Maan en zij, gedicht Lulu Wang


Zij: Je hangt aan de nachtkoepel, als een ivoorwitte jaden spiegel zo sprankelend. Je weerspiegelt de slapende bergen en rivieren, de op een oor liggende flora en fauna, als een droom zo mooi. Maar voel je je niet alleen op de koude eenzame hoogte?

Maan: Jij praat toch met mij?

Zij: Eentje draait ten hemel en het ander staat op aarde. Hoe lang wij elkaar ook spreken, de afstand tussen ons zal met geen centimeter worden verkort.

Maan: Zolang wij elkaar kunnen zien en spreken, deren de lichtjaren ons niet.

Zij: Wat helpt een praatje nou? Wij kunnen elkaar niet omhelzen.

Maan: Ik ontsteek de fonkels in je ogen, en mijn silhouet twinkelt in je pupillen. Wij liggen niet alleen in elkaars armen maar ook in elkaars hart.

Zij: Maar ik kan je niet aanraken.

Maan: Voel je je niet fris en monter? Je baadt in mijn licht, dat tot elke cel van jou doordringt. Ons contact gaat diep onder de huid.

Zij: Wat wou ik hand in hand met je lopen in het avondlandschap. Wat zou ik graag voelen hoe het door jou verzilverde gras onder onze voeten veert en hoe de voor je geurende nachtschone ons bedwelmt!

Maan: Kijk naar je fraaie polsen. Het lichtschijnsel erop komt door mijn zachte kus.

Zij: Waarachtig. Je kus doet mijn vlammende agitatie verkoelen. Je tederheid stemt mijn
koortsachtige lijf tot rust.

Maan: Met jou aan mijn zij, hoe kan ik me alleen voelen?

***

Zij: Wat als op een dag mijn interesse in jou verslapt?

Maan: De onvermoeibaar roterende hemel, de alles verdragende aarde en al wat ertussen fleurt en kleurt houden mij gezelschap. Door hen omringd voel ik me de koning te rijk.

Zij: Hoe weet je dat ze je zien staan?

Maan:

Het zwarte gewelf opent haar hartpoort en vraagt mij om de duisternis uit haar te verdrijven.

De donkere wegen wachten met engelengeduld op mij in de hoop dat ik de hobbels en kuilen op hun route zichtbaar maak voor nachtreizigers.

Het stille meer nodigt mij uit om erin te duiken en wij deinen en dollen op elkanders ritme, met golf na golf vervoering tot gevolg.

De lotus richt, haar maagdelijke verlegenheid ten spijt, haar gesloten roze lippen tot mij en verheugt zich op mijn lichte strelingen, die haar langzaam maar zeker tot opengaan zullen verleiden.

De glimwormen draperen mijn schijnsel over hun vleugels en schitteren als sterren boven en tussen de struiken. Zo houden ze de gladiolen en lobelia’s uit de slaap. Tezamen dartelen wij in het rond, met achter ons even sierlijke schaduwen als danspartners.

De katers gaan op versiertoer langs een pad dat door mij is verlicht. Dwars door heiden en weiden, bossen en struiken, neuzen ze hun weg naar krolse katten, waarna ze een liefdesduet te berde brengen.

***

Zij: Ik zorg ervoor dat mijn belangstelling voor jou onverminderd blijft, anders ga je aan de haal met de hemel, de aarde, de gladiolen en de katten.

Maan: Wat je wilt. Zolang je mij nodig hebt, zal ik je hart vullen met mijn helderste en zuiverste lichtstraal.

Zij: Jij bent dus niet de eenzame. Je houdt mij een spiegel voor en daarin zie ik mijn eenzame zelf.

Maan: De bergen en rivieren, de meren en de lotussen, de glimwormen en de lobelia’s zijn zelfs dichter bij jou dan bij mij.

Zij: Als ik net als de nacht mijn hartdeur open, zal je mijn eenzelvige duisternis wegjagen, nietwaar?

Maan: Blij dat je het zegt.

Zij: De afstand is eigenlijk niet wat ons scheidt maar mijn gesloten hartkamer, klopt het?

