荷兰女人 PK 中国女人, 选自《西游札记》, 作者:王露露,荷兰

plus9 PNG

– 荷兰乃欧洲之缩影, 欧洲即西方之缩影。游荷兰,览西方, 露在荷芳。

概要
荷兰人常用’knap’一词来赞扬女人,这个词没法儿翻,因为它的含义即是‘聪明’又是‘漂亮’。你如果问荷兰人,能不能说得具体些,这女人到底是聪明,还是漂亮呢?后来才知道,knap折射了中西方审美观的不同。

‘聪漂’

荷兰人常用’knap’一词来赞扬女人,这个词没法儿翻,因为它的含义即是‘聪明’又是‘漂亮’。你如果问荷兰人,能不能说得具体些,这女人到底是聪明,还是漂亮呢?因为在不才看来,漂亮和聪明绝非孪生姊妹关系,更像婆媳关系。长相对不起观众的女生,个别网红的那叫什么来的姐姐除外,一般需要化悲痛为力量,艰苦奋斗,卧薪尝胆,才能多年的媳妇熬成婆,受到社会的认可和尊重。漂亮女人可以靠长相走捷径,一步登天,坐吃山空,红颜薄命。

审美观

因此,怎能把聪明女人和漂亮女人混为一谈呢?你问到荷兰人头上了,他们会告诉你,自己在指聪明还是漂亮,但如果你不问,他们就模棱两可地蒙混过关了。我迷茫过数十年,咋也搞不懂荷兰人怎么能在如此大是大非的问题上打马虎眼,稀了糊涂、好坏不分,香臭不辨呢?直到最近我在国内社交网上看到一些自拍和他拍,突然间,我读懂了knap一词所反射的荷兰审美观和国内有些人的,包括我自己的,有什么不同了。

午餐

前几天我看到一位自觉是中国第一美、第一富的电影明星,据说她久经沙场,阅男无数,阅干爹也无数,但尚未尘埃落定,私订终身。好在据最新消息报道,她公开谈恋爱了,重点在公开,搞得我连阅读每日新闻热点都不得消停,一打开网页,便弹出那女星嘟嘟着嘴和她公开男朋友秀恩爱的图片。

我深受西方价值观所毒害,病入膏肓,不可自拔,所以哀家百思不得一解,你说她这是干嘛呢?三十多岁了,早已不是婴儿,断奶数十载了,怎么像是她妈妈忙昏头了,忘了给她哺乳似的,搞得她这三十多岁的婴儿,嘟嘟着嘴,向妈妈讨奶喝?

点赞

更让我千思也不得一解的是, 众多粉丝不但把这张讨奶照给点爆了,而且视这位女婴为精神领袖,整容楷模,她们也照葫芦画瓢,也嘟嘟着嘴自拍,然后放入朋友圈,以赢得点赞,大有为了几个赞即便把自己的智商拨回吃奶时代也再所不惜的毅然决然的英雄气概。

再百思不得一解,千思不得一答,我也和这些女人一样,都是中国人。本是同根生,相煎何太急?我刚在欧洲喝了两天洋水、撒了两天洋尿就忘本了?就觉得自己有资格批评同胞姐妹了?所以我努力静下心来,分析思考,争取理解嘟嘟嘴的姐妹们。

万事就怕平心静气,这不,从猿到人、上下古今地琢磨之后,我不但理解了姐妹们,而且发现曾几何时,自己和姐妹们堪称同心同德,统一步伐, 统一节奏。

借书

记得三十年前,我北大研究生毕业后来到荷兰南部一所大学教书时,逛图书馆就像刘姥姥逛大观园似的,乐得找不着北了。这里的藏书大多是开架的,不用查索引、添借书单,各种图书,玲琅满目,近在咫尺,唾手可得。可惜荷兰人的平均身高占世界首位,这儿的书架欺负俺个矮,所以俺想借的书都串通一气,躲在书架的中上层,不让俺碰。没辙,我只好左顾右盼,寻找垫背帮忙的。更可惜荷兰人只顾开花,不顾结果,只顾恋爱,不顾传宗接代,只顾播种,不顾收获,所以人丁不兴旺。

