Op hoop van zon, 11, Lulu Wang

Foto: Lulu met de hond van een collega-auteur

Veilige haven

De straat achter mijn huisje grenst aan de Haagse duinen. Elke ochtend sta ik voor dag en dauw op en wandel met Boemeltje door die straat. Ik laat de zilte lucht over mijn gezicht strijken, als de zee aan rust toe is. En als het zilte nat flink uitgerust is en weer op hoge poten landinwaarts spoedt, laat ik de zilte wind mijn gezicht geselen. Nergens anders in de bewoonde wereld voel ik me zo blootgesteld aan de grillen van het ruime sop, vooral wanneer herfst op winter afstevent. Daarom loop ik graag, ook als het niet stormt, onder hoge, dikke bomen die de straat flankeren. Zo voel ik me beschut. Ik weet het, dat is maar een gevoel, want als een windhoos gestuwd door de woeste watermassa de straat op waait, is er geen stenen muur tegen opgewassen, laat staat bomen.

Als ik temidden van een rukwind haast als een heks door de lucht vlieg, veranker ik mijn aandacht op die bomen. Ze vormen voor mij een kalm oog in een cycloon. Zolang ik dicht bij de bomen blijf, ben ik veilig, is mijn idee. Gelukkig ontsteekt de zee niet elke dag in woede of tenminste, niet elk uur van de dag. Er zijn ook momenten dat het zeenat zo teder is als een moeder die haar kind zoogt. Dan staak ik mijn wandeling, kies een van de dikste en hoogste bomen uit en staar ik ernaar. Pardon, staren is niet het juiste woord. Lezen wel.

Gespitste oren

Bomen hebben veel gezien en gehoord en moeten boeiende verhalen kunnen vertellen, is mijn vermoeden. Zo hebben ze een kleine tachtig jaar geleden meegemaakt dat velen uit de wijk weg waren gejaagd, zodat het Duitse leger zich erin kon vestigen. Ook hebben ze toentertijd gezien dat de straten hier open waren gebroken, zodat de Duitsers verdedigingswerken konden bouwen; ze zijn tevens getuigen geweest van een Duitse kolonel, die mijn voormalige overburen op straat had gezet, omdat hun villa een grote kelder had. De hoge Duitse piet wilde die ruimte met ijzeren balken laten versterken tot een schuilkelder, die tijdens bombardementen dienst zou doen als het hoofdkwartier van zijn legereenheid; na de oorlog hebben ze een economische boom waargenomen, die tot welvaart en vrijheid van velen leidde. Zo rijk en vrij dat alles moest kunnen, zowel medezeggenschap in het bedrijfsleven als partnerruil in de privé sfeer.

Alleen vertellen de bomen hun verhalen niet met woorden maar met ruisende bladeren. Ik moet mijn oren spitsen en de radio van mijn interne dialoog uitzetten. Zelfs dan is het geen garantie dat ik alles versta wat de bomen zeggen. Ze zijn moeilijke boeken, die slechts voor weinigen zijn weggelegd. Het voordeel is wel dat zodra men erin zit, men nooit uitgelezen raakt. Een cabaretier van respectabele leeftijd zei eens, ‘Mijn vrouw is een interessant boek. Alleen heb ik het al uit.’ Zoiets kon hij niet zeggen over de bomen bij hem langs de straat.

Er zijn goede en slechte boeken, maar bomen vormen alleen maar goede boeken. Ik heb me vaak afgevraagd waarom het zo is, zonder een antwoord te vinden dat hout snijdt.

Vanochtend zat de zon, zoals hij in dit seizoen gewend was, onder de plak van wolken, maar gelukkig sliep de zee uit. Ik ging gauw die straat in en stond voor een dikke, hoge boom. Behalve een vogel dieper in de duinen, die het voor- en najaar door elkaar had gehaald en een paringsliedje te berde bracht, was het muisstil op straat. Zo stil dat ik sloop als een poes die op kousevoeten haar prooi naderde, anders zou ik opschrikken door het kraken van het rijp verplet onder mijn schoenen. Juist op zo’n moment zat de boom op zijn praatstoel en ratelde honderduit over vroeger, toen hij als een jonkie naast zijn gebochelde opa stond, die hem zíjn jeugdverhalen vertelde. Ik stond gefascineerd te luisteren en ineens begreep ik het.

Ruisende stilte

Men moet een vertaalslag maken om van een bomenboek wijs te worden. Ruisende bladeren laten ruimte vrij voor onze eigen inbreng, sterker nog, voor onze eigen invulling van de boekinhoud. Woorden daarentegen spreken een duidelijke taal. Dermate duidelijk dat wij een standpunt innemen. Of zijn wij het ermee eens, of kunnen wij ons er niet in vinden. Wij lezen een boek echter niet om medestanders te vinden of om tegenstanders te mijden, maar om onszelf te ontdekken. Vandaar dat een goed boek iets weg heeft van een boom. In zo’n boek wordt het echte verhaal ondergesneeuwd door een ruis.