Maan: Ik ijsbeer iedere avond voor je raam. Als je naar buiten kijkt, zie je mij daar blinkend naar je zwaaien. Als je je hoofd laat hangen, ontwaar je de maanovergoten grond. Waar je blik ook op valt, de rotsen op de bergen, de kolken in de rivieren, de rimpels in de meren, de volle lippen van lotussen, het glimmend gewaad van glimwormen, het duet van éénwordende katers en poezen, ze zijn niets dan bewijzen van mijn verbondenheid met jou.

Bestel een gesigneerd exemplaar van Lulu’s nieuwe dichtbundel Lentelokroep, € 22,95


月亮和她

她:皓月当空,琉璃剔透,令人心旷神怡,可你独自高悬于彼岸, 不觉得孤苦伶仃?
月亮:你不就来找我聊天了吗?
她:我们天上地下,相隔岂止是甚远,可望不可及也,聊天岂能解忧?
月亮:我们不是能听见彼此说话吗?
她:光说有何用?你我不能相拥
月亮:我的光点亮了你的双眸, 你的眼里闪烁着我的身影,我们何止相拥?深入了彼此的心中
她:可我摸不到你呀
月亮:你没觉得神清气爽,通体舒畅?这源于我的体温和你皮肤的亲密接触
她:再怎么说我们也不能手拉手走在银芒交融,草芳虫鸣的田野上
月亮:低头看一下你温润如玉的手腕,那上面的一抹柔光正是我的吻印
她:对呀,你的吻清凉了我燥热不安的心,你的情长驱直入,沁人肺腑
月亮:有你在,我怎会孤独?

她:要是我哪天不理你了呢?
月亮:行健的天空,载物的大地,以及天地间之生灵万物与我同在,有他们的陪伴,我好生享受,花团锦簇间此生无憾
她:你怎么知道他们心中有你?

月亮:
夜空敞开心扉让我消融黑暗,
夜路静待我照亮她婉转绵长的心思,
湖水邀我与她鸳鸯戏水,搅得她阵阵涟漪,
睡莲见到我,掩饰处子之羞涩,微扬粉雕玉琢的脸庞,渴望在我的抚摸下情窦初开,
萤火虫草船借箭,把我的辉光披在双翅上神采奕奕,低空盘旋,惹得睡眼惺忪的花花草草,又心境摇曳,舒展长袖,翩翩起舞,
猫哥在我的照明指路下英雄孤胆,披荆斩棘,循声而去,与灌木中叫春的猫妹琴瑟和鸣,难舍难分

她:那我还是理你吧,便宜了山水草木飞禽走兽
月亮:一切随君便,只要你想我,我就把最纯净的光射入你心田
她:看来不是你孤独,你尤如明镜,映出了我这个舒广袖的寂寞嫦娥
月亮:倘若置若罔闻,即便与我朝夕相处,耳鬓厮磨的嫦娥,也错觉孓然一身
她:你是说,距离不是阻碍,紧闭的心扉才是?
月亮:有缘千里来相见,无缘同阙却异梦
她:相隔万个光年又何妨?
月亮: 我每天晚上在你门前徘徊,你举头也好,低头也罢,只要你看,万水千山都洒满我的情, 江河湖海都荡漾着我的意

Pioenrozentuin, gedicht Lulu Wang

Dat jaar kwam de lente buitengewoon vroeg
De IJsheilige was niet vertrokken of reeds droeg
Menig kersenboom kleine frêle bloemknoppen
De bleke winterzon ginds boven de bergtoppen
Kreeg eindelijk een gezond kleurtje op de wangen
Wachtte tot ’t laatste restje sneeuw smolt vol verlangen
De avondwind is milder ja lentekriebels waren in zwang

Naar verluidt was er een dansfeestje aan de gang
Daar in de studentenkantine de hele avond lang
Niets voor ’n muurbloem als ik helaas pindakaas
Wie niet knap is moet slim zijn weet iedere dwaas
Van vroeg tot laat hard studeren bood mij redding
Van de collegezaal naar de bieb ver van verleiding

Ik zeulde met ’n tas vol dichtbundels voor een keuzevak
Liep dwars door de Pioenrozentuin op mijn dooie gemak
Opgeschrikt door het geluid van een fietsrem achter mij
Draaide ik me om en zag ’n grote schaduw aan de linkerzij