垫背

您瞧瞧,走在我所居住的荷兰大学城马斯特里赫特市里,就像游鬼城,一眼望不到一个生人,问路都找不着向导;您说说,在这家身处闹市中心的图书馆,我一眼望去,看不到一个借书的生灵,咋整呀?此时我灵机一动,计上心来,跑向馆内的报刊阅览室,好在那儿寻摸一个垫背帮忙的。

在一个报刊书架前面,我看到一位翻阅杂志的男人。他典型的荷兰人,肌肉发达,红发绿眼,高耸如云, 我不得不仰视 – 平视只能看到他上衣的第三个扣子。虽然他聚精会神读书的样子让我不忍心打扰他,但我决定,就是他了,否则呆会儿图书馆要关门了,我还没找到想要的书呢。

恰巧他在这个节骨眼上关上手中的杂志,要换新的看,我便伺机出洞,大打出手,请他跟我走一程,帮我从旁边大厅里的书架上取出几本书下来。 他愣了一下,但还是欣然前往,帮我解决了借书高大上的问题。

错判

就这样,我们俩认识了。第二次见面时,他说自己叫彼得,进而问我叫什么,在哪所大学读书?我说,小的叫露露,不过你应该问我在哪所大学教书?原来他以小人之心,度君子之腹,自己在荷兰林堡省大学上二年级,读经济学,就以为我也还没大学毕业呢。不过和他交往一段之后,我才知道,他不是以小人之心,度君子之腹,而是自认为有确凿的证据,证明我不像大学老师。

歪理

彼得说,我们俩第一次见面时,我请他帮忙从书架上拿书,那就好好说呗,干嘛偏要嘟嘟着个嘴,像婴儿饥肠如鼓,管妈妈要鲜奶午餐似的?我哪里受得了这等奇耻大辱?故反扑道,当时他正在阅览室聚精会神地看杂志,我一个陌生人,还是国外来人,生要把他拽到另一个大厅里,帮我从书架上取书,不嘟个嘴、发个嗲、撒个娇、卖个萌,他能助人为乐吗?

毛孩

彼得说,啊,原来如此!可是露露呀,他接着给我上课,你那样做会适得其反。我虚心请教道,怎样才能四两拨千斤呢?彼得告诉我说,他属于荷兰的另类,那天我要是碰上一般的荷兰人,他们也许会出于好心助我一臂之力,但肯定不会再搭理我,更不会和我交往。

彼得的父亲在前荷属印尼殖民地经营过甘蔗农场,爱上过在当地的一位印尼女华侨,所以他父亲见怪不怪,彼得也捎带脚地继承了家族的优秀传统。不过,没有他特殊身世的荷兰男人,一看到我撒娇,保证厉言正色地提醒我,你不是耳朵后面还湿了吧唧(翻成中文是:乳臭未干)的小毛孩儿了,别跟我来这一套!

‘真理’

彼得的话如雷贯耳,骤然间,我终于理解了上大学时所读的法文和英文的世界名著的片段…

未完待续
图片:荷兰阿姆斯特丹书展,王露露新书《野蔷薇》新书发布会

Mijn eerste kerst in Nederland (1986), Lulu Wang

mwkfees3

新浪博客/Lulu Wangs blog op Sina.com: >>> >>
Mail to Lulu Wang/邮件联系:>>> >> luluwanggz@gmail.com

Het was in Maastricht en het begon met Sinterklaas, die ik voor de kerstman aanzag. Voor mij was het dezelfde witte reus die in 1985 tijdens het kerstfeest van de Universiteit van Peking uitriep: “Ik ben net met de slee uit Lapland gekomen!” Wij studenten Engels slikten uit plaatsvervangende schaamte onze zonnebloempitten ongekauwd door: hoe kreeg die Amerikaan het voor elkaar zulke ongegeneerd kinderachtige onzin te verkondigen?

