Code van geluk

Gisteren, een paar avonden voor mijn eenenvijftigste verjaardag, lag ik in bed en moest weer huilen. Ditmaal van dankbaarheid. Ik herinner me een passage in een van mijn romans (ik weet niet meer welke, maar ik hoop dat een van mijn lezers mij er een tip over kan geven, erg van mij, hè?): ‘Geluk leek haar een geheim genootschap. Iedereen om haar heen kende de toegangscode ervan, behalve zij.’
 
Gisternacht, met vreugdetranen langs mijn slapen en op mijn hoofdkussen, realiseerde ik me dat ik me gepasseerd voelde als ik anderen een meevaller zag krijgen. Niet beseffend dat zij, hun ouders, voorouders, vrienden of kennissen, bekenden of onbekenden, veel goeds in de ether hadden gestuurd, waardoor zij direct of indirect beloond werden. Wie goed doet, goed ontmoet, dit klinkt misschien cliché, maar kosmisch gezien, heeft het een kern van waarheid.
 
Door te geven, zou ik zaadjes om mij heen strooien. Vroeg of laat, oogst ik, of oogsten bekenden of onbekenden van mij het goede dat ik bewerkstelligd heb. Zelfs als dit niet zo zou zijn, ervaar ik tenminste geen gevoel meer van gepasseerd zijn. Trouwens, wie kan mij passeren behalve ikzelf?
 
Nu vlak voor mijn verjaardag heeft Het Leven mij de geheime code van het Genootschap van geluksvogels toegefluisterd. Wat wil ik nog meer? Geven.
 
Foto: Xiaoling Huang
 
 

Lachen na huilen

Over een paar dagen word ik eenenvijftig jaar – ik laat hierbij het woord ‘oud’ achterwege en vind het niet gepast ‘jong’ te gebruiken. Vandaar.
 
Als je mij vraagt hoe het voelt zoveel ringen in mijn levensboom te hebben, kan ik er kort over zijn. Te weten: ik heb door schade en schande leren kiezen. Kiezen voor lachen. Niet dat huilen zo vervelend is. Je moet eens weten hoe ik jarenlang gezwolgen heb in verdriet. Zeven van mijn negen uitgegeven boeken zijn er onweerlegbare bewijzen van. Als je mij toen zou vragen wat genot voor mij betekende, zou ik antwoorden: niets gaat boven mezelf zielig vinden. En anderen er de schuld van geven. Zo zuinig als ik was, ik had er stapels geld voor over om bij therapeuten en psychologen uit te huilen. Toen gold het voor mij: een dag niet gejankt, een dag niet geleefd.
 
Totdat ik merkte dat dat huilen verslavend werkte. Het luchtte eventjes op, snel daarna snakte ik naar meer ‘redenen’ om tranen te produceren. Bovendien, met het klimmen van jaren heb ik hoe langer hoe minder fut om diep te graven in de ongelukkige onderlagen van mijn psyche. Ik snap hoe langer hoe beter waarom ouderen zeggen: ‘I have seen it. I have done it.’ Ik ben er klaar mee.
 
Du moment dat ik besloten heb de zonnige kant van het leven te zien, pas ik voor elke verleiding om verdrietig te worden. Zodra ik dreig mezelf zielig te vinden, denk ik aan apen in december. Ze zitten op een natte boomtak te bibberen, van de kou en van het gebrek aan perziken die daar niet meer aan hangen. Dan ben ik zo blij dat ik hoog en droog zit. Genoeg appels en peren om van te smullen en voldoende koekjes om ze, omwille van mijn figuur, links te laten liggen, om op een onbewaakt moment een stuk of drie naar binnen te proppen.
 
Toen ik jong was, had ik zoveel energie dat ik, na hartverscheurend verdriet te hebben gevierd, toch genoeg fut overhield om verder te gaan. Nu ik niet meer moeders jongste ben, heeft Het Leven mij geleerd om de krachten die mij resten enkel en alleen te gebruiken voor leuke dingen. Ik sta er telkens van te kijken hoe Het Leven alles in evenwicht houdt.
 
Ik ben over de vijftig en tevreden.
 
Foto: Xiaoling Huang