde, vooral naar mijn brein. Ik was dit leven moe.

Terwijl mijn klasgenoten dubbel lagen van het lachen, sleepte ik mezelf op loodzware benen naar het damestoilet. Ik liet mijn vingers voorzichtig over mijn gezicht gaan en voelde een richel rijzen, die met de minuut hoger, dikker en langer werd. Toen mijn tranen er overheen rolden, veranderde de brandende pijn in een prikkende. Ik keek in de spiegel boven een wastafel en werd de wanhoop zelve. Al vond ik mijn uiterlijk een vloek, ik vreesde met grote vreze dat ik van de bloedstrepen littekens over zou houden. Ik zakte op mijn knieën en bad tot Boeddha om redding.

Lan stormde het toilet binnen. Zo te zien had het nieuws over de ‘heldendaad’ van de kwajongen haar klas bereikt. Ze zag mij en barstte ook in snikken uit. Ik krabbelde gauw van de grond op. Niets aan de hand, ging ik haar troosten. Ik zou snel beter worden. Bovendien, probeerde ik haar en vooral mezelf te overtuigen, deze keer zou de meester mij eindelijk naar jouw klas overplaatsen. Reken er maar op!

Van de meester moest ik als een haas naar de dokter. Daarna mocht ik de lessen overslaan en direct naar huis. Rust maar goed uit, drukte hij mij op het hart. Lan was niet gezweept en mocht van haar meester mij niet vergezellen naar het ziekenhuis. Ik kreeg van de arts een reprimande dat ik voortaan uit moest kijken als ik onder een boom liep en een zalfje, dat net als mijn tranen, prikte.

Toen moeder van haar faculteit thuiskwam en mijn verse wond zag, legde ik haar uit dat een dikke boomtak op mijn hoofd was gevallen. Moeder lag te pas en te onpas onder vuur, vanwege haar kennis en wetenschap, die wederom politiek incorrect waren. Ik wilde haar niet nog meer belasten met zorgen over mij. Daarom zweeg ik categorisch over wat er op school dagelijks met mij gebeurde, de ene keer verdraaglijker dan de andere keer.

Bureaugenoot

De dag daarna ging ik fluitend naar school. Met witte zalf op mijn gezicht, dat grotendeels bedekt lag onder een sjaal om mijn hoofd. Ik was er heilig van overtuigd dat de meester tegen mij zou zeggen, Lulu, ga naar het leslokaal hiernaast. Daar zit je veilig. Inderdaad, het eerste wat de leraar deed toen hij de kamer binnentrad was mij apart nemen. Mijn hart sloeg een slag over en ik vergat al mijn pijn en droefenis. Lulu, zei hij tegen mij, vanaf vandaag zit Sheng naast je.

Ik zag zwart voor ogen. Daar ging mijn laatste straaltje valse hoop. Sheng was degene die mij de dag daarvoor met een zweep bewerkte, die vroeger met een dode muis voor mijn ogen zwaaide en die de vuilnisbak over mij heen kieperde. Vond de meester soms dat ik nog niet voldoende was toegetakeld? Of was hij ook een pestkop, maar dan in grote-mensenformaat? Ik durfde geen nee tegen hem te zeggen en knikte mijn hoofd. Per slot van rekening was hij de enige in de klas die, als het water mij tot de lippen kwam, het min of meer voor mij opnam. Als hij mijn ongenoegen over zijn besluit zou merken, zou hij mij voortaan als een baksteen laten vallen, was mijn vermoeden.

Ik hield mijn lippen strak en mijn adem oppervlakkig toen Sheng triomfantelijk naast mij plaats kwam nemen. De hele les zat ik zo, net een blok hout. Van wat de leraar Chinese grammatica en literatuur vertelde had ik geen woord verstaan. De hele tijd dacht ik aan één ding. Sheng was geen kwajongen of pestkop meer, maar een wreedaard. Voor het eerst in mijn leven haatte ik een klasgenoot, die vanaf nu mijn bureaugenoot was.

Grens

Ik piekerde en piekerde, als een rat in een tredmolen, maar ik kwam er niet uit. Wat bezielde Sheng toch? Voelde hij zich zo geroepen om mij vanwege mijn politiek incorrecte gezicht en moeder te tuchtigen? Hij nam niet eens de moeite om de twee rijen snot van zijn smoel te vegen noch zijn jas te wassen die zo stijf als een harnas was vanwege etensresten en overig vuil gebonden door zijn zweet, maar hij bespaarde tijd noch moeite om mij tot de rand van de afgrond te drijven.

Du moment dat ik de dag daarvoor en plein public in snikken uitbarstte kwam in mij een omslag. Nu Sheng zelfs mijn gezicht durfde open te krassen, had ik niets meer te verliezen. Of ik huilde of niet, of ik gilde of niet, of ik mijn droefenis en boosheid liet zien of niet, mij afranselen deden Sheng en de zijnen toch, dat gespuis in spe.

In de pauze ging ik naar het schoolbord en leende een stuk krijt van de meester. Daarmee trok ik een witte vertikale streep op het bureau dat Sheng en ik deelden. De linkerhelft was van hem en de rechterhelft van mij. Als hij het in zijn kop haalde om met zijn voorpoot de grens over te steken, zou ik als een speenvarken krijsen, was ik voornemens. Naar medelijden van mijn klasgenoten en genade van Sheng kon ik fluiten. Dus waarom zou ik het verdriet en de pijn voor mezelf houden? Die zou ik moord en brand schreeuwend evenredig over de klas verdelen.

Voortzetten

Al stond Sheng bekend als huiswerk-weigeraar – hij begreep niets van alle vakken behalve gymnastiek, met name het onderdeel granaatwerpen – hij was niet van gisteren. Nu hij van mij niet met zijn hand over de grens mocht, kwam hij met een alternatief. Terwijl de leraar Engels de verbuiging van ongewone werkwoorden zoals ‘read’ en ‘set’ uitlegde, stootte hij met zijn elleboog tegen de mijne. Ik kon hem niet openlijk halt toeroepen, anders zou ik de les verstoren. Daarom schoof ik mijn stoel steeds verder van hem vandaan, totdat ik bijna midden op het gangpad tussen onze rij tafels en die naast ons zat.

In de pauze ging ik weer naar het schoolbord voor een stuk krijt. Ik trok een witte lijn ook op de vloer onder onze stoelen. Beschikte ik over bakstenen, dan had ik een Grote Muur tussen ons gemetseld. Sheng zag mij als een bezetene bezig en grijnsde. Hij wiebelde met zijn benen en humde een liedje. Hij zong zo vals dat ik spijt kreeg dat ik oren had.

Onze stille strijd duurde voort. Dagen en weken gingen voorbij en nog lukte het Sheng om nieuwe trucjes uit te vinden opdat hij de grens ‘terecht’ kon negeren. Zo leunde hij tijdens de les met zijn hoofd op mijn schouder, nadat ik hem te kennen had gegeven dat hij zijn elleboog thuis moest houden. Of krabbelde hij een vies Engels woord – fout gespeld, vermeld ik ten overvloede – op mijn notitieblok, nadat ik zijn vingers ervan weg had geduwd.

Extra les

Moeder had er druk mee. Maandag bracht ze mij naar oom Liu, die mij vioolles gaf. Dinsdag ging ze met mij mee naar tante Shen, die mij extra les in Engels gaf. Slechts woensdag had ze vrij, want oom Zhang die mij leerde dichten woonde in hetzelfde flatgebouw als wij, alleen een verdieping hoger. Ik ging daar zelf wel heen. Donderdag zat moeder met mij bij oom Zhao, die mij een extra portie aardrijkskunde voorschotelde. Vrijdag gaf ze mij zelf les, in Europese geschiedenis, een vak dat op school was afgeschaft. De leerboeken ervan waren namelijk verouderd, nog niet herschreven volgens het nieuwe gedachtegoed van het turbulente tijdperk waarin wij leefden.