Afgezien van zijn witkanten onderjurk, rode overjas en zijn oerwoud van een ringbaard, beschikte deze zogenaamde kerstman over exact hetzelfde forse stemgeluid en precies zulke blauwe ogen als meneer Pierson, de man die Naoorlogse Amerikaanse Literatuur doceerde. Maar goed, mijn collega’s aan de Opleiding Tolk-Vertaler in Maastricht wijdden mij in in een typisch Nederlands gebruik: het feest van de weggeverige heiligman die kinderen verwent en ouders ervoor laat betalen.
Een week voor de festiviteiten was het geen doen meer om door de Grote Straat te lopen en je reguliere boodschappen te doen. Half Maastricht was op de been en de winkeliers leken hun goederen gratis uit te delen: de mensen elleboogden en vochten om de schappen leeg te plukken. Ik deed er gretig aan mee en kocht cadeautjes voor mijn collega’s, buren en vrienden, die mij sinds mijn aankomst in dit gastland met veel warmte en zonder een greintje discriminatie hadden opgevangen. De gekleurde kaarsen, de plastic speeltjes en het mierzoete snoepgoed vond ik allemaal even enig, maar toen ik ze met trots in mijn ogen aan mijn vrienden overhandigde, bespeurde ik een beleefde verwondering.

Mijn buurvrouw was een blondine met bruine wenkbrauwen –achteraf begreep ik dat het geen kwinkslag van de natuur was dat haar haar op verschillende plekken van haar lichaam verschillend van kleur was, maar dat ze haar kapsel om de zoveel weken verfde, al naar gelang haar gemoedstoestand en huwelijksgesteldheid. Deze vrouw was zo vriendelijk en eerlijk me uit te leggen waarom ik wel goed bedoeld maar verkeerd gehandeld had. Ten eerste omdat men in Nederland alleen met presentjes op de proppen komt voor een al dan niet maaltijdserverend feestje, of als iemand jarig, getrouwd of pas bevallen is. Zomaar plompverloren een cadeautje onder iemands neus duwen zou de persoon in kwestie van zijn à propos brengen, zo werd mij verstaan gegeven. Maar als ik iemand nu eens gewoon aardig vond? Mocht ik hem dan niets geven? Wacht tot hij jarig is, was het advies. Ten tweede zou ik mijn vrienden geen dienst bewijzen door ze op te schepen met plastic troep en reuzelkwekend snoepgoed.

Ik bloosde tot de wortels van mijn oren. Maar diep in mijn hart was ik het niet met het natuurwonder eens. Waarom zou je bijvoorbeeld niet mogen snoepen? In China snoept men naar hartelust en zonder enig schuldgevoel. Dacht je dat je in Peking net zoveel gevulde mensen zag rondlopen als hier? Maar we snoepten en snoepten.

Als docente vertaler Nederlands-Chinees genoot ik naar lokale maatstaven een heel behoorlijk salaris – en al helemaal naar die van China: het bedroeg het tienvoudige van wat ik aan de Universiteit van Peking verdiende. Maar het besef van het geldtekort waaraan ik leed, sneed me nu pijnlijker door de ziel dan de veel grotere ontberingen tijdens de Culturele Revolutie hadden gedaan. Ik werd continu herinnerd aan mijn onvermogen aan te schaffen wat ik wilde. Het aanbod aan producten was zo groot dat ik er gewoon in verdronk. En ik moest toezien hoe anderen dingen bezaten die ik me niet kon veroorloven. Gelukkig was ik geen goed Communiste, anders had ik een Noord-Europese revolutie ontketend, waarbij de rijken onthoofd zouden worden en hun eigendommen zouden worden verdeeld onder de armen. Niet dat zo’n Marxistische en Maoïstische ideologie hier genoeg sympathisanten zou kunnen mobiliseren. Enfin, ik besloot me te schikken in mijn absolute rijkdom en betrekkelijke armoede en leidde mijn aandacht af door toe te kijken naar dat wat mij niets kostte: de kerstsfeer.

De elektriciteitsbedrijven verdienden in dit jaargetij geld als kraanwater, vermoedde ik, want op straat brandde het licht niet alleen om de duisternis te verzachten, maar ook zomaar, voor het mooie. Dit gold ook voor privé-woningen. Dus liet ook ik in mijn flatje mijn bureaulamp, keukenspotjes en kattenlichtjes aan, dag en nacht. Maar het kerstgevoel wilde maar niet komen
Mijn blonde buurvrouw met de bruine wenkbrauwen was een schat: zelf ging ze naar Spanje maar ze schakelde haar broer in om mij uit te nodigen voor het kerstdiner. Anders zou ik me alleen voelen, vreesde ze. Het was lood om oud ijzer, dacht ik, want ik kende haar broer niet, hoe kon ik me níet alleen voelen te midden van zijn kinderrijke gezin? Ik had ongelijk. Sjef , zo heette haar broer, heeft ervoor gezorgd dat ik een onvergetelijk kerstfeest vierde.