Wees heus niet bang ik ben je universiteitsgenoot
Hoorde ik hem zeggen net een warme muzieknoot
Ik draaide me weer om waar diende z’n fietsrem voor?
Hij hoefde maar zijn lange benen neer te zetten hoor
Dan kon hij de fiets stokstijf stopzetten alsof die bevroor

Ik durfde niet naar hem op te kijken maar werd nieuwsgierig
Hij scheen mijn gedachten te lezen en zei wat ben je ijverig
Anderen dansten in de kantine en jij zat te blokken in de bieb
Hij was lang niet zo vlijtig zelfs toen hij stage bij een toplab liep

Twee jaar geleden was hij hier afgestudeerd in het vak elektronica
Op welke faculteit zit jij vroeg hij laat hem raden geen studente bèta
Overrompeld door dit hele gebeuren kon ik geen woord uitbrengen
Toch wilde ik de verbazing al te graag bij ‘aangenaam’ onderbrengen

***

Op automatische piloot nam ik sindsdien dezelfde weg naar huis
Met m’n oren rechtop gespitst lette ik op elk geluid bang om per abuis
Zijn voetstappen te missen want dan zou het mij dagenlang spijten
Zodra ’n fiets rinkelde werd ik zo blij dat ik dreigde in de sloot te glijden

Gelukkig liet hij niet zo lang op zich wachten en bezocht de Rozentuin
In de kersenbloesemregen en voorjaarsodeur liepen wij dwars en schuin
Om de weg naar mijn huis verder te rekken en elkaar langer te spreken
De avonden waren ons te kort en wij begonnen overdag af te spreken

Toen hij hoorde dat ik Heldere Beekje heette knikte hij met zijn hoofd
Ik bleef net zo zuiver als de naam die m’n ouders mij gaven had beloofd
Ik vond zijn naam te gewoon want alle jongetjes heten Staal- of IJzersterk
Hij proestte ’t uit van het lachen en vond mijn opmerking een knap giswerk

Ik kreeg er geen hoogte van maar voelde me alsnog gevleid
Zijn ouders waren in de ijzer- en staaltechnologie opgeleid
En doceerden beiden in dit vak aan de gelijknamige universiteit
Zijn broertje heette IJzer en hij Staal al was zijn vak elektriciteit

Zo kreeg hij na z’n studie werk bij de radio en tv omroepen
Zeker spannend om programma’s te maken liep ik te roepen
Hij ging over filmapparatuur en werkte niet mee aan scripten
Zijn werk bestond uit het uitvogelen van velerlei voorschriften
Van ingevoerde moderne machinerieën met delfische encrypten

***

Op ’n ochtend had ik geen college dus tijd voor ons tweetjes
Wij gingen wandelen langs ’n lotusmeer met witte eendjes
Een jonge vrouw in een leren broek kwam op hem af en riep
Ben jij het, Hoge Berg? Zo te zien opgeknapt van de griep!
Staalsterk lachte als ’n boer met kiespijn en stelde ons voor
Hij noemde mij Pioenroos en de lach op mijn gezicht bevroor
Haar noemde hij Zwaluw en ze werkten op hetzelfde kantoor

Toen ze zijn introductie aanhoorde moest ze schuddebuiken
Zo hard dat ’n eend in ’t meer zich spoedde naar haar kuiken
Ik merkte een blik van verstandhouding tussen die twee lui
Ze liep derrière wentelend weg en ik kreeg pardoes ’n huilbui

Hij ging mij achterna en liet mijn arm hoe dan ook niet los
En trok z’n jas uit en legde ’m op de bladeren in ’n wilgenbos
Hij vertelde mij: toen hij een jochie was heette hij Hoge Berg
Mij noemde hij Pioenroos omdat hij mij altijd miste o zo erg

Ik geloofde hem voor geen cent meer en stond subiet op
Hij mompelde iets dat ik niet verstond wegens mijn getob
Ik ging weer naast hem zitten en hoorde hem diep zuchten
Weet je waarom ik dol op je ben begon hij z’n hart te luchten

Ik antwoordde omdat ik dom was en slikte alles wat hij zei
Voor zoete koek, waar vond hij nog zo’n lammejte in de wei?
Hoewel de omroepen veel beeldschone presentatrices vergaren
Voelde hij er niets voor omdat mijn ogen net als vishaken waren
Wie ernaar keek bleef eraan vastzitten en kon niet verder varen
De aantrekkingskracht van mijn sprekende ogen zou niemand sparen
Ik snerpte dat als ik hem zou geloven ik mezelf voor gek zou verklaren