Deze ooms en tantes waren moeders collega’s op de universiteit. Ze schaamden zich niet voor elkaar. Ze waren allen heropgevoed. De ene in een lichting eerder en de andere in een lichting later. Wie moest op wie neerkijken, nietwaar? Integendeel. Ze hielpen elkaars kinderen, in de hoop dat wanneer de turbulentie erop zat, hun tweede generatie met de kennis en wetenschappen die ze privé hadden verworven een streep op andere kinderen voor hadden en dus een betere toekomst. Ze konden wel eens gelijk hebben, moest ik toegeven. Op school leerden wij eerder politiek correcte slogans te lezen, schrijven en uit te roepen dan wat anders. Zaterdag werd ik evenmin met rust gelaten. Ik moest thuis kalligrafie oefenen.

Fransman

Alleen zondag mocht ik buiten spelen. Moeder maakte boterhammen klaar. Deze namen wij in een mand mee om ze op te eten onder de stokoude dennenbomen van een klooster niet ver van ons vandaan. Picknicken, heette het, romantisch, volgens haar. Ik vond er niets aan, maar ze liet mij een lijvig boek zien, waar een schilderij door een Fransman in stond. Hun picknick zag er inderdaad sprookjesachtig uit. Alleen waren de heren al warm aangekleed en de dames nog niet aangekleed.

Het punt was alleen dat moeder en ik onder bomen zaten die behangen waren met strijdvaardige slogans zoals ‘Sla de hondenhersenen in van revisionisten die en die’. De ramen en deuren van het klooster waren door politiek correctelingen dichtgetimmerd. De monniken waren naar wist ik waar verdreven. De boterhammen die wij naar binnen werkten waren belegd met slechts een stukje gepekelde koolrabi. Geen kruimel romantiek te proeven, als het aan mij lag.

Nou ja, op zondag hoefde ik niet naar ooms en tantes noch feitelijkheden in mijn hoofd te stampen. Dat was wel leuk. Ik maakte nog meer leuke dingen mee, daar onder de oude bomen in het stilgelegde klooster. Moeder vertelde mij dingen die niet in mijn schoolboeken stonden. Zo zei ze tegen mij dat ik niet raar op moest kijken van de turbulentie die er heerste. Ook Europa met zijn mooie schilderijen kreeg er om de zoveel tijd mee aan de stok. Zo had die binnen een halve eeuw twee stuks turbulentie achter elkaar gehad, waar ook de rest van de wereld in was gerold. Vandaar de naam ‘wereldoorlog’. Op deze manier leerden volwassenen van hun fouten en de vrede op waarde te schatten, net als kinderen die door vallen en opstaan leerden lopen. Moeder had het ook over de Tachtigjarige Oorlog. Toen ik dat voor het eerst hoorde, snapte ik het niet. Hoe konden landen vijandigheid jegens elkaar acht decennia lang warm houden?

Ontdekken

Weken later, dankzij mijn onvermoeibare stille strijd met Shen, kreeg ik daar begrip voor. Want alles wende, ook rancune. Ik raakte er zo gewend aan dat het mijn tweede natuur werd. Als Sheng zong, vond ik hem vals zingen. Als hij lachte, vond ik hem grijnzen. Als hij zijn hand optilde, bedekte ik mijn hoofd. Als hij in de pauze van zijn stoel opstond, rende ik voor mijn leven. Als hij iets uit zijn tas haalde, sloot ik mijn ogen – hij wilde mij zeker weer met een dode muis de stuipen op het lijf jagen. Door het automatisme hoefde ik niet meer na te denken, wel een opluchting.

Dankzij die gewenning ontspanden mijn zenuwen zich trapsgewijs. Ik kon erdoor weer normaal zien en horen. Het viel mij op dat Sheng naar school kwam enkel en alleen voor de pauzes. Tijdens de les trok hij aan de losse draadjes van de mouwen van zijn versleten trui, waardoor zijn mouwen zienderogen korter werden. Of rolde hij zijn leren zweep op en uit. Hij herhaalde de handeling totdat hij er moe van werd. Dan vouwde hij zijn armen op, legde ze op zijn deel van de tafel, verborg er zijn hoofd in en snurkte, net een volgevreten varken dat lag uit te buiken. Had hij soms de klok ingeslikt? Want vlak voor de bel voor de pauze werd hij steevast vanzelf wakker. Dan droogde hij de kwijl op zijn mondhoeken af, streek zijn trui vol gaten glad en draaide met zijn nek. Zodoende schudde hij zijn spieren los en bereidde zich voor om zijn titel ‘vechtersbaas van de klas’ voor de zoveelste keer te verdedigen.

Twee jongens in de clinch

Op een dag hoorde ik in de pauze Sheng met een andere kwajongen ruzie maken. Ze hadden nauwelijks twee scheldwoorden met elkaar uitgewisseld of ze gingen op de vuist. Toen de andere jongen het onderspit dreigde te delven, pakte hij een los draadje van Shengs trui beet en trok ermee de gang in, het leslokaal uit en het schoolplein op. Sheng volgde hem op de voet. Hij moest wel, want hij had de trui nog aan. Onderweg maakte hij luidkeels de hele familie en aangetrouwde van de andere jongen uit – afhankelijk van hun geslacht – voor hoeren of hoerenlopers.

Totdat Sheng door de bel was gered. Hoe graag ze de strijd ook tot het bittere einde wilden voeren, als ze niet op tijd naar het leslokaal terug zouden keren, zou de meester hun ouders op het matje roepen. Dan was ons onderwijsgebouw te klein. Ik had een keertje Sheng door zijn vader zien tuchten. Alle hoeken van het gebouw had Sheng gezien, met een bloedneus plus een bultenhoofd. Zo hardvochtig als hij was, in de vuistenregen van zijn vader kon hij zijn tranen niet binnenboord houden.

Vastknopen

Tijdens de les die erop volgde scheurde ik een blaadje van mijn notitieblok af. Daarop schreef ik, ‘Ik weet hoe de losse draden vastgeknoopt kunnen worden’. Dit papiertje schoof ik over de grens naar Shengs deel van de tafel. Geen idee wat mij bezielde, maar ik kon niet aanzien dat hij tijdens de volgende pauze weer vanwege zijn trui zou worden gepest. Ik vond die andere jongen laf. In plaats van een eerlijke krachtmeting aan te gaan, maakte hij misbruik van Shengs armoede. Die geniepigerd. Sheng kennende zou hij, zodra de bel ging, op de andere jongen afstormen. Het zou een barbaarse wraakactie worden. Zonder meer. Om dit te voorkomen was ik bereid om voor het eerst in mijn schoolleven iets te doen wat niet mocht.

Sheng had de zin op mijn briefje zeker tien keer herlezen. Toch wilde hij niet geloven wat ik hem had aangeboden. Tijd verstreek. Er was maar een kwartier over voordat de pauze begon. Ten einde raad nam ik een pen en stootte er zijn rechterarm mee. Toen pas viel bij hem het kwartje. Hij reikte mij eerst zijn rechtermouw aan, onder de tafel, wel te verstaan. Ik keek straal vooruit, alsof ik naar de leraar zat te luisteren, maar ondertussen knoopte ik, eveneens onder de tafel, op het gevoel af de draden aan elkaar. Toen het was gedaan, repareerde ik zijn linkermouw. Zo maakte ik Sheng klaar voor de volgende confrontatie, die hij – wedden? – niet kon laten.

De bel ging. Ik zag die andere jongen holderdebolder de kamer verlaten, zeer verstandig. Want als Sheng iemand een lesje wilde leren, kon men straks de betrokken persoon met een bezem en blik van de vloer vegen. Een minuut voorbij. Twee minuten. Sheng maakte nog steeds geen aanstalten om op te staan en tot actie te komen. Ik keek opzij en zag hem wezenloos voor zich uitstaren. Ditmaal vond ik hém laf. Wat mankeerde hem toch? Moest hij die andere jongen niet gaar meppen opdat hij Sheng excuses aanbood?