Toen ik op eerste kerstdag 1986 wakker werd, hoefde ik voor de verandering mijn bedlamp niet aan te knippen: een zee van oogverblindend licht gutste mijn kamer binnen en geleidde mij meteen naar de juiste stemming. Ik sprong uit bed en kleedde me feestelijk aan. Dit hield in: een spijkerbroekrok en een witte trui met bloemetjesopdruk, een uitrusting die ik op de kop had getikt tijdens de herfstopruiming. Ik had meteen van mijn buurvrouw te horen gekregen dat ze nu ook weer niet zó goedkoop waren: wie droeg er nou zo’n ouderwets model? Ikke, dacht ik bij mezelf. Ik zag al voor me hoe mijn collega’s aan de Universiteit van Peking mij zouden benijdden. Van tijd tot tijd moest ik mijn gedachtekoers corrigeren: ik woonde in Nederland. Moest ik me niet aanpassen aan de hier heersende smaak en mode? Maar hoe? Mijn hoofd, hart en zaligheid bevonden zich nog steeds op Chinese bodem, die trokken zich niets aan van mijn fysieke aanwezigheid in het Westen.
Klopklop, Sjef kwam mij ophalen – te voet. Ik rende naar beneden en opende de deur. Sjef was een kalende leraar natuurkunde van een jaar of vijfenvijftig. Zoals het merendeel van zijn Nederlandse leeftijdgenoten was hij voorzien van een hangbuik, maar ondanks die vracht liep hij als een kievit. Dat moest hij ook wel, want anders zouden we te laat komen voor de mis. Onderweg naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk vertelde Sjef mij over de geboorte van Jezus. Dat had niet gehoeven, want zijn zus had het voorwerk al gedaan: ze had mij een Engelstalige kinderbijbel geleend. Ik was inmiddels bij Zijn kruisiging aanbeland en derhalve al voorbereid op het paasfeest.
Sjef stamde uit een typisch katholiek gezin. Hij bad vóór het eten en na het eten, vóór het slapen en na het slapen, hij liet zijn levenssap ongehinderd zijn werk verrichten en had al doende in totaal negen nakomelingen verwekt, hij zat op de eerste rij in de kerk – elke zondag – en zijn volwassen kinderen hoefden niet meer thuis te komen als ze aan scheiden dachten of zich daaraan schuldig maakten. Maar hij was ook een uitstekend wetenschapsman, en een uitvinder van de slimste apparaten – hij betaalde zich blauw aan octrooi-aanvragen.

Het rook heerlijk in de kerk. Kaarsen en wierook waren in de weer om de aanwezigen te herinneren aan het zalige moment 1986 jaar geleden. Hoog in de lucht hingen kunstzinnig geborduurde dekens met bijbelse taferelen, de priester glitterde aan alle kanten – zijn gewaad was een en al pracht en praal. En toen hij het woord nam bleek zijn stemgeluid al even indrukwekkend: hij praatte langzaam en gewichtig, met die kronkels en versiersels die bij de inhoud van zijn preek pasten. Menig oog werd nat. Ook dat van mij. Ik was oprecht ontroerd, door de liefde waar de priester het over had. Ik dacht aan de scepsis van mijn buurvrouw, die de kerstviering ontliep door naar Spanje te vliegen – ze was ontgoocheld door de schijnheiligheid en terreur waar sommige leden van de kerk de afgelopen eeuwen mee hadden geschermd. Maar ik bekeek het Christendom vanuit een heel andere gezichtshoek. Hier sprak men tenminste over liefde, hoop en vertrouwen, terwijl ik een periode uit mijn jeugd had gekend waarin men het had over de noodzaak van klassenhaat, klassenstrijd ten dienste van een politiek doel. Wat dat betreft verkoos ik de façade van goedheid, die het kwaad niet zonder blikken of blozen tot de hoogste deugd van een ideologie promoveerde.
Na de toespraak klonk er muziek. Tientallen jongens in een witte jurk – of was het een overall?-begonnen te zingen, hoog en vroom. Opnieuw welden er tranen op in mijn ogen – zulke schone gevoelens had ik nog nooit open en bloot gevierd zien worden. Voor een moment vergat ik de taak die mij van kinds af was toebedeeld: de blanke kapitalisten haten. Ik kon niet haten. Niet in de kerk, niet tijdens het kerstfeest en niet tussen deze blanken, die zich lieten louteren door dé geboorte van de Zoon van de Liefde.

