Lentelokroep, dichtbundel, tweetalig (NL en CN), zestiende boek van Lulu Wang, 2021

Op een oorspronkelijke wijze bezingt Lulu de vier seizoenen van de liefde. Talloze tinten van deze ultieme emotie passeren de revue. Een ode aan de overtocht op de woelige baren naar het geluk. Herkenbaar voor velen, zo niet voor iedereen.

De ruim negentig gedichten zijn zowel in het Nederlands als in het Chinees geschreven en voorzien van een video, die het lezen een extra dimensie geeft.

Het kwetsbaar eerlijke maar ook lyrische dat Lulu’s romans kenmerkt klinkt door in haar dichtkunst.

Het leven is half geluk en half verdriet

Zonder Boemeltje lijkt mijn leven leeg. Zijn snoetje blijft voor mijn ogen verschijnen en mijn tranen wassen dat beeld weer weg. Uit wanhoop zoek ik op het internet naar een hondje in het dierenasiel (Boemel kwam daar ook vandaan) aan wie ik weer liefde kan geven, maar als ik de ogen van Boemel voor de geest haal, voel ik me schuldig. Hij is pas overleden. Verraad ik hem niet?

De kracht van een granaat ligt daarin dat een balletje in een handomdraai een plek met alles erop en eraan in de as kan leggen. Het verdriet om Boemeltjes overlijden doet aan die kracht niet onder. Het verdooft alle licht in mijn wereld.

Elke dag kent een duisternis voor de zonsopgang. Zonnestralen kunnen hun energie alleen opbouwen in de diepste nacht. Dankzij de aarddonkere put waarin ik de afgelopen 72 uur heb gezeten, zie ik een lichtpuntje.

Het Chinees woord voor ‘boom’ is 木 (mu). De liggende streep geeft de horizon aan. Het wil zeggen dat een boom even lang is bovengronds als ondergronds. Hetzelfde geldt voor het gezelschap van Boemel. Hoe meer hij mij liefde heeft gegeven, in hoe meer verdriet hij mij achterlaat. Het enige verschil is dat het plezier dat hij mij heeft geschonken over een tiental jaren is gespreid en de droefenis daarna tot een explosie van tientallen uren is samengeperst. Zo bereiken de twee een perfect evenwicht.

Ik heb besloten mijn handen thuis te houden en niet meer te klikken op links voor een mogelijk asielhondje. Nu begrijp ik waarom Taoisten met het leven mee meestromen in plaats van naar het geluk zoeken. Zodra een mens koste wat kost blij wil zijn, wacht een tegenslag hem om de hoek af. Net een boom die even lang boven- als ondergronds is. Meestromen heeft het voordeel dat dingen naar ons toekomen, wenselijke en minder wenselijke. Wij hoeven ons niet in alle bochten te wringen voor iets dat (nog) niet voor ons weggelegd is.

Als er op een dag een hondje op mijn stoep staat, zoals Boemeltje het een tiental jaren geleden deed, zal ik hem omarmen. Als het wonder wegblijft, heb ik nog Boemeltje, in mijn hart. Dankzij hem ben ik een stapje dichterbij de Tao.