English

Nu mijn zenuwen trapgewijs ontspanden, hoorde ik weer normaal. Het viel mij op dat Shengs stem twee verschillende volumen kende. Als anderen hem hoorden, kon hij geen woord zonder brullen en vloeken zeggen. Dusdanig dat zodra hij zijn mond opendeed, mijn haren te berge rezen. Als hij echter met mij praatte, boog hij zijn hoofd opdat niemand anders zijn lippen zag bewegen, en hij sprak heel zachtjes. Alleen ik kon hem verstaan. Zo vroeg Sheng mij eens onder vier ogen waarom het woord ‘English’ ‘de Engelse taal’ betekende, terwijl het ‘de Engelse geschiedenis’ inhield.

Ik hoorde het in Tokio donderen. Sinds wanneer wilde Sheng wat leren? Inderdaad, vaak was het zo, als een Chinees ‘English’ uitsprak, het klonk als Yingguo lishi – de Engelse geschiedenis. Veel van mijn klasgenoten gebruikten de klanknabootsing om de even moeilijke als vreemde taal van buiten te leren.

Direct na thuiskomst, pakte ik het leerboek Engels aan. Ik werkte tot diep in de nacht en vertaalde volgens de klank alle Engelse woorden op de eerste twintig bladzijden van het boek in het Chinees. ‘Book’ werd dan buke – bijles geven. ‘Wood’ werd wude – bedekt zijn. ‘Lamp’ werd liangbu – veel licht, hè? ‘Telephone’ werd telefeng – daar word je dolblij van. Enzovoorts.

De ochtend daarna overhandigde ik de lijst aan Sheng. Toen hij met behulp ervan een paar moeilijke Engelse woorden moeiteloos kon uitspreken, hield hij zijn hoofd zo laag mogelijk opdat anderen zijn gezicht niet konden zien en hij lachte. Ik had goed uit de doppen gekeken. Ditmaal grijnsde hij niet, maar hij lachte, echt. Wij spraken af dat ik de komende dagen de Engelse woorden van de rest van het leerboek in kaart zou brengen. Als hij de lijst uit het hoofd zou leren, zou hij misschien een voldoende voor de volgende toets halen. Hij knikte en lachte opnieuw.

Inkopen

De euforie duurde maar een week. Op een blauwe maandag vertelde Sheng mij dat zijn vader niet eens zijn eigen naam kon schrijven. Nu Sheng zijn naam ook in het Engels kon spellen, was hij tevreden. Hoe moest hij verder? vroeg ik hem. Net als hij, praatte ik zachtjes. Anderen hoefden ons gesprek niet te volgen. Hij wilde de komende twee schooljaren uitzitten, vertelde hij. Dan zou hij de eerste in de familie zijn met een diploma voor de middelbare school. Opeens zag ik het voordeel van de turbulente jaren in. Iedereen kon afstuderen, tenzij iemand een ernstig delict had gepleegd of iets had gezegd dat niet door de ideologische beugel kon.

Herfst eindigde. Winter begon. Het Chinees Nieuwjaar naderde. Winkels werden hoe langer hoe voller. Bomvol. Moeder en ik wisselden elkaar af en stonden om beurten uren in de rij. Dat was hét moment van het jaar om onze voedselbonnen in te ruilen voor een pond vis, een kilo vlees of twee kilo botten voor de soep. Dat was ook een van de spaarzame momenten van het jaar dat wij een mandje appels of peren konden inslaan. Hoe bescheiden ons menu voor de rest van het jaar ook oogde, wij moesten en zouden een uitgebreid Nieuwjaarsdiner op tafel zetten. Niet alleen werd onze tong verwend maar ook ons lijf. Moeder maakte van haar oude rok een nieuwe jas voor mij. Iedereen moest namelijk iets nieuws aantrekken. Alleen zo konden wij op een behoorlijke manier het nieuwe jaar ingaan.

En plein public

Er bleven nog maar vijf daagjes over voordat het Nieuwjaarsfeest werd gevierd. Sheng kwam het leslokaal binnen. Hij keek mij zo voortdurend en indringend aan dat ik hem met mijn ogen vroeg wat er loos was. Hij straalde en drukte met zijn kin naar beneden. Oei! Wie heeft jouw hals en polsen zo bont en blauw geslagen? gilde ik het uit. Sheng keek om zich heen en verbleekte. Hierdoor staken zijn blauwe plekken nog sterker af tegen zijn gele basistint. De klasgenoten die links en rechts, voor en achter ons zaten hoorden mij roepen en keken onze kant op.

Ik heb net een knokpartij met je opa’s, ooms, broers en neven gewonnen! verhief Sheng zijn stem. Hij pakte mijn pennenetui van de tafel op en smeet ermee naar mijn hoofd. Ik zag rode, blauwe, gele, bruine en paarse penselen de doos ontsnappen en ik voelde ze mijn gezicht zijdelings raken om vervolgens langs de voorkant van mijn jas vloerwaarts te glijden. Ik stamp je kop tot puree als je nog één onzin uitkraamt over mijn blauwe… wat zei je daar? Wonden? Alleen jij kan zoiets verzinnen, jij vuile, smerige, verwaande, verwende, schreeuwlelijke afgelikte boterham!

Had ik zijn door razernij vervormde gezicht en gebalde vuisten niet gezien, had ik gedacht dat ik midden in een nachtmerrie zat. De mensenmuur om ons heen werd steeds dikker en het juichen van de klasgenoten werd steeds meer oorverdovend. Ineens drong het tot mij door wat ik verkeerd had gedaan. In mijn schrik en bezorgdheid had ik onze onuitgesproken afspraak geschonden, namelijk, wij moesten onze gesprekken onder ons houden.

Had ik Sheng zachtjes gevraagd met wie hij zo vroeg in de ochtend weer overhoop had gelegen met die kneuzingen als gevolg, zou hij mij op een normale manier de ware toedracht kunnen toelichten. Hij stond immers bekend om zijn harde knokkels en scheldkanonnades. Daarmee had hij tot nu toe zijn titel als vechtersbaas van de klas kunnen verdedigen. Nu de klasgenoten merkten dat hij ook normaal kon praten, zonder brullen of vloeken, nota bene met een meisje voorzien van een politiek incorrect uiterlijk en van een heropgevoede moeder, ging hij als een gieter af. Ik viel als een zak aardappelen op mijn stoel neer, liet mijn hoofd als een natte dweil hangen en hoorde zijn vloeken en tieren aan, iets wat ik maanden had gemist, als kiespijn weliswaar.

Overjas

De dag daarna wachtte en wachtte ik. De leraar Chinese grammatica en literatuur had onderwijl het schoolbord volgeschreven met slogans zoals ‘Wij moeten elke dag de klassenstrijd voeren, anders zien revisionisten de kans schoon om ons volksbestuur te ontbinden’, maar Sheng was nog niet verschenen. Ik zat aan een halflege tafel en wou dat ik gisteren ongedaan kon maken.

Gelukkig kwam Sheng de dag daarna wel opdagen. Ik was op van de zenuwen en dubde. Zou ik berouw tonen? Of zou hij er juist door herinnerd worden aan zijn afgang en nogmaals uit zijn slof schieten? Minuten tikten voorbij, maar hij kwam nog niet op zijn stoel zitten. Ik keek omhoog. Daar stond hij, zo trots als een pauw, gekleed in een spiksplinternieuwe gewatteerde mosgroene overjas.

Vader

Ik kon er niets aan doen. Tranen rolden uit mijn ogen en vertroebelden mijn zicht. Plotseling moest ik aan vader denken. Op de foto die ik dagelijks begroette, had hij precies dezelfde jas aan. Andere gezinnen waren compleet als ze op de oudejaarsavond gezellig aan tafel zaten. Moeder en ik moesten echter naar het postkantoor hollen, vlak voordat de klok twaalf uur sloeg. Daar betaalden wij een fortuin om een interlokaal telefoontje te plegen. Dat was de enige keer in het jaar dat ik vaders stem hoorde en dus zeker wist dat ik een vader had.