Nadat het jongenskoor zijn heilzame werk had geklaard, werden ook wij geacht te zingen. Sjef friemelde wat onder de bank waarop wij hadden plaatsgenomen en vond er zowaar een boek vol zangteksten. Hij stond op – ik deed dus maar hetzelfde. Hij zong – en ik humde mee. Niet dat ik wist hoe ik moest hummen. De enige keren dat ik had meegemaakt dat er massaal gezongen werd betroffen de aanklachtenbijeenkomsten tijdens een bepaalde periode van mijn jeugd.

Na de mis vergezelde ik Sjef, die op bezoek ging bij zijn schoonmoeder – Ria. Zij woonde in een huisje achter de Sint Pietersberg. Alleen. Zelf gekozen. Zoiets was ondenkbaar in China. Sjef liep achterom via de keuken het huis binnen en de bejaarde dame tilde de muts van haar theepot. Er werd een kerststol aangesneden en we kregen een stukje. De dialoog van Sjef en Ria was vast niet godsdienstig van aard – ze grapten en grolden van jewelste – maar wat ze precies zeiden kon ik niet achterhalen, ze spraken de geheimtaal van het Maastrichts. Na een halfuur kuste Sjef zijn schoonmoeder links, rechts en nog eens links op de wangen en liep met mij naar zijn eigen huis. Naarmate we zijn woning naderden, werd Sjefs borst boller van trots. Hij wees naar de glooiende groene lijnen van de Sint Pietersberg, naar het kerkhof met de groen aangeslagen grafstenen en naar het kasteel met de koperen koepel ernaast – het was zijn ideaal: in laatstgenoemde woonde hij en in eerdergenoemde wilde hij begraven worden.

Ik keek mijn ogen uit de kassen: hij bemande met zijn vrouw Ria een kasteel, groot genoeg om tweehonderd man te heropvoeden en in gevangenschap te houden. Alleen al de hal naar de zitzaal was breed genoeg om twee koetsen parallel naar binnen te laten rijden. Ria veegde haar handen af om mij welkom te kunnen heten. Mijn eerste teleurstelling ging ik tegemoet toen ik de zitzaal betrad. Aan de gigantisch hoge en brede muren hing een hoop aan elkaar geknoopte draden…wat moesten ze met dat visnet? “Blablablablabla”, zei Sjef – hij sprak de Europese naam veel te snel uit – “een kunstwerk uit zijn latere periode.” Uit zijn gelaatsuitdrukking maakte ik tot mijn verontrusting twee dingen op. Ten eerste , hij had er een kapitaal voor neergeteld. Ten tweede, hij geloofde werkelijk een kunstwerk in huis te hebben gehaald in plaats van bewijsmateriaal van oplichterij. Stiekem fronste ik mijn wenkbrauwen: wat was ik blij dat ik zo’n dure grap niet kon waarderen! Een doek met een paar strepen plus een heleboel spetters kostte hier een fortuin. Hoe verzonnen ze het!

Op de banken en stoelen leunde, lag en zat een leger mannen en vrouwen. Sjef stelde me een voor een aan hem voor. De oudste heette alweer Ria, tweevoudig getrouwd en gescheiden. Haar onchristelijke gedrag had ertoe bijgedragen dat ze pas sinds de vorige kerst weer toegelaten werd tot het ouderlijk huis. De volgende heette ook Sjef – acht keer achtereen in een afkickcentrum opgenomen, twee keer een sociale woning toegewezen gekregen en weer afgenomen. De derde luisterde naar de naam Jos, een psycholoog. De vierde betrof Marianne, alternatief genezeres. De vijfde was Jacques, een drummer in een band. De zesde was Roos, zij was advocate. De zevende was student economie, de achtste studente informatica en de negende zat in het derde jaar van het VWO.