***

In het weekend ging ik naar mijn ouders en kwam Ochtendgloed tegen
Wij groeiden in dezelfde wijk op en ze had al haar MA-diploma gekregen
Een lichtje begon bij mij te branden en ik vroeg haar dringend om hulp
Haar broer had toch vroeger bij de tv omroep gewerkt als vakantiehulp?
Kende hij daar contacten om te informeren over Hoge Berg of Staalsterk?
Geen punt zei ze en ze zou haar broer inschakelen voor dit speurwerk

Het weekend daarna vloog ik zowat naar het huis van Ochtendgloed
Al had ik reeds een vermoeden hoe de vork in de steel zat maar goed
Na het vernemen van haar broers verhaal sloot ik hun deur achter mij
Doolde als een zombie rond en onderdrukte met moeite m’n geschrei

***

Kersenbomen bloeiden en bladderden af
Lente fleurde op waarna ze de geest gaf
De jaren en liefdes gingen voorbij op ’n draf
Geluk en verdriet beurtelings bezochten mij
Vele amoureuze verklaringen stemden mij blij
Maar slechts één zinnetje bleef mij ’t langst bij
Het ene dat Staalsterk in ’t wilgenbos tegen mij zei

Als de dag van gisteren herinner ik me onze avonden
Toen twijfels en vermoedens nog niet voor mij bestonden
Elk woord elk gebaar elk draadje rozengeur en elke stilte
Staan gegrift in mijn geheugen en vergoeden alle levenskilte
Al is geen van z’n woorden bij nader inzien ooit op feiten berust
Kan mijn genegenheid voor hem onmogelijk worden geblust

Ook als de dag van gisteren herinner ik me Ochtendgloed
Hoe ze naar m’n neus wees met verwijten in overvloed
Ik zat in het derde jaar op de universiteit en was nog zo naïef
Die man heette Staalsterk noch Hoge Berg maar Constructief

Getrouwd en zijn vrouw deed onderzoek in biologie
Zijn ouders doceerden niet in ’t vak staaltechnologie
Maar waren hoogleraren op de Luchtvaartuniversiteit
Alleen dat hij elektronica had gestudeerd was een feit

Toen Ochtendgloed dat mij onder de neus wreef was ik te ontdaan
Om een argument aan te grijpen om met haar in discussie te gaan
Constructief heeft nóg een zin uitgesproken die op waarheid was berust
Daarmee stelde hij mijn onzekere zelf voor de rest van m’n leven gerust
Je bent niet mooi te noemen maar je sprekende ogen zijn net vishaken
Wie ze ziet kan niet aan je ontsnappen en blijft muurvast aan je haken
Zo krabbelde hij terug telkenmaal als hij mij trachtte vierkant te vergeten
Dat hij in de Rozentuin voor mij viel heeft hij hem geen minuut gespeten

’n Kenmerkende handicap van velen in de bètavakken
’n Gebrek aan literaire gereedschappen op taalvlakken
Met ’n technische term ‘vishaken’ poogde hij te beschrijven
Zijn ware gevoel voor mij iets wat mij levenslang bij zal blijven

Zo onzeker als ik toen was hunkerde ik naar bevestiging
Daarvoor wilde ik goedgelovig wezen als een nieuwe boreling
Met dat ene compliment heeft hij al z’n leugens goedgemaakt
Daardoor is mijn zelfvertrouwen uit een diepe slaap ontwaakt
Gelijk de lippen van de prins die Sneeuwwitje hebben geraakt
Sindsdien kon ik me moedig storten op een liefdespeurtocht
Langs een bergpad bezaaid met rozen, doornen en hartstocht

Staalsterk, Hoge Berg of Constructief, hoe je in het echt ook mocht heten, je hebt
mij geleerd om het kaf van het koren te scheiden alsmede leugen van waarheid, maar
het liefst zou ik de domoor willen blijven die al je woorden voor zoete koek aannam.