Nou ja, als het aan moeder lag, was vader elke dag bij ons. Iedere keer dat ik naar ooms en tantes voor een extra les ging, moest ik van moeder vader danken. Met haar maandloon zou ze nooit het kapitaal bij elkaar kunnen sparen om mijn lesgeld te betalen. Daar hadden wij vader voor. Maandelijks stuurde hij ons geld, niet een beetje ook. Als vader naar Beijing terug zou keren en bij ons zou komen wonen, konden wij elke dag vis of vlees eten, schatte ik.

Trouwens, de ooms en tantes wilden niet voor de lessen worden betaald, maar moeder stond erop. Omdat ze weinig voedselbonnen had om tegen normale prijs inkoop te doen, schafte ze op de zwarte markt tegen een hoge prijs levensmiddelen aan, eieren, vis, vlees, botten voor de soep, fruit, chocolade en wijn bijvoorbeeld. Deze gaf ze mij vaak mee als ik naar mijn privé leraren en leraressen ging.

Appels

Terwijl ik in gedachten verzonk en vader miste, zag Sheng mij huilen. Eindelijk stond hij niet meer voor mij maar kwam naast mij zitten. Hij krabde aan zijn hoofd en tastte in zijn tas. Uit voorzorgsmaatregel verliet ik mijn stoel. Ging hij weer een dode muis uit zijn tas halen? Om mij te laten boeten voor mijn fout gisteren? Rustig, gebood hij mij met een blik, blijf gewoon zitten. Boontje komt om zijn loontje. Ik moest Sheng wel gehoorzamen en zijn straf aanvaarden, wat die ook moge zijn, luidde mijn geweten.

Toen ik weer op mijn plaats zat, stopte Sheng een grote zak appels in mijn handen. Ik had ze niet geteld, maar het waren er zeker een dozijn. Het zweet brak mij uit, nota bene hartje winter. Had hij gisternacht een winkel beroofd? De dag daarvoor had hij een peperdure overjas aan en nu gaf mij een dozijn appels. Alleen zieken, zwakken en misselijken kregen dit kostbaar fruit als cadeau wanneer ze in het hospitaal lagen en bezoek van hun gulle familie kregen.

Door schade en schande wijs geworden probeerde ik mijn stem zo laag mogelijk te houden. Waar had hij de appels ge… gevonden? fluisterde ik. De trots op zijn gezicht verdween als sneeuw voor de zon. Hij griste een appel uit de zak, gooide hem op de vloer en trapte hem met de schoenen tot moes. Welke ongunstige ster hing aan de hemel? Dat ik vlak voor het Chinees Nieuwjaar fout op fout stapelde? Ik had geen woorden voor mijn domme zelf.

Koopkracht

Volgens zeggen hadden vissen een geheugen dat maar zeven minuten duurde. Sheng was misschien een zeebaars, een mensenhaai kon ook, in zijn vorige leven. Want de dag daarna was hij weer de oude. Liedjes hummend stapte hij het leslokaal binnen en scheen al mijn wangedrag te hebben vergeven en vergeten. Hij bekeek zijn nieuwe overjas van voor, en, zich omdraaiend, van achter. In de lesruimte met zestig leerlingen konden wij alleen al met onze adem de lucht op temperatuur brengen. Van de warmte werd Shengs voorhoofd rood, maar hij trok zijn overjas niet uit. Ik zag zijn blijde gezicht, maar ik kon niet blij voor hem zijn.

Ik wist dat zijn ouders boeren waren. Hun inkomen was maar de helft van dat van mijn moeder. Daarmee moesten ze zes kinderen en twee opa’s en twee oma’s te eten en drinken geven. Zelfs mijn moeder kon zich niet veroorloven om een fatsoenlijk Nieuwjaarsdiner te organiseren en tegelijkertijd nieuwe kleren, schoenen en haarbandjes voor mij kopen. Waar had Sheng de middelen vandaan gehaald voor de overjas en de appels? Eerlijk waar. Ik wilde liever niets lekkers proeven en Sheng in zijn kapotte kleren rond zien lopen dan te vrezen dat hij op een gegeven moment door de politie werd opgepakt en naar de tuchtschool gestuurd.

Weer zover

Op de laatste dag voor het Chinees Nieuwjaar hadden wij slechts in de voormiddag school. De meester liet ons een liedje zingen met als tekst een bekende dichtregel. Vuurwerk kondigt knallend de komst van de lente aan en het vertrek van de winter en het ging maar door. Sheng deed niet mee aan het koor. Hij draaide op de stoel om zijn as en scheen zich mateloos te verheugen op het ophouden van de les. Ik nam mij voor om me geen zorgen meer over hem te maken. Alleen zo kon ik voorkomen weer iets verkeerd of hardop te zeggen.

Toen de bel ten langen leste ging, gebaarde Sheng mij te blijven zitten. Geluk stond op zijn gezicht te lezen en dit beschouwde ik als een teken dat hij een zeebaars was geweest met een kortlopend geheugen, vooral over mijn fouten. Hij wachtte totdat de kamer bijna leegliep en tastte weer in zijn schooltas. Adem diep, zei ik tegen mezelf, en geen paniek. Uit de tas haalde hij een naar eigen zeggen nieuwjaarscadeau voor mij uit, verpakt in oude kranten. Lekker! zei hij en straalde. Ik werd door zijn vreugde aangestoken, opende snel het pakje en hemel nog aan toe! Ik stuiterde zowat van vloer tot zolder en hetzelfde traject terug en schreeuwde de leraar die al in de gang op weg naar zijn kantoor was, terug in het leslokaal.

Weer iets wolligs en wiebeligs rolde uit de oude kranten, ditmaal besmeurd met roodbruin, gestold bloed. De meester liet Sheng het ‘cadeau’ weer inpakken en mee naar huis nemen. Daar scheen ze niet van gediend te zijn, legde hij Sheng uit. Ga maar met je familie feest vieren, troostte hij de pestkop in plaats van mij het slachtoffer. Vervolgens keek hij mij vies aan, zo vies als een onderwijzer zich kon permitteren.

Nummer twee

Toen Sheng genoeg had gevloekt en gedaan en de kamer uit was gestormd – ik hoorde hem ook in de gang vuilbekken, schudde de leraar zijn hoofd. Lulu, zuchtte hij, wanneer leer je je klasgenoten kennen? Ik beet op mijn onderlip en haatte de meester. Hij was geen pestkop in grote mensen formaat meer, maar Wreedaard nummer twee. Nummer één had mij zojuist wederom de kast op gejaagd met een dode muis. Of was het een ander ongedierte? Door mijn teleurstelling en daaraan gekoppelde gekwetstheid had ik die harige griezel niet herkend.

Na al de knopen die ik onder de tafel, tegen de schoolregels in, voor Shengs trui vast had gemaakt, na al de Engelse woorden die ik voor hem in Chinese klanken om had gezet en na al onze verbale en non-verbale gesprekken, pestte Sheng mij toch. Nu besefte ik pas dat de angst en het beven, de pijn en het verdriet, kortom de haat jegens Sheng, nog altijd in mij sluimerden en mij nooit echt hadden verlaten. Ik was teleurgesteld in hem en als ik me niet vergiste, was hij het ook in mij.

Vakantiereis

Toen ik thuiskwam, wachtte mij een tweede verrassing. Lan stond bij mij op de stoep en vroeg waar ik was gebleven. Ik zweeg over Wreedaard nummer een en twee en vroeg op mijn beurt waarom ze niet thuis zat voor het Nieuwjaarsdiner. Ze klonk sneu toen ze zei dat ze mij vier weken moest missen.