“Ik kan wat de Rode Gardisten in de jaren zestig tegen de intellectuelen aanrichtten niet waarderen”, zei Sjef junior.
“Ik ook niet”, bitste ik terug.
“Schrijven jullie Chinezen niet allemaal met een rode pen?”
“Alleen als we rood staan op de bank”, klonk mijn antwoord. En ik ging verder: “Hoezo? Waarom vroeg je dat?”
“Jullie zijn toch rode rakkers? Ik dacht dat jullie ook met een rode pen schreven.”
Ik stond met mijn mond vol tanden. Marianne knipoogde naar mij. Meteen begreep ik de boodschap: ik had te kampen met iemand bij wie een steekje los zat. Ik hoefde me dus niet op te winden over zijn opmerkingen.

Sjef senior kwam mij halen en gaf mij een rondleiding door zijn kasteel. Tot mijn grotere teleurstelling waren de andere kamers al even sober, koud en zuinig ingericht als de zitkamer van daarnet. Waarom kochten ze zo’n mooi huis om hun zuinigheid tentoon te spreiden? Opeens realiseerde ik me dat dit geen uitzondering vormde. Zelfs topambtenaren, geslaagde zakenlieden en dergelijke kleedden hun woning summier en eenvoudig aan vergeleken met hun Chinese collega’s met dezelfde hoogte van inkomsten. Het was het geloof, werd mij verteld, dat hun leerde dat je moest lijden in dit leven op de aarde, bij wijze van vooruitbetaling op het Paradijs. Wacht maar tot je naar Holland emigreert, werd mij gezegd met opgeheven vinger: daar zijn ze nog soberder dan hier.
“Het kasteel is meer dan tweehonderd jaar oud”, klopte Sjef zich op de borst.

Ik knikte en toverde zoveel mogelijk bewondering op mijn gezicht, terwijl ik heimelijk dacht aan mijn geboorteland, waar niemand het in zijn hoofd zou halen met een oude woning te pronken. Pronken deed je met een moderne flat, een met een eigen badkamer en toilet.
“Kijk naar de berg waarop ons kasteel is gebouwd: strategisch gezien was dit destijds een ideale plek voor bandieten – de bokkenrijders gebruikten dit jaren lang als hun hoofdkwartier. Toen we onze keuken verbouwden, vonden we twee lijken met een mes in hun buik onder de betegelde vloeren.”
Ik knikte.
“We hebben zelfs zwaarden aangetroffen in de kelder. Van de beste kwaliteit.”

De lange eettafel was gedekt. Vanavond bad Sjef extra langdradig. Tenminste, zo vertelde Marianne, die naast mij zat. Ze was aan het lijnen en roerde haar bord nauwelijks aan. Dat was maar goed ook, zei ze. Toen ze klein was, ging het hele lerarensalaris van pa naar het opknappen van het kasteel, dat hij voor een prikkie had gekocht – niemand wilde in dit bouwval wonen. De maaltijden thuis waren altijd karig geweest. Ik bekeek de familie: Sjef was welvarend dik. Ria was uitbundig dik en de kinderen waren verre van slank. En deze Marianne beweerde dat er niet genoeg geld voor voedsel was?!
Het feestmaal bestond uit twee kalkoenen, twee schalen bloemkool en een pot aardappelen. En als dessert werd er chocolademousse geserveerd. Vervolgens was er koffie en sterke drank. Moeder Ria draafde af en aan tussen keuken en eetzaal – ze zag er gelukkig uit. Na het eten mocht ik met de jongste zoon, de VWO’er, naar de kelder afdalen. Ook hier was ruimte genoeg om een honderdtal intellectuelen uit te nodigen voor een aanklachtensbijeenkomst. Hij deed het licht aan: mijn hemel, dit was een rasechte discotheek! De jongen bediende twee rijen drums helemaal in zijn eentje en liet mij het verschil horen tussen jazz en blues. Maar mijn kennis van de westerse muziek stopte nu eenmaal bij Debussy – nagenoeg niemand in mijn land wist iets van de jaren zestig, zeventig en tachtig, de grenzen waren gesloten sinds het uitbreken van de Culturele Revolutie. Vol gemeende bewondering keek ik naar de handen van de VWO’er, die de wonderbaarlijkste klanken produceerden. Ik nam mij voor mijn zoon, mocht ik er ooit een krijgen, ook naar drumles te sturen. Natuurlijk wist ik dat dit nooit zou gebeuren: ik was te vol van wat ik vroeger had doorgemaakt, van de cultuurshock die ik hier in Nederland beleefde, en van mijn wens ondanks mijn verleden iets van mijn leven te maken, om aan een tweede generatie te denken, laat staan dat ik eraan werkte.