Bestel een gesigneerd exemplaar van Lulu’s nieuwe dichtbundel Lentelokroep, € 22,95


勺园

那年北京春天来得出奇地快
刚过旧历年樱花就含苞欲放
苍白泛黄色的太阳春光满面
温柔等待着墙根下残雪融化
就连晚风也变得柔和且温顺

听说学二食堂在开交际舞会
不关我事笨拙如我干脆别去
化悲痛为力量学习才是正道
化腐朽为神奇依靠读书改命

书包里塞满文学选修课书籍
我从教室抄道经勺园回宿舍
忽听身后自行车按闸的动静
一个男人的声音吓了我一跳

虽然他说话轻轻的不失友好
我仍然惊魂失魄以为见了鬼
谁会黑灯瞎火的在树下等我
我手足失措差点把自己绊倒

只听背后男人咚一下脚步声
我回头一瞧他哪里需要刹车
长腿一蹬地就停得稳如泰山
他说咱们是校友你不用担心

我不敢抬头相望但心生好奇
他说毕业于无线电就在前年
问我是哪个系的在读几年级
我一时语塞蹑手蹑脚往前挪

***

鬼使神差地我专门走勺园道
月下沐浴着樱花雨瞻前顾后
就怕错过自行车徘徊的响动
一听到身后的刹车声就忐忑

他没辜负我一日三秋的期盼
隔三岔五就陪我步行回宿舍
樱花雨后桃花香芍药含苞放
从晚间“偶遇”到抽空白天见面

他得知我叫吕晓溪后说真好
你就像名字一样清澈如溪水
我说你陈刚这名啥新意没有
男的十有八九叫某刚或某铁
他笑道我像算卦的掐得真准

我一脸问号等他接着夸奖我
他父母就职钢铁学院五道口
所以他叫陈刚他弟弟叫陈铁
毕业后他被分到了电视台里

我问做节目是不是特别有趣
他说不制作文案专门管器械
这不刚进口了先进摄像设备
他正和摄影组摸清各种应用

***

一天下午没课我们公园约会
半路他和皮衣女郎迎头相撞
杨峰好久不见你出差回来了?
陈刚听后立马做个简单介绍

他称我是他北大校友叫张建
告诉我她是自己邻居叫美燕
我站在一旁看他俩会心一笑
她旋转着杨柳细腰拂袖而去

我茫然不解盯着他原地不动
他用力拉我到湖边大柳树下
脱下风衣铺在草地上让我坐
解释道张建是他儿时的名字
免得麻烦顺口就称我为张建

我起身要走他呆坐着喃喃道
电视台那么多播音个个漂亮
他却不动心只对我日思夜念
想知道为什么他会如此这样

我说我傻呗你说啥就信啥
他说你相貌平平但眼有神
像钩子碰上你就无路可逃
我推开他说不信杨峰同学

正好周末回家碰上刘京红
大院一起长大在外院读研
想起她哥恰巧也在电视台
请他哥打听一下帮我个忙

下周末我心急火燎赶回家
径直到京红家问个一二三
听完后踉踉跄跄告别离开
在院里转来转去头晕眼花

***

樱花开了又谢香飘了又散
岁月如梭心动心伤复心静
记不清遇到过多少人和事
听过多少悦耳动听的情话

唯有忘不了那年樱花时节
记得和他共处的每个细节
细想起来他说的无一属实
撒谎不打草稿是张口就来
可我太不争气恨他不起来

还记得京红哥指着我鼻子
都大三了还那么天真烂漫
那人不叫陈铁杨峰叫张建
他已婚太太是新闻部编辑
他爸妈不在什么钢铁学院
而是北京航天学院的教授
他没有弟弟只有一个妹妹
无线电系毕业是唯一真话

我当时只顾天旋地转发呆
真后悔没及时反驳京红哥
杨峰另句真话我铭记终生
也是我至今留恋他的原因
他说我眼睛有神像一只钩
他再怎么挣扎也逃脱不开

不会美丽辞藻或咬文嚼字
用了一个金属工具做比喻
理工男绕不开的职业缺陷
却真情流露触动我心深处

彼时不自信的我热切渴望
有人夸我两句哪怕是谎话
我便能原谅他所有的一切
使我能踏上芍药怒放的路
走向属于我的幸福和真爱

陈铁杨峰又名张建,你教会了我辨别良莠,但我更怀念大三时的稀里糊涂