Het bleek dat Lans vader direct na het Chinees Nieuwjaar deel zou nemen aan een conferentie, in de stad Kunming, de Provincie Yunnan, Zuid-China. Hij mocht daar al een week vóór de conferentie aankomen en daarna een week langer blijven. Zijn vrouw en kind gingen mee . Lans leraar had haar een week extra verlof gegeven.

Wat moesten haar moeder en zij daar terwijl haar vader vergaderde? vroeg ik. Toeristische bezienswaardigheden bezoeken, reizen heette het, aldus Lan. Ze vond het erg dat ze het plezier niet met mij kon delen. Hoe kwam ze erbij? zei ik. Als ze terugkwam, zou ze mij in geuren en kleuren over de couleur locale vertellen, afgesproken? Haar gezicht klaarde een beetje op. Ze zouden in een traditioneel huis van de etnische groep Dai logeren, ging ze door, met zicht op een meer omringd door gebergte. Het scheen daar paradijselijk te zijn, als ze haar vaders woorden moest geloven.

Dat was de eerste keer dat ik van een vakantiereis hoorde. Bij nader inzien best logisch. Met een hoge militaire piet als vader maakte Lan heel wat mee dat boven de pet van ons gewone lui ging. Lan beloofde rozenkoekjes en lindensnoepjes voor mij mee te brengen. Want de bomen in Kunming stonden om beurten in bloei, het hele jaar door. De plaatselijke bevolking aten bloemen en bladeren alsof ze groente en fruit waren.

Veilig

Denk niet aan mij en geniet met volle teugen, drukte ik Lan op het hart. Ze dacht hardop, gelukkig hoef je niet meer bang te zijn dat als je alleen van school naar huis gaat, kwajongens stenen naar je gooien, en in dat opzicht zijn wij sinds maanden onder de pannen. Gretig knikte ik, wist ze toevallig waarom? Mijn hart trok wederom samen. Ditmaal omdat ik Lans broer Yang miste. Hij had haar en mij meermalen bevolen om Kungfu-les te volgen. Nu was het niet meer nodig. In deze gedachte vond ik mijn schrale troost.

Ik knipperde geheimzinnig met mijn ogen. Was het Lan niet opgevallen dat ik als een mager speenvarken kon krijsen? Mijn schelle stem ging bij mensen, inclusief kwajongens, door merg en been. Daarmee haalde ik van mijlen ver reddende engelen naar ons toe. Lan riep, nu je het zegt! Ik glunderde, dat was dan ónze manier van zelfverdediging. Werkte even goed als Kungfu!

Lan voegde eraan toe, je hoeft ook niet meer een half uur eerder dan anderen naar je leslokaal te gaan, toch? Daar staan allang geen vieze woorden meer over je op. Ik beaamde. Gewoon keihard gillen, vatte ik de sleutel tot mijn succes samen. Werkelijk waar, daar konden de dikste pestkoppen niet tegen.

Iets schoot me te binnen. Wees eerlijk, keek ik Lan aan. Ging ze stiekem haar broer Yang opzoeken, zonder mij? Ze schudde haar hoofd. Niemand wist waar hij uithing. Er moest een wonder gebeuren als ze hem in Zuid-China zomaar op straat tegen zou komen. Toen ik dit hoorde, was ik gerustgesteld.

Besluit van de meester

De eerste ochtend na de Nieuwjaarsvakantie keek ik zonder met mijn ogen te knipperen naar de deurpost. Sheng kwam niet. De dag daarna evenmin. Op de derde dag nam de meester mij naar de gang en zei doodleuk dat vanaf nu Jie naast mij zat. Waar zou Sheng dan zitten, als… als hij terug zou komen? Dat legde hij mij later wel uit, poeierde de leraar mij af, want de les zou over een paar tellen beginnen. Een onheilzaam voorgevoel nam bezit van mij en ik wankelde op mijn benen. De bel voor de les ging. De leraar zag mij daar wankelen en zuchtte. Hij betrad het leslokaal en schreef ‘Lente’ op het schoolbord. Iedereen moest er een opstel over schrijven, behalve ik.

De meester vroeg mij mee te gaan naar zijn kantoor. Eenmaal daar keek hij mij in plaats van vies teleurgesteld aan. Gisteren was Shengs vader hier geweest, vertelde hij mij. Een oude koetsier in hun dorp stierf een baan vrij. Sheng kreeg dat werk omdat hij sinds maanden bij zijn vader, die ook een paard en wagen stuurde, in de leer was geweest. Kreeg hij nog zijn diploma voor het middelbaar onderwijs? vroeg ik gehaast. De leraar schudde zijn hoofd, Shengs familie had eerder behoefte aan brood op de plank dan een certificaat op de muur.

De lijnen op het gezicht van de meester verzachtten zich. Hij had in de gaten dat ik graag dichtte, klonk hij ineens anders, maar waar ging het in de literatuur om? Ik weigerde zijn vraag te beantwoorden. Wij zaten in een gesprek over Shengs school, niet in een quiz om een mand eieren. Hoe meer ik aan mijn voormalige bureaugenoot dacht, op hoe hogere toeren het plafond boven mijn hoofd draaide. De meester kon het niet laten, dacht ik bij mezelf. Hij had weer een pestkop naast mij geplaatst, ook nog eens niet de eerste de beste. Jie was degene die aan een los draadje van Shengs trui trok en hem op het schoolplein als een ezel rondom een molensteen leidde. Die lafaard! Die geniepigerd! Met Jie naast mij zitten, kwam ik van de regen in de drup.

Ivoor

Wenxue – literatuur – betekende letterlijk ‘de kennis over letteren’. In feite ging het in de literatuur om mensenkennis, de leraar kletste maar door over dingen die niet mijn prioriteiten waren, mijn laatste zorgen evenmin. Hij tikte met zijn vinger op het bureau. Volgens hem probeerde ik niet eens de jongen te begrijpen die maanden naast je had gezeten. Hoe dacht ik ooit de nodige mensenkennis te vergaren? Hij kon mij nu al vertellen, luidde zijn vonnis, dat ondanks mijn extra lessen door moeders collega’s, indien ik zo doorging, ik als leerling én als mens geen meter vooruit zou komen.

Ik liet ’s meesters woorden het ene oor in en het andere oor uit en bleef me verbazen. Hoe bestond het dat hij van alle pestkoppen die de klas rijk was uitgerekend Jie had gekozen om mij het leven zuur te maken? Ik wilde terug naar de klas, zei ik, en het opstel over de lente schrijven. Geen minuut langer wilde ik zijn ‘goede raad’ aanhoren. Uit de bek van een hond komen geen ivoren slagtanden tevoorschijn. Uit de mond van een wrede leraar kon geen welgemeend advies komen.

Nieuwe bureaugenoot

Na de pauze kwam Jie warempel met zijn hebben en houden onder de arm op de stoel naast mij zitten. Hij fluisterde tegen mij, vuile hoer, opschuiven! Vervolgens trok hij met een stuk krijt een witte vertikale streep op ons bureau. O wee als je het in je hoofd haalt de grens over te steken! ging hij tekeer tegen mij, op een niet voor derden bestemde lage toon. Ik geloofde mijn oren niet. Moest ik dit niet tegen hém zeggen? Hij was niet zo naïef als Sheng, gaf hij mij te kennen. Al zou ik poeslief tegen hem doen, hij zou er nog niet in trappen. Wees maar gerust, zei hij tegen mij. Mijn deel van het bureau zou hij nooit en te nimmer aanraken. Waar hoorde een hoer thuis? In een hoerenkast. Waar ik zat was dus een bordeel. Wie wilde daar gezien worden? Einde zelfintroductie, aldus hem.