Er belde iemand aan. Ditmaal een échte blondine, met blonde wenkbrauwen. Toen zij de zitzaal binnenkwam steeg er een gejubel op: de dochter van Sjefs nepblonde zus kwam op bezoek! Ze studeerde rechten in Utrecht en had geen zin gehad met haar ouders naar Spanje te gaan. Het was met name Jos, de psycholoog, die er ineens extra opgewekt uitzag. Hij sprak geanimeerd met zijn beeldschone nicht. Ze zaten op de bank, schouder aan schouder, en ze lonkten naar elkaar terwijl ze over Jung en diens libido discuteerden. Ik gaapte. Het was over negenen. Maar niemand toonde enig teken van vermoeidheid. Sjef bood aan mij met de auto naar huis te brengen. Jos sprong overeind “Nee, pap”, zie hij, “ik breng Lulu wel thuis!” Hij knipoogde naar zijn knappe nicht. “Rachel woont vlak naast Lulu. Zo hebben beide dames vervoer naar huis.”
“Maar. . . maar ik ben op de fiets.” Rachel had al spijt op het moment ze de zin uitsprak.
“Die kan wel in de kofferbak. Ik heb een sedan.”

Ik had net zo goed naar huis kunnen lopen: Jos reed ommetjes en ommetjes en wilde de bestemming maar niet bereiken. Zo rekte hij de tijd, opdat zijn nicht en hij langer bij elkaar konden blijven. Ik zat tussen hen in en benijdde de frankheid waarmee ze elkaar hun genegenheid overseinden. Toen Jos het niet meer kon maken om nog meer ommetjes te rijden stopte hij voor de deur van Rachels huis. En – hoeps! – hij draaide zich om en leunde voorover, als een luipaard dat zijn prooi bespringt. Mmmmwah! Ze zoenden elkaar de lippen van de mond, pal voor mijn hete adem.

Ik dacht aan Jianmin, mijn eerste geliefde op de Universiteit van Peking. Drie jaar had het geduurd voordat we elkaars handen durfden vastpakken en nog eens een jaar of twee voordat we een kus uitwisselden. Een maand later was hij afgestudeerd. De partij stuurde hem naar de stad Xi’an, zowat duizend kilometer verderop. Als de maatschappelijke en politieke omgeving ons had toegestaan om als Jos en Rachel te werk te gaan, dan zouden we al lang gelukkig getrouwd zijn geweest. Nu wist ik niet eens of Jianmin nog leefde en zo ja waar, hoe en met wie.
Opeens realiseerde ik me wat het was dat mij zo aantrok in Nederland: de vrijheid waarmee mensen elkaar beminden en zich lieten beminnen. Sinds dat moment voel ik me thuis in het koude kikkerland. Ondanks het karig menu, ondanks de sobere inrichting van hun woningen, ondanks de gewoonte om cadeaus te bewaren voor die ene dag in het jaar, en ondanks de snoepfobie.

Op tweede kerstdag vroor het. De straten waren spekglad, maar ik liep pijlsnel. Ik was een Maastrichtse geworden.

© Lulu Wang, Den Haag, 2000
e-mailadres: luluwanggz@luluwang.nl
website: www.luluwang.nl

屏幕快照 2013-04-11 10.01.46 PM

Koop of downloadboeken van Lulu Wang vanaf 3,99 euro >>> >>