Zo luidt de ruis van Romeo en Julia dat een familievete de liefde van twee jonge mensen onmogelijk maakt. Het verhaal onder de ruis is echter dat niet zozeer de familievete maar eerder een misverstand hun liefde de genadeklap geeft. Had Romeo geweten dat Julia niet dood maar in een diepe slaap was, had hij geen dolk in zijn eigen borst gestoken. De ruis van Oedipus luidt dat het lot onontkoombaar is. Het verhaal onder de ruis is echter dat de tragiek van Oedipus niet zozeer door het noodlot komt maar eerder door het lot keer op keer tevergeefs te ontlopen, is mijn interpretatie.

De tragiek van een boek is dat als het een duidelijke taal spreekt, het misschien niet dat zegt wat de lezer wil horen. Als een boek een verhaal in ruis verpakt, denkt menig lezer dat het maar een flutroman is. Bomen hebben hier geen last van. Daarom enerzijds lees ik ze graag en anderzijds als auteur zijnde benijd ik ze. Bovengenoemde cabaretier kan ze helemaal niet uitstaan, schat ik in. Was hij met een bomenboek getrouwd, zou hij haar nooit als een oude sok kunnen inruilen voor een jonger exemplaar, want zo’n boek krijgt hij nooit uit.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>

 

Op hoop van zon, 9, Lulu Wang

Ik ben een grapjas. Of beter gezegd, een grapjurk? Misschien nog beter, ik ben een plaagjurk. Zo luidt een zin uit mijn vijftiende boek Nederwonderland, ‘Er zijn drie soorten weer in Nederland. Een, het regent. Twee, het waait. Drie, het regent én waait.’

Huisje op zee

Werkelijk, de duivel schijt altijd op dezelfde hoop. Alsof het nog niet erg genoeg was dat het in de herfst vaker donker, koud en regenachtig is dan wat anders, het waait ook de hemel en aarde door elkaar. Vooral daar waar ik woon, amper achthonderd meter van het Haagse stukje van de Noordzee vandaan, moet men een schoon geweten hebben. Anders zou men denken dat het straf Gods is, want om de paar dagen is het zover.

Dan rolt de zee zich uit en vormt schuimbekkend een kuil, net een reuze python die het strand ratelend aanvalt en probeert op te slokken. De zee lijkt uitgehongerd te zijn en raast landinwaarts met zo’n vaart dat de lucht trilt, de grond beeft en de wind giert. Overdag gaat het nog wel, want ik word afgeleid door mijn werk, maar ’s nachts, als ik in bed lig, voel ik des te meer de woeste vloed en zijn even verwoede companen. Mijn slaapkamer lijkt te schokken op het onstuimige ruime sop. Mijn raam lijkt te kreunen onder windvlagen en regeninslag die het, zo goed en zo kwaad als het gaat, buitenshuis tracht te houden.

Dan verstop ik met vingers mijn oren en bedek ik met een deken mijn hoofd. Godvrezend  doorzoek ik mijn geweten. Heb ik iets verkeerds gedaan waardoor het zilte nat kwaad is op mij? Al weet ik dat mooi weer geen beloning voor mijn deugd noch storm straf is voor mijn zonde, ik kan me met geen mogelijkheid voorstellen dat de zee zomaar ziedend wordt. Er moet een reden zijn, maar wat?

Teken van leven

Het voordeel van angst en beven is dat als ze mij voldoende lang in de tang houden, ze een onmisbaar onderdeel van mijn leven worden. Onmisbaar omdat als ik voor de verandering niet in bed bibber, ik me afvraag welke fout ik heb begaan waardoor het ruime sop opgehouden is boos op mij te worden. Juist, ik ben inmiddels gewend geraakt aan de drie soorten weer die Nederland Nederland maken. Zo gewend dat ik het nut van de storm inzie.

In het voorjaar bruist het van leven. IJs ontdooit. Wormen ontwaken uit de winterslaap. Grassprieten kruipen uit de grond. Bloemen springen uit de knoppen. Bladeren kruipen uit de katjes. Vogels zingen uit volle borst. De zon schijnt. De maan schittert.

In het najaar, daarentegen, vriest het. Wormen verhuizen ondergronds. Gras vergeelt. Bloemen verwelken. Bladeren verdorren. Vogels verstommen. De zon verschuilt zich  achter wolken. De maan laat verstek gaan. Waar wij ook naar kijken, zien of horen wij weinig teken van leven.

Blazen en brouwen

Moeder Natuur laat regen vallen en wind oplaaien. Ze laat golven stijgen en zeeën schuimen. Zo blaast Ze meer leven in de brouwerij, anders zou de aarde een maanlandschap vertonen en zou onze dag de film The Day After naspelen.

Noem gerust mijn verzoening met het slechte weer in het Nederlandse najaar een schoolvoorbeeld van het Stockholmsyndroom. Dankzij mijn ‘afwijkende’ opvatting van de storm kan ik volop van de herfst genieten, ook al regent het dat het giet, ook al waait het dat dakpannen ervan rondvliegen, ook al klutst de wind alles wat los en vast zit door elkaar. Dankzij de storm blijf ik wakker in dit anders doodstille jaargetij. Zolang wij wakker blijven, kunnen wij leven op hoop van zon.

Koop Nederwonderland of andere boeken van Lulu Wang >>> >>