Gedurende de vier dagen sinds Jie het bureau met mij deelde, had hij mij geen enkele keer Lulu genoemd. Ik heette gewoon vuile hoer, had hij voor mij uitgemaakt. Ik hoorde hem de benaming zo consequent hanteren dat het mij begon te dagen. Oei, zou hij degene zijn die een paar maanden geleden met een ondoorgrondelijke regelmaat ‘Lulu is een vuile tak’ op het schoolbord schreef? Ik scheurde een blaadje van mijn notitieblok af en schreef er die zin op. Dit papiertje schoof ik naar zijn deel van de tafel. Als hij dit niet onmiddellijk zou lezen, zou ik per omgaande tot de laatste snik toe op mijn handen lopen.

Schrijfwijze

Helemaal mee eens, zei Jie zachtjes maar zielsgelukkig tegen mij, nota bene tijdens de les. Dat ben jij, een vieze, vuile, smerige hoer! Aan zijn hemelse gezichtsuitdrukking te beoordelen, als men hem zou vragen wat zijn grootste wens was, zou hij antwoorden het blijven herhalen van die obscene zin, schatte ik in. Ik pakte een rode pen, streepte ‘tak’ door en schreef ernaast het juiste woord. Ik fluisterde terug, ‘hoer’ schrijf je met het radicaal ‘vrouw’ aan de linkerkant. Als je het radicaal ‘boom’ gebruikt, krijg je het woord ‘tak’. Dat zou niet je bedoeling zijn, of wel soms? Een tip, als je mij verrot wilt schelden, doe het goed, zonder taalfout.

Ik zag Jie blozen, tot achter zijn oren. Hiermee gaf ik het startschot voor onze stille strijd. O, wat miste ik Sheng! Met hem kon ik tenminste open kaart spelen, maar tegen Jie moest ik geslepen zijn. Daar zou ik me in verdiepen en bekwamen, besloot ik.

Woord verklaren

Niets bleek minder waar. Jie was een open boek, volgeschreven met aanklachten tegen mij maar wel overzichtelijk. In de dagen die erop volgden, had ik tijdens de pauzes tussen lessen geen stap verzet. Jie evenmin. Wij bleven op de stoel zitten en wisselden met elkaar in even venijnige als klare taal van gedachten, met als enige onderwerp Sheng. Het begon met mijn vraag naar de bekende weg (Jie kon mij moeilijk een goede fee noemen, nam ik aan), waarom noemde hij mij een vuile hoer? Het eindigde als een donderslag bij heldere hemel. Om een lang verhaal kort te maken, het ging zo.

Een hoer zag alleen maar één ding, geld, legde Jie mij uit. Mensen waren voor haar melkvee en hun gevoelens koeienvlaai. Hoeveel een man ook om haar gaf en voor haar over had, haar hart was niet warm te krijgen, want het was uit steen gehouwen. Ik had ook een hart van steen en was dus ook een hoer. Einde Jie’s diagnose.

Ik vroeg Jie om zijn mening te onderbouwen. Hij keek mij aan alsof ik zijn hele familie plus aangetrouwde had uitgeroeid. Na alles wat ik Sheng had aangedaan, moest ik nog bewijzen horen voor zijn aanklachten? Doe maar alsof je van de prins geen kwaad weet, wierp hij mij een blik van verachting. Hij had Sheng zo voor mij gewaarschuwd, maar die geloofde eerder mij dan Jie zijn beste vriend – ze waren nota bene samen opgegroeid! Trouwens, ging hij verder, tegen een harteloos mens als ik, moest hij keihard de waarheid zeggen. Dat was het enige dat hij nog voor Sheng kon doen. Voorts zei hij recht in mijn gezicht wat ik allemaal op mijn geweten had.

Zin op het schoolbord en inktvlekken

Maanden geleden, direct nadat Sheng naast mij kwam te zitten, ging hij naar Jie’s huis. Ze woonden in hetzelfde dorp, een kwartier lopen vanaf onze school. Van Sheng moest Jie maar eens ophouden met het schrijven van die onzin over mij op het schoolbord. Jie wilde het best doen, een vriendendienst, weet je wel? Maar op één voorwaarde, Sheng moest niet opeens denken dat ik geen hoer was, alleen maar omdat hij een bureau met mij deelde. Sheng draaide zich om en ging weg. Toch geen manier van doen tegen een vriend van wie hij iets gedaan wilde krijgen? vond Jie.

Een paar dagen later vroeg Sheng Jie om een tweede vriendendienst. Of hij niet meer met zijn vulpen tegen mijn jas wilde schudden. Ook dit had Jie voor Sheng over. Alleen wilde Jie er iets over kwijt. Sheng moest oppassen dat ik niet te kleinzerig werd. Destijds gaf ik niet eens een kik toen Sheng mij zweepte. Wat waren een rijtje inktvlekken op mijn jas vergeleken met die bloedstriemen op mijn gezicht? Toen Sheng dit hoorde, draaide hij zich weer om en wilde er vandoor gaan. Deze keer blokkeerde Jie echter de deur en waarschuwde Sheng eenmaal, je krijgt toch niet een zwak voor die hoer?

Al kibbelden Sheng en Jie over mij – nergens anders hadden ze van kinds af aan grote meningsverschillen over, ze bleven dikke vrienden totdat Sheng Jie om een derde vriendendienst vroeg. Dagen had Sheng, direct na school, in struiken gehurkt gezeten. Eindelijk had hij uitgevogeld welke groep jongeren Lan en mij met stenen belaagde als wij van school naar huis gingen. Sheng wilde die lui ermee confronteren, maar daar had hij hulp bij nodig. Jie weigerde dienst. Die jongens gebruikten namelijk niet hun vuisten maar een kettingslot. Bovendien, ze mikten enkel en alleen op het hoofd. Jie had geen gaatje in zijn hoofd en wilde er vooral geen grote krijgen.

Losse draadjes van Shengs trui

Sheng zocht verder naar versterking. Toen Jie hoorde dat Sheng zich aan wilde sluiten bij de Vleermuizen, waarschuwde hij Sheng voor een tweede maal. Leden van deze bende gebruikten geen kettingsloten maar dolken en hakmessen. Wie tegen de groeirichting van hun haren streek kreeg een van zijn ledematen afgemonteerd. Jie snelde naar Sheng. Bijna alle Vleermuizen hadden of in de gevangenis gezeten of zaten daar nog in, vertelde hij Sheng wat iedereen al wist. Sheng wilde toch niet omwille twee hoeren (volgens Jie viel Lan onder mijn categorie) in een tuchtschool terecht komen?!

Sheng noemde Jie een lafaard en Jie noemde Sheng een idioot. Ze waren beiden niet van woorden maar van daden. Al snel lagen ze met elkaar in de clinch. Jie dreigde de vechtpartij te verliezen, pakte een los draadje van Shengs trui en liet hem op het schoolplein rondjes draaien. Onderwijl riep Jie dat voor een hoer een man slechts een ezel was. Hij kon zwoegen tot hij erbij neerviel, maar haar molensteen zou hij nooit kunnen verlaten.

Sheng zette zijn plannen door. Jie kon het niet aanzien en ging naar Shengs vader, aan wie hij alles uit de doeken had gedaan, ook zijn idioterie met betrekking tot mij. Wonder boven wonder kreeg Sheng deze keer geen draaien om de oren. Zijn vader zei dat hij hoe langer hoe meer last van reuma kreeg. Hij kon nog steeds paard en wagen sturen, maar laden en lossen? Dat viel hem te zwaar. Of zoonlief hem ermee wilde helpen. Shengs knokkels waren zo hard als dat zijn hart zacht was. Sindsdien ging hij elke dag na school met zijn vader rijden. Samen vervoerden ze voor hun dorp aardappelen en uien, Chinese kool en wortels. Als sommige van de levensmiddelen kneusden, mocht Sheng ze houden. Hij verzamelde ze en verkocht ze op de zwarte markt.

Overjas, appels, stenen gooien, blauwe plekken en ‘muis’

Met wat Sheng verdiende kocht hij die mosgroene overjas. Maar wat deed jij? verhief Jie zijn stem. Ik keek er niet eens naar, terwijl Sheng in die jas de hele tijd voor mij stond. Ook met wat hij verdiende kocht hij die grote zak appels – Sheng vertelde Jie dat als hij zijn hoofd op mijn schouder leunde, hij bij mij de geur van appelbloesem rook. Maar waarvan verdacht je hem? was Shengs retorische vraag. Van winkeldiefstal. Tevens met wat hij verdiende kocht Sheng sigaretten en alcohol. Deze gaf hij de groep jongeren cadeau die Lan en mij met stenen bekogelden. Die etters beloofden hun actie stil te leggen, tot nader orde. Sheng moest hen dus sigaretten en alcohol blijven geven, anders deden ze het weer.

Nadat zijn vader hun oude schaap had geschoren, kreeg Sheng zijn oma zover dat ze de wol voor hem weefde. Voorts zeurde hij net zolang aan zijn moeders hoofd dat ze een trui voor hem breidde om van er vanaf te zijn. Shengs zus zou de trui voor hem blauw verven, maar ze had verkering en had wat anders aan haar hoofd. Sheng kon niet op haar wachten en ging de trui zelf verven. Om mij hem zo spoedig mogelijk in die nieuwe trui te laten zien, had hij een paar afspoelbeurten overgeslagen.

Maar wat zag je toen hij apetrots voor je ogen stond? vroeg Jie. In plaats van zijn nieuwe trui zag ik zogenaamde wonden op zijn hals en polsen. Al gillende verkondigde ik aan de hele klas dat Sheng weer met slechte jongens had gevochten, met bont en blauwe plekken als gevolg. Dat waren in ’s hemelsnaam de kleuren die de trui afgaf! hield Jie zijn stem nog steeds in toom – anderen hadden niets te maken met wat wij bespraken – maar met zijn verachting voor mij hoger en hoger in het vaandel.

Vlak voor het Chinees nieuwjaar ging het vetste varken van Shengs familie onder het mes. Toen Shengs vader de botten hakte, Shengs oma de poten onthaarde, Shengs moeder de ingewanden waste, Shengs zus een flink deel van het vlees pekelde, en Shengs broertjes en zusjes watertandend op een feestmaal wachtten, wikkelde Sheng stiekem een van de twee oren in oude kranten en bracht het de dag daarna voor mij mee. Rood geroosterd varkensoor was de kroon van het Nieuwjaarsdiner, tenminste volgens Sheng en andere dorpelingen. Maar wat deed jij? sloeg Jie’s stem over. Ik schreeuwde de leraar van de gang naar het leslokaal en beschuldigde Sheng ervan mij weer met een dode muis te pesten, nota bene op de laatste dag voor het Nieuwjaar!

Adres

Ik wilde niet verder naar Jie’s verhaal luisteren. Opeens besefte ik dat het niet Sheng was, niet de meester, ook niet Jie, die ik moest haten, maar mijzelf. Ik vroeg Jie of hij mij zou willen helpen. Wat voor hulp ik ook aan hem zou vragen, perste hij de woorden tussen zijn tanden door, het antwoord was nee. Anders dan Sheng, had hij geen stront in zijn ogen en zou mij nooit een vinger toesteken.

Ik verliet mijn stoel en doolde in de gang rond. Ik moest en zou iemand vinden die wist waar Sheng woonde. Zielsgraag zou ik voor hem willen knielen en hem mijn hartgrondige verontschuldigingen aanbieden. Hij moest mij vooral niet vergeven. Ik zou boeten voor wat ik hem had aangedaan, net zo lang tot ik mezelf niet meer haatte.

Ik wachtte tot na de school en haastte me naar het kantoor van de meester. Helaas was hij al naar huis.

Achter de leraar aan

De dag daarna sneeuwde het. De meester schreef op het bord een bekende dichtregel Dikke sneeuw voorspelt een goede oogst. Wederom tijd voor een opstel. Ik beet op mijn pen en kreeg geen woord op papier. Jie keek over mijn schouder en kuchte. Het moge duidelijk zijn dat hij mijn opstel wilde overschrijven. Nu ik niets op papier had, moest hij straks ook een blanco velletje inleveren. Hier kon ik me niet druk over maken – hij was niet Sheng. Bovendien, ik had iets dringends aan mijn hoofd.

Eindelijk ging de bel. Ik rende achter de leraar aan en volgde hem de gang in. Het liefst zou ik met hem naar zijn kantoor willen, maar hij had een stapel opstellen te corrigeren, zei hij, even geen tijd.

Ik ging naar buiten. Het schoolplein, de wegen, de riooldeksels en de kuilen op het plantsoen hadden zich aan het zicht onttrokken. Alles zag er even egaal en wit uit. Ik voelde me leeg, net als het landschap waarin alle plaatsen en voorwerpen onder het egale wit waren verdwenen. Hoe moest ik verder? Met Shengs vertrek was weliswaar mijn angst voor pesten overgewaaid, maar ook mijn hoop. Hoop op acceptatie door mijn klasgenoten, met Sheng vooraan in de rij.

Blindstaren

Direct na de laatste les zocht ik de meester in zijn kantoor op. Naar zijn verbaasde maar verheugde gezichtsuitdrukking te beoordelen, scheen hij verbaasd te zijn dat ik nu al met hangende pootjes terug kwam. Ik friemelde aan de onderkant van mijn jas en wist niet waar ik moest beginnen. De leraar liet mij op een stoel naast zijn bureau zitten, ging door met het corrigeren van het huiswerk en keurde mij geen blik waardig. Mijn zelfhaat escaleerde. Ook de leraar zag mij niet meer zitten, dacht ik. Gauw gaf ik toe dat ik door angst voor en haat jegens Sheng verblind was en daarom Shengs pogingen tot het met mij goed maken niet had gemerkt, sterker nog, verkeerd had opgevat.

De leraar schudde zijn hoofd. Ik was eerder verblind door zelfmedelijden, zei hij. Turbulentie in de ideologie kwam en ging, net als de eb en vloed van de zee. Intellectuelen zoals mijn moeder werden de ene keer ingezet voor belangrijke zaken en vielen de andere keer in ongenade. Lulu, klonk de leraar ineens wat milder, je moet je niet minderwaardig voelen vanwege je heropgevoede moeder. Wat betreft je uiterlijk, politiek correct of niet, je bent zo geboren en daar moet je het mee doen. Ook schoonheidsideaal is aan ideologische turbulentie onderhevig. Er komt nog een tijd dat de wind uit een andere hoek waait. Maar, zocht hij oogcontact met mij, Shengs familie blijft op de onderste sport van de samenleving, welke wind er ook waaide. In plaats van Sheng te begrijpen en zijn stapjes voorwaarts te waarderen, zwelg je in zelfmedelijden.

Goede raad

Ik kreeg het benauwd en viel de meester in de rede. Zou hij mij Shengs huisadres willen geven? Hij stak een vinger in de lucht, als hij mij een goede raad mocht geven, nee, hij zou het anders formuleren, als ik voor de verandering naar zijn advies wilde luisteren, kon ik beter Sheng met rust laten. Hij had zijn levenskoers en ik de mijne. Ze zouden elkaar, uitzondering daargelaten, niet kruisen. Tranen welden uit mijn ogen. Maar ik wilde Sheng excuses aanbieden, zei ik.

De leraar wees naar buiten. Of ik de sneeuw daar zag. Ik knikte – wie kon daar omheen? Maagdelijk wit, zoals dichters de sneeuw beschreven, mijmerde hij, en gevoelens leken op de sneeuw. Ik vroeg hem wat dat betekende. Hij stond van de stoel op en bracht mij naar de deur. Zoiets moest ik, als ik groot was, zelf zien te begrijpen.

Uiteraard sloeg ik de goede raad van de leraar in de wind. Links en rechts informeerde ik naar Shengs adres, maar Jie zorgde ervoor dat de klasgenoten die met Sheng waren bevriend mij als een besmettelijke ziekte meden.

Bekend geluid

Op een dag ging ik naar school en hoorde de klappen van een zweep. Gauw draaide ik me om en keek naar achter. Sheng zat op een paard en wagen! Naast hem, op een gewatteerd dekentje, dommelde een oude man in. Zeker zijn vader. Achterop de wagen, tussen stapels Chinese kool lag een joekel van een bruine hond, ook in te dutten. Ik rende achter de wagen aan en riep naar Sheng. Hij hield zijn nek stijf en keek niet op of om. Ik kwam adem tekort maar bleef achter hem aan hollen. Sheng!, zei ik, zo luid als ik kon, ik ga me beteren!

Deurgrendel! hoorde ik Sheng brullen. Meteen richtte de bruine joekel zich op, liet mij zijn tanden zien en begon te blaffen. De oude man werd ook wakker, maar voordat hij de kans kreeg zich om te draaien en mij op te merken, zweepte Sheng de paarden zo hard dat ze als een speer vooruit schoten. De stapels Chinese kool trilden, de blaf van de hond werd hakkelig en Shengs vader, nam ik aan, gaf Sheng een draai om de oren.

Weg

Alleen goede feeën zagen mij nog zitten en staken een helpende hand naar mij uit, want een maand later kwam mijn vader, zonder vooraf een brief te schrijven, thuis. Ik smeekte hem mij mee te nemen naar de provincie Sichuan – geen dag langer wilde ik op deze school zitten. Een vreemd verzoek, maar toch geschiedde het.

Mijn ouders maakten zich namelijk zorgen dat ik op school behalve slogans weinig leerde. Via via kregen ze te horen dat een hoog aangeschreven taalacademie in Sichuan nieuwe leerlingen aan het werven was. Alleen moesten de kandidaten door een strenge selectie heen. Dankzij mijn privélessen Engels haalde ik het toelatingsexamen. Zo verliet ik op mijn zestiende huis en haard en keerde pas op mijn achttiende in Beijing terug. Dankzij mijn opleiding op die academie haalde ik ook het staatsexamen en ik zette mijn studie Engelse taal en literatuur voort op de Universiteit van Beijing.

Eb en vloed

Vlak voordat ik van Sichuan naar Beijing terugkwam, was vaders werkeenheid ook weer naar Beijing verhuisd. Toen ik onze nieuwe ruime woning die vader toebedeeld kreeg betrad, vroeg ik hem, bent u soms net als Lans vader, een hoge piet? Mijn ouders keken elkaar aan en wisten niet of ze blij of bedroefd moesten zijn.

Zodra Britse en Amerikaanse gastdocenten naar mijn faculteit kwamen, werd ik samen met een paar andere studenten ingeschakeld om hen naar de Verboden Stad, het Zomerpaleis of de Grote Muur te begeleiden. Niemand legde ons uit waarom altijd wij waren ingezet voor dit werk. Als ik echter de geruchten moest geloven, kwam het doordat de faculteitsdirectie een positieve indruk op internationale vrienden wilde maken door er representatief uitziende studenten als gidsen in te schakelen. Ik hoefde dus niet meer te boeten voor mijn uiterlijk dat in dit nieuwe tijdperk als politiek neutraal werd beschouwd.

Ik had geen zin in het veevoer in de universiteitskantine en ging geregeld naar een restaurant ten zuiden van de campus. Daarom maakte ik het geld dat vader mij maandelijks gaf reeds midden in de maand op. Elk weekend als ik thuiskwam, wachtte moeder totdat vader de andere kant opkeek en stopte mij een paar bankbiljetten in de hand. Zo werd ik de beste klant van dat restaurant. Inderdaad, toen de turbulente jaren voorbij waren, zat moeder tot over haar oren met opdrachten. Haar vakkennis was weer in trek, met goed inkomen als klap op de vuurpijl. Alles veranderde behalve mijn gemis van Sheng.

***

Duinen

Jaren later, een week geleden om precies te zijn, stond ik in de Haagse duinen. Ik voelde de aarde onder mijn voeten veren, vanwege de sneeuw die er de ochtend daarvoor was gevallen en de avond daarna gesmolten, en ik moest voor de zoveelste keer aan Sheng denken.

Mijn leraar op de middelbare school had gelijk. Gevoelens, vooral die van Sheng, leken op de sneeuw en kenden eenrichtingsverkeer. Zodra ze smolten oftewel verdwenen, kwamen ze niet meer terug, althans niet in dezelfde maagdelijk reine kristalvorm.

Shengs pesterij leek ook op de sneeuw, die langzaam maar gestaag wegdooide en overging tot genegenheid vanwege mijn nabijheid en mijn pogingen hem te behagen. Juist, toen ik naast hem zat en losse draadjes van zijn versleten trui aan elkaar knoopte en Engelse woorden volgens klank in het Chinees omzette, dacht ik dat ik hem wilde helpen. Achteraf gezien deed ik het niet uit medeleven maar uit angst. Door mij uit te sloven hoopte ik zijn keiharde houding tegenover mij te ontdooien, iets wat mij was gelukt, meer dan dat.

Twee vormen, één component

Shengs gevoelens voor mij leken niet alleen op de sneeuw maar ook op het water waar de sneeuw in veranderde, die, hoewel verschillend in vorm, beiden uit dezelfde H2O bestonden. Shengs pesterij voordat hij naast mij zat en zijn pogingen daarna om mij te beschermen en een plezier te doen stonden ogenschijnlijk lijnrecht tegenover elkaar, maar daaraan lag dezelfde belangstelling voor mij ten grondslag. Jong en onervaren als hij was, wist hij zich er geen raad mee. Niet alleen omdat mijn moeder een heropgevoede intellectueel was terwijl zijn vader niet eens zijn naam kon schrijven, maar ook omdat hij zich tot mij aangetrokken voelde juist mede door mijn politiek incorrecte uiterlijk. Hij pestte mij om zijn tweestrijd de kop in te drukken. Nadat hij naast mij kwam te zitten, won zijn interesse in mij het van zijn tweestrijd. Op zijn onhandige manier probeerde hij zijn ontluikende genegenheid aan mij kenbaar te maken.

Mijn kijk op Sheng leek wederom op de sneeuw en op het water waar de sneeuw in veranderde. Mijn fixatie op vriendelijkheid en vijandigheid verhinderde mij het verband tussen Shengs pesten en plezieren te zien. Even jong en onervaren als Sheng, brak ik al schreeuwend en beschuldigend zijn ontluikende verliefdheid in de knop, net als de temperatuur in Zuid-Holland, die te hoog was om de sneeuw vast te houden.

IJsbloem

Sinds mijn achttiende had ik veel liefdes gezien en de liefde veelvuldig bedreven, maar als de maan rond was en de nacht lang, sloot ik mijn ogen en zag ik Sheng. Zijn gevoelens verdwenen even snel als ze waren gekomen, gelijk de sneeuw in de Haagse duinen. Door mij te ergeren aan wat Sheng deed in plaats van te begrijpen wat hij ermee bedoelde, had ik de kans gemist om de schoonheid te ontwaren van de eerste liefde die een jongen aan mij schonk.

Hier in de Haagse duinen geweekt in sneeuwwater praatte ik met de zilte wind. Waar Sheng nu ook mocht zijn, ik hoopte dat de ijverige wind van de Noordzee mijn verontschuldigingen en vooral mijn verlate genegenheid voor hem over zou brengen. Genegenheid als de sneeuw op de top van de Alpen. Die nooit smelt en nimmer verdwijnt, ook niet voor de zon, omdat de temperatuur daar voorgoed laag is. Liefde ondergesneeuwd door onmogelijkheden om die te zien, te horen, te voelen en te bedrijven, blijft in bloei. Als een ijsbloem hoog in de Alpen en diep in ons hart.

 

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>